Staken is een arbeidsrecht

‘Staken is een arbeidsrecht!’ Aan het piket wordt het gezongen bij wijze van slogan, maar de zin zou evengoed uit een sociaalrechtelijke verdragstekst kunnen komen.
Bij het begin van de industriële revolutie werden arbeidsconflicten op straat en aan de fabriekspoort uitgevochten. Nu vraagt een professor arbeidsrecht zich openlijk af of tegenwoordig de klassenstrijd niet verhuisd is naar de rechtszaal. Worden arbeidsconflicten uitbesteed aan de advocatuur ? (1)

HOE HET GROEIDE

Staking als contractuele (en ooit zelfs strafrechtelijke) fout

Een arbeidsovereenkomst is een contract, waarbij de arbeider zijn arbeid verkoopt. Hij verbindt zich ertoe om tegen betaling van loon zijn arbeidsprestaties ten dienste te stellen van zijn werkgever. Alhoewel het liberalisme een dergelijke overeenkomst aanziet als een uiting van vrijheid tussen de contractspartijen, was het al snel duidelijk dat dergelijke vrijheid een fictie was. De partijen zijn immers niet gelijk en waar men dit wilde ontkennen, hebben talrijke stakingen bij het begin van de industriële revolutie aangetoond dat er iets schortte aan de mooie tekening van de verlichte liberalen. Maar bekeken vanuit de contractuele bril van het arbeidscontract, waren stakingen fout . Ondanks de overeenkomst weigerde de arbeider zijn arbeid ter beschikking te stellen. Het strafrecht diende dan ook ter hulp te komen om de zwakke waarborg van de contractuele zekerheid te verstevigen. Artikel 310 van het Strafwetboek verbood het aanwenden van pressiemiddelen om loonsverhogingen te forceren of de vrijheid van arbeid en nijverheid aan te tasten.

Onze grondwet voorzag echter het recht op vrijheid van vereniging en inmiddels had de arbeidswereld zich in vakorganisaties georganiseerd. In 1921 werd artikel 310 uiteindelijk afgeschaft en tegelijkertijd werd de wet op de vrijheid van (vak)verenigingen ingevoerd. Maar contractueel bleef staking fout, want men voerde zijn contract vrijwillig niet. Bepaalde rechtspraak aarzelde dan ook niet om tot contractbreuk te besluiten, zodat vakbonden steeds verplicht waren om bij het einde van de staking te bedingen dat geen sancties tegen de stakers zouden worden genomen.

Na de tweede wereldoorlog diende het land heropgebouwd te worden. Vakbonden, patronaat en regering hadden hiertoe tijdens de oorlog een Ontwerp van Akkoord van Sociale Solidariteit uitgewerkt. In het zog daarvan werd op 19 augustus 1948 de Wet betreffende de prestaties van algemeen belang in vredestijd goedgekeurd, waarbij werd bepaald welke activiteiten ook tijdens een staking alleszins gepresteerd zouden worden.

Er volgden talrijke pogingen om op één of andere manier een stakingswetgeving uit te bouwen, maar de krachtsverhoudingen tussen de sociale partners leidden steeds tot een blokkering. De rechters bleven dus aangewezen op het contractuele denkkader.

Staking als schorsingsgrond van de arbeidsovereenkomst

Een staking dient echter niet altijd om professionele eisen te gaan ; ook politieke stakingen zijn mogelijk. Het is merkwaardig dat het Hof van Cassatie een eerste maal een opening in het stakingsrecht maakte naar aanleiding van de politieke staking van 60-61 tegen de eenheidswet.

In het arrest van 23 november 1967 werd het contactueel kader niet verlaten, maar men oordeelde dat staking niet meer tot verbreking, doch wel tot schorsing van de arbeidsovereenkomst leidde. (2) Het Hof bleef daarbij juridisch consequent met zichzelf, omdat bij een contractuele fout enkel tot contractbreuk kon worden besloten, wanneer de wil tot beëindiging bewezen was.

Niettemin hebben lagere rechtbanken in de jaren zeventig verder de verbrekingstheorie toegepast bij enkele militante conflicten in het Waalse Forges de Clabecq en Caterpillar. (3) Men besliste tot ontslag van de syndicale afgevaardigden omwille van hun voorbeeldfunctie en hun plicht tot het behoud van de sociale vrede, gelet op de clausules dienaangaande in enkele CAO ’s. Klaarblijkelijk was bij een ernstig conflict de wil tot beëindiging sneller aanwezig. Deze rechtspraak sloot aan bij de theorieën van een aantal patronale juristen, die een typologie van de staking verdedigden, waarbij bepaalde vormen (bijvoorbeeld politieke stakingen) sneller fout zouden zijn dan andere. Aldus werd ook gepleit voor een strengere houding bij het doorbreken van sociale vredesclausules. (4) Maar die rechtsleer wrong, wanneer men vaststelde dat het Hof van Cassatie juist bij een politieke staking de verbrekingstheorie verlaten had.

Staking als recht

In 1976 was het opnieuw hommeles. De vakbondstop verloor her en der controle over sociale conflicten. Meer en meer groeide het fenomeen van de spontane en wilde staking.

In de petroleumsector startte een militant délégué, Miel De Bruyne, een spontane staking, die snel door de Algemene Centrale van het ABVV werd erkend. Het bedrijf SIBP, werkgever van De Bruyne, zette de délégué aan de deur en heel de sector ging uit solidariteit in staking. Hieraan zou slechts moeizaam een einde komen, na een akkoord waarbij het eindoordeel aan de arbeidsrechtbank werd overgelaten.

Werd ook toen al de klassenstrijd uitbesteed aan de juridische wereld?
Het Hof van Cassatie diende tweemaal op te treden in de lange juridische strijd, maar het oordeelde dat een staking op zich geen onrechtmatige daad kan zijn. De wetgever had immers via de omweg van de Wet Prestaties Algemeen Belang in Vredestijd het stakingsfenomeen erkend. In de conclusie van de advocaat-generaal werd ook afgerekend met de theorie van de typologie van de stakingen.(5) Terecht stelt prof W. Van Eeckhoutte dan ook dat politieke, professionele en solidariteitsstakingen nu op gelijke voet staan. (6)

Maar ook internationaal werd het stakingsrecht stilaan erkend, vooral in artikel 6. 4 van het Europees Sociaal Handvest, dat volgens de Nederlandse Hoge Raad directe werking heeft, wat betekent dat het onmiddellijk van toepassing is in de nationale rechtsorde. Dat Verdrag dateert reeds van 18 oktober 1961, maar werd pas door België geratificeerd bij wet van 11 juli 1990 (reden waarom het Hof van Cassatie het in de zaak Miel De Bruyne niet kon hanteren).
Staken is dus een arbeidsrecht !

Begeleidende omstandigheden als fout

Maar daarmee is de kous nog niet af.
Waar het Hof van Cassatie gezegd had dat staken op zich geen onrechtmatige daad was, gingen de tegenstanders van staking op zoek naar fouten in de begeleidende omstandigheden.

Ook de juridische techniek werd aangepast. Men zocht enerzijds naar foutmechanismen buiten het sociale, zodat men de arbeidsgerechten kon ontwijken, anderzijds riep men een uiterst dringende noodzakelijkheid in, zodat men rechterlijke uitspraken uitlokte op éénzijdig verzoekschrift en men zelfs het debat met de stakers niet diende aan te gaan. Opvallend is dat men argumenten zocht in een overdreven emotionalisering en dat men dikwijls terugviel op het denkkader dat men ook hanteerde bij de typologie van de stakingen. (7)

Het supersnelrecht van de eenzijdige verzoekschriften verschraalt het juridisch belang van de eruit voortvloeiende rechterlijke uitspraken, maar op het terrein zijn de gevolgen natuurlijk erg ingrijpend. Ondanks de kortgeding-benadering, heeft het Hof van Cassatie in het arrest Delhaize opnieuw de puntjes op de i gezet, door andermaal het belang van het stakingsrecht te onderlijnen. (8) De rechtspraak rond staking blijft dus schommelen in een dialectische spanning en alleszins zijn ook de niet-arbeidsrechters thans wat voorzichtiger om via zogenaamd foutieve begeleidende omstandigheden een staking te verhinderen.
De evolutie van het stakingsrecht volgt alleszins de sociale realiteit.

KLASSENSTRIJD VOOR DE RECHTBANK OF DE VRAAG VAN DE JURIDISERING

Dit historisch overzicht was bedoeld om te verduidelijken :
- hoe het arbeidsrecht aanvankelijk zijn wortels vond in het burgerlijke contractenrecht, waarbinnen een staking fout is wegens het niet naleven van de overeenkomst

- hoe wegens het belang van de sociale wereld binnen de maatschappelijke context de contractbreuktheorie onhoudbaar werd, maar anderzijds de wetgever omwille van de maatschappelijke krachtsverhoudingen niet in staat was om duidelijke rechtsregels te vinden

- hoe de rechtspraak binnen het contractenrecht nieuwe wegen zocht, eerst via de schorsingstheorie, dan via de impliciete erkenning van het stakingsfeit in een sociale noodwet.

- hoe het stakingsrecht uiteindelijk autonomie verwierf via het internationale verdragenrecht

- maar hoe men die autonomie opnieuw begon af te knabbelen via andere rechtstakken, zodat het verhaal wegens zijn gevoeligheid voor maatschappelijke krachtsverhoudingen nog wel niet ten einde zal zijn.

Het middenveld van werkgevers- en werknemersorganisaties en de spanning tussen strijd en overleg

In dit historische verhaal werd één begeleidende omstandigheid onderbelicht, met name het belang van een georganiseerde, maar ook geïnstitutionaliseerde patronaats- en arbeidersbeweging.

Het is een paradox dat enerzijds werkgevers in hun juridisch steekspel met éénzijdige verzoekschriften de uiterst dringende noodzakelijkheid soms zelfs verantwoorden omwille van het ontbreken van rechtspersoonlijkheid bij de vakbonden (werkgevers kennen zogenaamd hun tegenstrevers niet en kunnen geen juridische tegenpartij in hun gerechtelijk discours aanduiden); anderzijds participeren diezelfde werkgevers met diezelfde vakbonden in tal van sociale overheidsinstellingen en onderhandelen deze partijen ook voortdurend met mekaar over zowel professionele als interprofessionele aangelegenheden.

Dit ontstaan van het middenveld kreeg een flinke duw door het bovenvermelde Ontwerp van Sociale Solidariteit. Men zou de strijd zoveel mogelijk beperken via overleg en men zou zo samenwerken bij de heropbouw van het land. Hierdoor diende men het maatschappelijk systeem te aanvaarden en mekaar als partner te erkennen en in ruil hiervoor zou men via het arbeidsrecht individuele bescherming uitbouwen en via de sociale zekerheid zou men bestaanszekerheid garanderen.

Het elkaar aanvaarden als partner impliceerde echter dat werkgevers zich dienden neer te leggen bij de werkmiddelen van de vakorganisaties (waaronder het ontbreken van rechtspersoonlijkheid en het stakingswapen), net zoals de arbeiderswereld het werkgeversgezag (over de werknemer) en de economische vrijheid diende te accepteren.
Het naoorlogse sociaal pakt baadt dus in een spanning tussen strijd voor sociale identiteit en autonomie enerzijds en overleg en samenwerking anderzijds.
Is dit een contradictie of een dialectische spanning naar synthese ?

De vraag blijft open en wordt hierbij verwezen naar lieden die statuten, pamfletten en congresteksten schrijven. Maar het recht dient binnen die spanning (minstens voorlopige) antwoorden te geven. Het stakingsrecht zit in het oog van die conflictstorm.

Juridische uitbouw van het overleg

Toch werden binnen het sociaal recht vooral de overleginstrumenten uitgebouwd.
Binnen de grotere bedrijven zouden ondernemingsraden worden gekozen en de wet hiertoe van 20 september 1948 luistert naar de welluidende omschrijving : houdende organisatie van het bedrijfsleven. In 1952 volgden de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen ( sinds de welzijnswet van 4 augustus 1996 omgedoopt tot preventiecomités). Men strijdt over de (reële) bevoegdheden van deze organen, maar alleszins brengen ze de vakorganisaties op de werkvloer en zijn ze de veruitwendiging van de overlegidee binnen de onderneming.

De vakbondsafgevaardigde van zijn kant zou dan weer de strijdplaats binnen het bedrijf moeten innemen. Maar hij kreeg zijn juridisch statuut in de CAO nr. 5 van de Nationale Arbeidsraad van 24 mei 1971 en diende vrede te nemen met een mindere bescherming dan de verkozenen in de andere overlegorganen, reden waarom de verkozenen meestal de functie van vakbondsafgevaardigde cumuleren. Of hoe de vraag naar contradictie of dialectische spanning ook op de werkvloer zichtbaar wordt.

Het bouwwerk van het overlegsyndicalisme werd echter maar volledig door de wet van 5 december 1968 op de paritaire comités en de collectieve arbeidsovereenkomsten.
Er kwam een sectoriële organisatie door de paritaire comités, waarbinnen werkgevers- en werknemersvertegenwoordigers voor gans hun ressort CAO’s mochten afsluiten.

Maar ook deze collectieve arbeidsovereenkomsten kregen een juridisch kader. Ze primeren op de afspraken die werkgever en werknemer in hun individuele arbeidsovereenkomst hebben gemaakt. Het individuele liberale contractenrecht krijgt hier een ernstige knauw maar het is belangrijk dat men door overleg tot bindende afspraken tracht te komen. De regelgeving in deze CAO’s is uiteraard afdwingbaar, maar de vakbonden zonder rechtspersoonlijkheid verwierven de mogelijkheid om toch procedures te voeren bij niet naleving van deze CAO ’s.

Naast bindende (normatieve) regels voor individuele werkgevers en werknemers bevatten deze CAO’s echter ook afspraken tussen de (werkgevers- en werknemers-) organisaties die de CAO afsloten en hier zijn de zogenaamde beïnvloedingsplicht en sociale vredesclausules standaardvoorbeelden. In het juridische jargon noemt men deze afspraken obligatoir.De organisaties beloven hierbij dat ze al hun invloed zullen aanwenden om sociale conflicten te vermijden.

Overleg en staking

Zo belanden we terug bij het stakingsrecht, want deze clausules zijn geen resultaatsverbintenissen maar enkel inspanningsverplichtingen. Wanneer men in de jaren zeventig via een typologie van de stakingen getracht heeft een onderscheid te maken tussen toelaatbare en niet toelaatbare stakingen, heeft men het naleven van sociale vredesclausules dikwijls als criterium willen aanwenden. Zoals gezegd werd die denkwijze in het Miel De Bruyne-arrest verworpen. Mijns inziens terecht want anders zou het onderscheid tussen normatieve en obligatoire bepalingen van een CAO vervallen. (9)

Sociale bemiddelaars

Naast rechtstreekse onderhandelingen tussen de sociale partners, zowel in de bedrijven zelf als in de paritaire comités en de Nationale Arbeidsraad, heeft de overlegeconomie nog een ander belangrijk juridisch instrument, met name de sociale bemiddelaars. In uitvoering van de wet van 5 december 1968 op de paritaire comités en de collectieve arbeidsovereenkomsten werd bij het Ministerie van Arbeid en Tewerkstelling een Dienst van de Collectieve Arbeidsbetrekkingen opgericht. Die dient sociale geschillen te voorkomen via sociale bemiddelaars. In de praktijk zijn deze bemiddelaars voorzitters van de diverse paritaire comités, zodat ze erg nauw betrokken zijn bij het leven van de sectoren en rechtstreeks de totstandkoming van de CAO’s meemaken. Ingeval van sociaal conflict worden ze aangesteld om een oplossing of sociaal plan tot stand te brengen en ze hebben hierbij een grote vrijheid. Het resultaat (een oplossing voor het concrete conflict) primeert. Uiteraard dient nadien de gevonden oplossing juridisch correct vertaald te worden, doch hier is hun inbedding in de Dienst Collectieve Arbeidsbetrekkingen een extra waarborg.

Tenslotte werken de sociale partners permanent samen in tal van beheersorganen van diverse takken van de sociale zekerheid. Ik kan hier niet verder op ingaan, maar het is duidelijk dat door deze voortdurende samenwerking er een niet onbelangrijke osmose ontstaat, dikwijls ontstaat er zelfs een gemeenschappelijk belang. De sociale partners zijn dus de facto geïnstitutionaliseerd.

Strijdsyndicalisten juridisch in de kou

Binnen het juridisch kader werden dus heel wat instrumenten uitgebouwd om de overlegeconomie vorm te geven, terwijl de strijdsyndicalisten niet eens een wettelijke regeling van de staking konden afdwingen; de rechtspraak diende voor hen enkele bakens uit te zetten.
Verschil is natuurlijk dat de zogenaamde strijdsyndicalisten dit ook meestal zo gewild hebben, omdat het recht voor hen een klasseninstrument is en de rechtbanken tot de klassenjustitie behoren. Anders dan overlegsyndicalisten verwerpen strijdsyndicalisten het bestaande systeem.

Ook in het Miel De Bruyne-conflict kwam dit verschil tot uiting. In wat begonnen was als een spontaan conflict behaalde de vakbondsleiding geen akkoord, omdat het patronaat van de lastige délégué, die het conflict gestart had, af wou. Anderzijds kon de petroleumsector (en de hele economie) zich geen lange staking veroorloven. Er werd dan voorgesteld om de arbeidsrechtbank het ontslag van De Bruyne te laten beoordelen. Tijdens de procedure werd de delegé in dienst gehouden bij een nevenfirma. Aldus werd het gerecht uitdrukkelijk als scheidsrechter bij een arbeidsconflict aanvaard en dit voorstel lokte dan ook heel wat syndicale discussie uit; na stemming werd het nipt aanvaard. Alhoewel het Arbeidshof Brussel en het Hof van Cassatie de spontane staking aanvaardden en het ontslag dus niet onrechtmatig achtten, hadden vooraf zowel de Arbeidsrechtbank als het Arbeidshof in Antwerpen (10) een ander standpunt ingenomen en het bedrijf gelijk gegeven. Vakbondsleider Marcel Schoeters reageerde op deze negatieve uitspraken furieus. Hij was ook sociale rechter in de Antwerpse arbeidsrechtbank en weigerde nog langer te zetelen, met als argument dat hij niet meer met het klassengerecht wou meewerken. (Nochtans lag hij als onderhandelaar mee aan de basis van de oplossing waarbij de zaak werd gedelegeerd naar diezelfde rechtbank. ). De zet van Schoeters had echter een averechts effect, want hij werd binnen de rechtbank meestal vervangen door advocaten of plaatsvervangende rechters, die helemaal geen voeling met de arbeiderswereld hadden.

Het was natuurlijk fout om het al dan niet klassenkarakter van een rechtsinstantie te willen afleiden uit het al dan niet gunstig resultaat in één welbepaalde zaak, ook al is het dan nog een symbooldossier. (Eenzelfde denkfout werd recenter gemaakt naar aanleiding van het zogenaamde spaghetti-arrest).

Maar inderdaad, de integratie van de sociale partners in de maatschappelijke orde kan niet beter worden geïllustreerd dan door de oprichting van de arbeidsgerechten. Die zijn paritair samengesteld, zodat naast een beroepsmagistraat zowel een rechter uit het patronaat als uit de arbeiderswereld zetelen. Maar tegelijkertijd staan de arbeidsrechtbanken en arbeidshoven grotendeels autonoom ten aanzien van de rest van het gerechtelijk apparaat, ook al wenste de toenmalige Koninklijke Commissaris van de Gerechtelijke Hervorming, Charles Van Reepinghen, uitdrukkelijk een éénheidsrechtbank ( een idee die sinds Dutroux weer nieuw leven krijgt). Voormalig vakbondsvoorman en toenmalig Minister van Arbeid en Tewerkstelling wilde de arbeidsgerechten echter maar aanvaarden op voorwaarde dat ze niet binnen de gewone rechtbanken opgenomen werden, omdat ze binnen de syndicale wereld inderdaad als het ‘klassenrecht’ werden aangezien.

Juridisering en optreden van de rechters?

Blijft dan de vraag of de spanningen binnen de sociale wereld kunnen opgelost worden door juridisering ? Ik geloof hierin niet te zeer. Men moet enerzijds het gegeven van de spanning aanvaarden als inherent aan de belangentegenstelling die binnen de sociale en civiele maatschappij bestaat en anderzijds dient de jurist bescheiden te blijven, daar er naast de gerechtelijke oplossing tal van andere efficiënte(re) middelen zijn om sociale conflicten tot een oplossing te brengen.

Misschien is het wel zo dat de rechters gemakkelijker optreden bij stakingsconflicten. Maar ik heb hierboven uitgelegd dat die interventies steeds gevraagd worden door de werkgever in het kader van een éénzijdige procedure bij hoogdringendheid. De interventie wordt gevraagd omwille van zogenaamde begeleidende omstandigheden, zodat de eigenlijke stakingsproblematiek en de reden voor de staking nooit voorwerp van het geding zijn. Bovendien hebben de beslissingen slechts een marginale juridische waarde omwille van de kortgedingtechniek. Dergelijke ( betwistbare) juridische interventies leveren hoogstens een bijkomend wapen aan één ( en steeds dezelfde) conflictpartij, maar ze lossen het geschil niet op. Wanneer tegenwoordig de staking als recht wordt erkend en niet meer beschouwd wordt als een onrechtmatige daad, dan kan men zich overigens afvragen of deze rechterlijke interventies (door andere rechters dan de arbeidsrechters) met hun kritiek op bepaalde nevenaspecten niet raken aan het stakingsfeit zelf ; overigens wint deze kritiek veld sinds de uitspraak van het Hof van Cassatie in het Delhaize-arrest.

Wanneer dus de interventie van de rechter bij staking veleer precair is, dienen we vast te stellen dat in het collectief arbeidsrecht een heel instrumentarium uitgebouwd werd voor overleg. Het is meestal via die kanalen dat oplossingen worden bereikt en de staking is binnen het overlegsyndicalisme slechts een laatste wapen. Voor vele syndicale verantwoordelijken is een juridische procedure evenzeer dikwijls een laatste stap. Vakbonden hebben weliswaar juridische diensten, maar die maken deel uit van hun dienstenaanbod en zijn dan ook eerder gericht op individuele dan op collectieve conflicten.

Vakbonden trachten via collectieve arbeidsovereenkomsten en overlegstructuren tot oplossingen te komen. De staking wordt pragmatisch binnen deze overlegstructuur ingepast.

Strijdsyndicalisten hebben ofwel een doelstelling buiten het conflict, ofwel willen ze via staking een conflict oplossen, maar belanden ze mee aan dezelfde onderhandelingstafel of (heel soms) in dezelfde rechtszaal als hun overlegcollega’s, zoals Marcel Schoeters mocht ondervinden.

Bemiddeling!

Toch doet zich een merkwaardig verschijnsel voor.
Mijn verhaal leert dat men in het sociaal recht reeds jaren naar oplossingen zoekt via de technieken van de alternatieve conflictoplossing, terwijl dit fenomeen in de andere rechtstakken slechts zeer recent zijn intrede deed.

Vooral de bemiddeling wekt hier de aandacht. Vele conflictpartijen ondervinden de nadelen van een juridische procedure en gaan zelf met professionele hulp op zoek naar een eigen oplossing volgens eigen criteria, waarbij de tegengestelde belangen misschien niet worden geapprecieerd, maar wel gerespecteerd. Aanvankelijk gezien als oplossing voor familiale conflicten, deint bemiddeling uit naar commerciële en andere conflicten.
In het sociaal recht kent men de bemiddeling reeds lang en werd er zelfs een juridisch kader gemaakt om tot oplossingen te komen (Dienst Collectieve Arbeidsbetrekkingen en de sociale bemiddelaars).

Waar in andere rechtstakken men tot bemiddeling komt, omdat men de beperkingen van een juridische oplossing vaststelt, begint men in het collectief arbeidsrecht met bemiddeling en zal men eventueel nadien aan de arbeidsgerechten een juridische oplossing vragen.

In het internationaal recht daarentegen heeft men via de diplomatie dikwijls enkel bemiddelingsorganen, terwijl de structuur van een juridisch beslissingsorgaan meestal ontbreekt. Omdat de machtsfactor hier nog sterker speelt dan in de sociale sector, werkt men dan ook meestal aan ad hoc oplossingen, terwijl de normen meestal weinig afdwingbaar zijn en blijven steken in beginsel- of intentieverklaringen.

BESLUIT

Zonder juridisering zou er natuurlijk geen sociaal recht bestaan.
Maar dit sociaal recht is in eerste instantie het resultaat van overleg tussen partners met een tegengesteld belang ( werkgevers en werknemers). Deze overlegde normen worden juridisch verankerd in collectieve arbeidsovereenkomsten. Meestal zal de wetgever dikwijls slechts een sociale wet uitvaardigen, nadat de regeling reeds jaren uitgeprobeerd is in de sectoren en opgelegd werd via CAO’s. (cfr. de vermindering van de arbeidsduur).
Ook het omgekeerde gebeurt. De wetgever schept een kader, dat via CAO of individuele overeenkomst verder wordt ingevuld (cfr. brugpensioen). Bepaalde meer precaire maatregelen worden toegestaan, mits de sociale partners via overleg (cfr. de plannen in verband met werknemersparticipatie) of medebeheer (sociale zekerheid) de sleutels mee in handen houden. Dit systeem dient conflictontradend te werken en doet dit ook grotendeels.

Juridische conflicten voor de rechtbank hebben dan ook meestal betrekking op de toetsing of toepassing van bovenvermelde onderhandelde oplossingen.
Binnen dit geheel is staking hoe langer hoe meer een ultimum remedium geworden. Staking resulteert dan gewoonlijk opnieuw in overleg.

De rechtspraak spreekt zich dan ook nog zelden uit over stakingsconflicten. Onder druk van de sociale realiteit en het internationale verdragenrecht evolueerde de staking van onrechtmatige daad naar recht. Een staking doet pijn en heeft ook die bedoeling. Niettemin trachten werkgevers en derden via andere rechtstakken dan het sociaal recht een juridische interventie bij staking uit te lokken, ook al wordt het beginprobleem hierdoor geenszins opgelost, veeleer verder geproblematiseerd.

Lieven Lenaerts is advocaat aan de Antwerpse balie

NOTEN

(1) P. HUMBLET, Sociale grondrechten : veel meer dan een kwestie van rhetoriek, in Juristenkrant, 2000/9, p. 11 en mijn antwoord hierop Wordt klassenstrijd uitbesteed aan advocatuur, in Juristenkrant, 2000/11,p. 3

(2) Cas. 23 november 1967, Pas, I, 933 ; J. T. , 1968, 41 ; R. C. J. B. , 1968, 401, met noot Magrez ; T. S. R. , 1967, 351, met noot Magrez.

(3) Arb. Charleroi, 24 december 1973, T. S. R. 1974, 355
Arb. H. Brussel, 5 februari 1973, J. T. 1973, 125

(4) PIRON J en DENIS P, Le droit des relations collectives du travail en Belgique, Larcier, Brussel, 1970, 111 e. v.

(5) Cas 21 december 1981, Arr. Cas. 1981-82, 541 ; Pas 1982, I, 531 ; Soc. Kron. 1982, 157 ; J. T. T. 1982, 329 en R. W. 1981-82, 2525 met conclusie adv-gen H. LENAERTS en noot M. RIGAUX

(6) W. VAN EECKHOUTTE, Sociaal Compendium, 1995, 922, nr. 4308

(7) P. HUMBLET, Kortgeding en collectief conflict Diabolische procedure of laatste redmiddel tegen syndicaal hooliganisme, in X, De norm achter de regel,137-160

(8) Cas 31 januari 1997, Soc. Kron. 1998, 23 met noot Humblet ; T. R. D. &I, 1997/6, 39 ; T. B. H. 1997, 367 ; met concl adv-gen X. DE RIEMAECKER ;. R. W. 1997-98, 605 met conclusie ; Bull 1997, 148 ; Arr. Cas. 1997, 140 met conclusie.

(9) In de rand moet hier worden opgemerkt dat in de Miel De Bruyne-zaak de zaak juridisch nog wat ingewikkelder lag, omdat het daar een C. A. O. van voor de C. A. O. -wet van 5 december 1968 betrof

(10)Arb. H. Antwerpen, 12 februari 1979, R. W. 1978-79, 1916

Voor een juridisch technisch meer uitgewerkte bijdrage:
M. Rigaux, Collectieve arbeidsconflicten, C. A. D. III-15
Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift