Syrië: Angst regeert

Syrië is een Arabisch broederland van Irak, de politieke schoonmoeder van Libanon en de gezworen vijand van Israël. Een sleutelspeler in een instabiele regio waar weinig van geweten is. Soaade Messoudi woonde enkele maanden in Damascus. Ze sprak er met mensen die niet durven spreken en onderzocht de thema’s die niet onderzocht mogen worden.
Damascus by night. De stad baadt in het groene licht van haar talrijke minaretten. Na de hitte en de soms overweldigende drukte overdag, zorgt de koelte van de avond en het adembenemende uitzicht van op de berg Qassioun voor een welkome verfrissing. Zelfs de profeet Mohamed was zwaar onder de indruk van dit uitzicht, zo wil het het lokale volksgeloof. De gezellige drukte op de Qassioun toont de vitaliteit van Damascus, al woekert onder de oppervlakte meer dan ooit de angst. Sinds de moord op Rafik Al Hariri in Libanon is ook het regime van de Baath-partij niet langer zeker van zijn voortbestaan. De schaduw van de toekomst hangt zowel over de keuvelende mannen en vrouwen als over de luistervinkende “stillen”.

Minderheden aan de macht


‘We zijn bang. Bang voor de toekomst’, zegt George met zijn zware snor, die als een vlinder voor zijn altijd breedlachende gezicht hangt. Hij doet zijn bekentenis in de beslotenheid van de binnenplaats van zijn prachtige Arabische huis in Bab Touma, de christelijke wijk in de oude binnenstad van Damascus.
Toen we even voordien in een gezellig cafeetje in het hart van de christelijke wijk zaten, konden waterpijp noch drank hem aan de praat krijgen. ‘Ik spreek nooit over politiek buiten de vier muren van mijn huis’, vervolgt George. ‘De mukhabarat (de geheime diensten, sm) zijn overal. Ik neem liever geen risico’s. In Syrië kan je -net als in de meest Arabische landen overigens- niemand vertrouwen.’ Met een hoofdgebaar naar zijn altijd openstaande voordeur: ‘Mijn overbuur is trouwens een spion van de mukhabarat en bovendien is hij een aleviet (een in oorsprong sjiitische stroming binnen de islam, sm). Dus als hij je ooit aanspreekt, let dan op je tellen.’

George is een katholieke christen. Ongeveer tien procent van de Syrische bevolking is christen, de rest is moslim. Binnen die islamitische meerderheid is er een grote diversiteit: driekwart is soenniet, de rest bestaat uit alevieten, sjiieten, druzen, ismaëlieten en yazedies. Daarnaast is er nog een zeer kleine joodse gemeenschap, die voornamelijk in Damascus, Aleppo en Al Kamishle woont.
Bovenop de religieuze diversiteit, is er de etnische verscheidenheid: de Arabische meerderheid deelt de natie met Koerdische en Armeense minderheden en met meer dan 400.000 Palestijnse vluchtelingen. De enorme bazaar van etnische en religieuze geuren en kleuren wordt zorgvuldig onder controle gehouden door het Baathistisch regime dat seculier en Arabisch is.
‘De meeste christenen staan aan de kant van de alawieten, die aan de macht zijn’, zegt George nog. ‘Zij geloven dat een minderheid aan de macht ook de andere minderheden in dit land zal beschermen. Zo lang de alawieten aan de macht zijn, voelen wij ons veilig. God weet wat ons te wachten staat als dit regime moet verdwijnen.’
George is een van de weinige mensen die ik in Syrië ontmoet die luidop uiting geeft aan zijn angst voor mogelijke conflicten tussen gemeenschappen. Dat thema is immers volledig taboe in Syrië. Zelfs prominente leden van de oppositie hebben het liever niet over een mogelijk Libanees of Iraaks scenario indien het éénpartijregime van Assad verdwijnt. Zowel in formele interviews als in spontane straatbabbels wordt dezelfde mantra herhaald: Syrië is Libanon niet. Hier leven de verschillende gemeenschappen in vrede met elkaar. Hier staat je religie niet op je identiteitskaart.

Noodtoestand sinds 1963


‘Er zijn twee taboes in de Syrische politiek’, zegt Michel Kilo, auteur en prominent lid van de Syrische oppositiebeweging. ‘Het eerste taboe is de problematiek van de verschillende gemeenschappen en het tweede is kritiek op de president. In de Syrische grondwet staat letterlijk dat elke uitspraak die de eenheid van het land in gevaar brengt strafbaar is. Bovendien is sinds 9 maart 1963 Decreet 51 van kracht, waarmee de noodtoestand uitgeroepen werd omwille van de permanente militaire dreiging van Israël.
In werkelijkheid is Decreet 51 een stok die het regime permanent achter de deur houdt om elke vorm van binnenlandse oppositie de kop in te drukken.’
De hoop op verandering was groot toen Bashar Al Assad in juli 2000, na de dood van zijn vader Hafez Al Assad, aan de macht kwam. In de eerste maanden na die opvolging ontstond een bloeiende Harakat Al-Mujtama’a Al Madani -de beweging van de civiele samenleving. Het enthousiasme en de dynamiek van die beweging was zo aanstekelijk dat er sprake was van de Lente van Damascus.
Intellectuelen en activisten vroegen openlijk om grondige hervormingen en legden een expliciet verband tussen de economische crisis waarin Syrië zich bevindt en de afwezigheid van een rechtsstaat, democratie en mensenrechten. Maar het was vlug gedaan met de euforie. Michel Kilo: ‘Ze hebben ons een aantal maanden onze gang laten gaan, om ons dan met bruut geweld terug te slaan naar de dictatoriale realiteit van dit land. We werden er, zoals gebruikelijk, van beschuldigd pionnen te zijn van de VS en Israël.’

Hama: in het hol van de leeuw


Hama ligt op zo’n twee uur rijden van Damascus. De stad is vooral bekend om haar noria’s -enorme houten watermolens- en vormt een goede uitvalsbasis voor toeristen die de versterkte burchten van kruisvaarders in de omgeving willen bezoeken, zoals de Krak des Chevaliers of het fort van Saladin. De Orontes stroomt door het centrum van de stad en maakt Hama opvallend gezellig en groen. Maar het is ook hier dat in augustus vijf militanten van Het Leger van de Levant (Jund a Cham) om het leven kwamen bij een botsing met de Syrische ordediensten.
Er lopen in Hama veel meer volledig in het zwart gesluierde vrouwen rond dan elders in Syrië. En heel wat mannen dragen een lichtgrijze of donkere thob (een lang Arabisch kleed) en een witte hoofddoek waarvan de punten langs beide kanten van het hoofd loshangen. Ook al is Hama een kleurrijk allegaartje van religieuze en etnische verscheidenheid, toch kan je er niet omheen: het gezicht van Hama wordt bepaald door de militante islam. En het geheugen van de stad wordt beheerst door één datum: 1982.
Elke Syriër weet wat hier 23 jaar geleden gebeurd is, maar wanneer ik het op de man af vraag aan Omar, kijkt hij benauwd weg en fluistert bijna: ‘You’re welcome, you’re welcome…’, ook al zijn we maar met z’n tweeën in de auto.
Dat grote stilzwijgen is gelukkig niet besteed aan Dr. Faisal Rukabi, een oude activist en voormalig Baathist, en zijn goede vriend Munir Bitar. Misschien heeft die moed te maken met hun leeftijd of hun ervaring: beide mannen werden in 1968 ter dood veroordeeld omwille van hun politieke activisme. Dokter Rukabi vluchtte naar Zwitserland en Munir Bitar naar Koeweit.
‘Hama is een trotse stad. Een stad met geschiedenis’, vertelt Dr Rukabi. ‘Hama heeft een doorslaggevende rol gespeeld tijdens de onafhankelijkheidsstrijd tegen de Fransen. Als er iets beweegt of verandert in de samenleving, dan begint het altijd hier. Hama is de indicator voor wat er leeft in dit land.’ Munir Bitar neemt de draad over van Dr. Rukabi: ‘In februari en maart 1982 werd deze stad drie weken lang het toneel van een vurige opstand onder leiding van de Moslimbroeders tegen het dictatoriale éénpartijregime van Hafez Al Assad. De Baathisten hadden zich sinds de militaire coup van 8 maart 1963 immens onpopulair gemaakt, door de politieke vrijheden drastisch in te perken en een campagne te lanceren tegen de islam en voor atheïsme.
Bovendien werd de macht geconcentreerd in de handen van de alawietische minderheid en het leger, waardoor de soennitische meerderheid volledig gemarginaliseerd werd. Het grootste verzet tegen de Baathisten kwam bijgevolg van islamitische politieke groeperingen, in het bijzonder van de Syrische tak van de Moslimbroeders. Tussen 1964 en 1973 werden er in de grote steden van het land stakingen en massabetogingen gehouden, maar die werden brutaal onderdrukt door het leger. Met de interventie van Syrië in Libanon aan de zijde van de maronieten in 1976, was het hek echter van de dam.
Regeringsleden, militairen en alawieten werden toen het doelwit van de Moslimbroeders. Terroristische aanslagen, gevolgd door wraakacties van het regime, waren tot die bewuste maanden in 1982 dagelijkse kost in Syrië. De overheid schreef deze aanslagen enkel toe aan de Moslimbroeders, maar de waarheid is dat het gewapend verzet massale steun begon te krijgen onder de bevolking, vooral in arme wijken, en dat ook andere religieuze en seculiere groeperingen het verzet tegen dit ondemocratisch regime leidden.
Alle middelen werden ingezet om deze nationale opstand in de kiem te smoren en het regime besloot om Hama zwaar te straffen en het als voorbeeld te stellen. Tienduizenden troepen, tanks en helikopters werden ingezet. Alles werd platgebombardeerd. Er vielen tienduizenden doden. Van de historische stad en de Grote Moskee blijft er nu niets meer over.’

Een doodsvonnis is gauw getekend


Haitham Maleh woont in Halbouni, één van de oudste wijken van Damascus. Eenmaal buiten de drukke winkelstraat vol boekenwinkels en uitgeverijen, is de wijk een oase van rust. Er hangt een heerlijke geur van jasmijnbomen. De meeste oude huizen hebben een fraaie binnentuin. Het duurt even voor ik huisnummer 14 vind. Als ik binnengelaten word, blijkt Maleh, advocaat en mensenrechtenactivist, mij op te wachten met een doos bonbons. Er zijn nog activisten met stijl.
‘Sinds 7 juli 1980 is er in Syrië een wet die lidmaatschap van de Moslimbroederschap met de dood bestraft’, zegt Haitham Maleh. Het probleem is dat zowel deze wet als Decreet 51, waarmee in 1963 de noodtoestand werd ingevoerd, door het regime gebruikt worden tegen de bevolking. Iedereen die oppositie voert, actief is of gewoon zijn mening uit, kan aangehouden worden op basis van dit decreet of valselijk beschuldigd worden van lidmaatschap van de Moslimbroeders. Ik verdedig momenteel tientallen mensen die hiermee te maken hebben.’
De tragedie van Hama betekende volgens sommigen het einde van de Moslimbroederschap en van de militante islam als politieke kracht in Syrië. Maar niet iedereen is daarvan overtuigd. ‘Ik weet zeker dat de soennitische meerderheid haar kans zal grijpen om wraak te nemen zodra dit regime verdwijnt’, stelt George. ‘En dan zullen de alawieten, de christenen en andere kleine religieuze sekten daarvoor moeten boeten.’
Het kopstuk van de Syrische tak van de Moslimbroederschap, Ali Sadredin Alabianouni, leeft momenteel in ballingschap in Londen. In mei 2001, aangemoedigd door het vrijere politieke klimaat onder Bashar Al Assad en de Lente van Damascus, publiceerde de Moslimbroederschap in Londen een verklaring waarin het elke vorm van politiek geweld verwierp en Syrië opriep voor het verwezenlijken van een moderne, democratische staat.

Corruptie, armoede en werkloosheid


Aan de autostrade van Mezze, in een trendy koffiehuis niet ver van de faculteit Letteren, ontmoet ik Ibrahim Hamidi. Hamidi is een jonge journalist die in Damascus bureauchef is van Al Hayat , een Arabische krant die haar hoofdkantoor in Londen heeft. ‘De Lente van Damascus had veel weg van de volksbewegingen die in de voormalige Oostbloklanden opkwamen in de laatste maanden voor de val van het communisme’, vertelt hij. ‘In September 2001 hebben wij in onze krant Al Hayat een verklaring gepubliceerd die ondertekend was door 99 Syrische intellectuelen, artiesten en professionelen.
Daarin vroegen de ondertekenaars de afschaffing van de noodtoestand, de instelling van een rechtsstaat die politiek en intellectueel pluralisme, de vrijheid van vergadering, van meningsuiting en van de pers zou erkennen, en het afschaffen van wetten die het openbare leven beperken.’ Die verklaring werd door het regime en de Syrische staatsmedia simpelweg genegeerd. Ibrahim Hamidi is duidelijk: ‘De oppositie vormt geen echte bedreiging voor het regime, ze is gewoon te zwak. Bovendien gaat het vaak om oudere activisten die weinig of geen affiniteit hebben met de jongeren en dus ook weinig aanhang hebben bij deze toch belangrijke bevolkingsgroep.
De jonge Syriërs zijn opvallend a-politiek. Mensenrechten en vrijheid van meningsuiting zijn geen thema’s die hen bezighouden. Ze hebben nooit iets anders gekend dan dit autoritaire regime en ze hebben er mee leren leven. Onze jongeren zijn vooral bekommerd om de economische crisis, de werkloosheid, de corruptie en die vreselijke bureaucratie die het hele land lamlegt.’ De corruptie en het favoritisme -op basis van familie, tribale verbanden, regio of religie- is doorgedrongen in alle lagen van het overheidsapparaat en wordt door het regime gebruikt als een controlemiddel.
Tachtig procent van de overheidsambtenaren verdient tussen veertig en honderdvijftig dollar per maand. Dat is niet genoeg om rond te komen en daarom hebben ze haast allemaal een tweede job in de avonduren. ‘In overheidsgebouwen tref je vaak opschriften aan die corruptie uitdrukkelijk verbieden, maar dat is louter een cynische oefening, net als alle sterk gemediatiseerde anti-corruptiecampagnes’, zegt Hamidi. ‘Het invoeren van een economische hervorming is de belangrijkste uitdaging in dit land, want de situatie wordt alsmaar explosiever. Elk jaar komen er niet minder dan 200.000 tot 250.000 nieuwe jobzoekers bij op de arbeidsmarkt.
Het officiële werkloosheidscijfer is 11,2 procent, maar in realiteit is wellicht 25 tot 30 procent van de actieve bevolking werkloos.’ Aan de basis van de economische crisis liggen de socialistische staatsideologie en het wanbeleid van de Baath partij. Het regime heeft dat sinds enkele jaren begrepen, maar wil de Syrische markt maar geleidelijk aan openen. Uit voorzichtigheid volgens sommigen, uit eigenbelang volgens anderen.

Iedereen veegt voor zijn eigen deur


Sayida Zeinab Al Husseini ligt ongeveer op tien kilometer van het centrum van Damascus. Hier zou de kleindochter van de profeet Mohamed overleden zijn. Met Iraans geld werd op die plek een prachtige moskee gebouwd, die nu druk bezocht wordt door sjiitische pelgrims. Een eindje van al die drukte woont Ahmed met zijn gezin, in een wijk die vooral bevolkt wordt door Palestijnen.
Niet ver van zijn huis hangt er een groot portret van wijlen Sjeik Ahmed Yassin, de aan zijn rolstoel gekluisterde leider van Hamas die door Israël om het leven werd gebracht. In bijna elke straat hangen er ook affiches met Yassins opvolger Rantissi, die intussen ook door dezelfde Israëlische diensten werd “uitgeschakeld”. Maar Ahmed is geen Palestijn, hij is een Koerd.
Hij heeft bij de familie Arass een ontmoeting georganiseerd met een zestal Koerdische studenten en pas afgestudeerden. De woonkamer is schaars gemeubileerd met tapijten op de grond, enkele kussens, een tv en een kapstok. Aan de muur hangt een foto van Masoud Barzani, de Koerdische leider die in Irak vermoord werd door Saddam Hoessein. Aan een dubbele glazen deur hangt een verkleurde magazinefoto van de bekende Koerdische zanger Shivan Perwer en zijn vrouw Gulistan.
De moeder van Arass, een mondige vrouw, heeft zich voor de gelegenheid in de typische Koerdische klederdracht gestoken. Arass’ oude vader zit er stil en vermoeid bij. ‘Mijn vader is te moe en te oud om nog veel commentaar te geven’, verontschuldigt Arass zich. ‘Hij is 72 jaar en moet samen met mij nog steeds werken opdat ons gezin zou rondkomen en mijn zus en broer kunnen blijven studeren. Hij sjouwt elke dag stenen in een steengroeve en dat voor 150 dollar per maand. Elke nacht kreunt hij van de pijn.’
De hele namiddag vertellen de jongeren over sociaal onrecht, discriminatie en uitsluiting. Sommigen hebben de avond voordien hun gedachten al op papier gezet, omdat ze weten dat een halve dag niet volstaat om alle onrecht te bevatten. Het is overduidelijk dat heel wat Koerden in Syrië moed gekregen hebben door de geprivilegieerde situatie waarin de Koerden in Irak zich momenteel bevinden en door het feit dat ook in Turkije de Koerden, dankzij de druk van Europa, meer rechten aan het verwerven zijn.
‘Palestijnse vluchtelingen en Armeniërs hebben in dit land meer rechten dan wij ‘, klaagt Marwan. ‘De Armeniërs hebben zelfs eigen scholen en dezelfde culturele rechten als de Arabieren. Waarom wij niet? Ze proberen niet alleen onze taal en cultuur te vernietigen, wat ze vooral proberen is de geschiedenis te vervalsen door de Koerdische namen van traditioneel door Koerden bewoonde gebieden te vervangen door Arabische namen. Damascus verplicht ons onze regio’s te verlaten en plaats te ruimen voor Arabieren. Ze doen er alles aan opdat onze contreien niet homogeen Koerdisch blijven.’

Gejaagd door de mukhabarat


In Syrië leven niet minder dan 1,5 miljoen Koerden. Daarmee zijn ze de grootste etnische minderheid in het land. Officiële instanties schatten dat zo’n 150.000 Koerden geen identiteitskaart, waardoor ze staatloos zijn. Dat cijfer wordt algemeen gezien als een onderschatting. Koerdische organisaties beweren dat het over 300.000 staatlozen gaat. Wellicht ligt de waarheid rond de 200.000. Al die mensen kunnen geen eigendom bezitten, ze kunnen het land niet verlaten en geen onderwijs volgen. Officieel gezien bestaan ze dus amper.
Midden april 2005 deed het nieuws de ronde dat overheidsagenten van deur tot deur gingen in de noordelijke provincie Hassake, die grenst aan Irak en Turkije, om te tellen hoeveel Koerden er zijn zonder identiteitskaart. Niet toevallig gebeurt dit juist op een moment dat Syrië onder zware druk staat van de internationale gemeenschap.
In maart 2004 kwamen de Koerden van Kamishle massaal in opstand. De aanleiding was al even indrukwekkend als de opvoering van de Stomme van Portici. Tijdens een voetbalwedstrijd raakten de supporters van de lokale voetbalploeg en die van Deir-a-Zur slaags. Die van Deir-a-Zur zouden slogans tegen de Koerden en voor Saddam Hoessein hebben geroepen en de Koerden met stenen bekogeld hebben.
De illegale, maar goed georganiseerde Koerdische partijen organiseerden daarop in het hele land een reeks betogingen om te protesteren tegen het brutale optreden van de politie en hun partijdigheid. Daarbij vielen verschillende doden. Een jaar na de evenementen van Kamishle, de benoeming van de Koerd Talabani tot president van Irak en het succes van de Iraakse Koerdische Alliantie in Irak, begint het er echter steeds meer op te lijken dat de Syrische overheid werk wil maken van een pragmatische politieke oplossing voor het Koerdisch probleem. Uiteraard uitsluitend “binnen een Syrische context”.
Hoe beperkt die politieke verandering nog is, blijkt als ik Kamishle bezoek. Zodra ik het kleine luchthavengebouw uit wandel, staat de inlichtingendienst paraat. Omar, een Koerd die mij komt ophalen, wordt bij de arm genomen en op een afstand ondervraagd door iemand van de geheime dienst. Zijn gsm-nummer wordt genoteerd. De hele dag worden we gevolgd door de mukhabarat.
We moeten ons aanmelden in het politiekantoor van elk dorp dat we aandoen: van Malkyer (Dirik voor de Koerden) over Ain Al Khadra (Banakasri voor de Koerden) tot in Ain Diwar. Voor onze ‘persoonlijke veiligheid’, zegt de veiligheidsagent die ons begeleidt naar Ain Diwar op de grens met Turkije en Irak. Ik vrees voor de Koerden die, ondanks de agressieve houding van de veiligheidsagenten, toch besloten hebben om met mij mee te komen. Later verneem ik dat die angst gegrond was. De volgende dag werden Omar en zijn vrienden thuis opgepakt en een dag lang ondervraagd. Een van hen moest zich een week later melden bij de mukhabarat in Damascus voor een grondige ondervraging.

Een onzekere toekomst


De enorme internationale druk op Syrië en het besef dat het regime geïsoleerd staat, zorgt voor uiterste zenuwachtigheid in Damascus. Activisten, intellectuelen en leden van de oppositie worden nauwgezet in het oog gehouden en elke vergadering of bijeenkomst wordt uit elkaar gedreven. De Syriërs wachten met een bang hart op het rapport van Detlev Mehlis en wat daarop zal volgen. Voor sommigen is de suspens zelfs te groot en ondraaglijk geworden.
Intissar is alawiet en kijkt met bange ogen voortdurend schichtig om zich heen. ‘Het zijn moeilijke tijden voor ons’, vertelt ze. ‘Niet alle alawieten steunen het regime van de Assads, maar als het ooit verdwijnt dan ben ik er vast van overtuigd dat wij, alawieten, een hoge prijs zullen betalen.’ Anderen zijn er rotsvast van overtuigd dat Syrië niet zal desintegreren zoals Libanon of Irak. ‘Ons land is als een tuin met talrijke soorten bloemen van verschillende geuren en kleuren. Het is juist die verscheidenheid en rijkdom die ons uniek maakt en sterk. Ik ben er van overtuigd dat de meeste Syriers daar ook zo over denken’, zegt Munir Bitar.
Dat klinkt mooi, maar het klopt niet met de recente terroristische acties van het Leger van de Levant. Wordt het land werkelijk bedreigd door islamistische militanten of heeft het regime gewoon besloten om haar terrorisme- en veiligheidskaart uit te spelen? Geen mens kan met zekerheid op die vraag antwoorden. Ook het nieuws over gewelddadigheden tussen moslims en christenen tijdens het Feest van het Kruis, dat jaarlijks op 13 september plaatsvindt in het Arameese dorpje Maalula, voorspelt niet veel goeds voor de toekomst. Intussen vreest Washington dat het terrorisme vanuit Syrië Irak binnensijpelt. De realiteit zou wel eens omgekeerd kunnen zijn.
Reageer op dit artikel

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

randomness