Taalkennis: sleutel of slot?

Europese landen leggen bij hun integratiebeleid steeds meer de nadruk op taalkennis en culturele inschakeling. Ook België zit mee in die ontwikkeling, al bestaan er grote verschillen tussen het beleid in Vlaanderen en Franstalig België.
Jong geleerd is oud gedaan. Dat lijkt de redenering achter de maatregel van de Vlaamse overheid die voldoende kennis van het Nederlands tot voorwaarde maakt om van de derde kleuterklas over te mogen gaan naar het eerste leerjaar. De taaltest moet worden afgelegd door kleuters die minder dan 220 halve dagen naar een Nederlandstalige derde kleuterklas zijn gegaan –zowat 1500 kinderen in totaal. 
Machteld Verhelst van het Centrum voor Taal en Onderwijs (KU Leuven) gelooft dat schooltaalvaardigheid een sleutel is tot onderwijssucces, maar weet niet zeker of een eenmalige taaltest bij jonge kinderen wel de beste manier is om die vaardigheid te meten. Bovendien denkt ze dat een gerichte ondersteuning van laagtaalvaardige kleuters in het eerste leerjaar veel meer zou opleveren dan een jaartje zittenblijven. Ook Jos Cré, verantwoordelijke van het gelijke onderwijskansenbeleid en kansenbevordering bij de koepel van de Vrije Centra voor Leerlingenbegeleiding, wijst er op dat de nieuwe aanpak geen enkele garantie biedt op verbeterde taalvaardigheid van nieuwkomers.
Vlaanderen heeft een obsessie met taal, hoor je wel eens, maar de Vlaamse Gemeenschap staat niet alleen met de overtuiging dat de kennis van de landstaal een van de cruciale voorwaarden is om migratie tot een succesverhaal te maken voor migranten én onthaalgemeenschap. Dat blijkt uit een onderzoek van Piet Van Avermaet, directeur van het Steunpunt Diversiteit en Leren aan de Universiteit Gent. In opdracht van de Raad van Europa onderzocht Van Avermaet op welke manier taal een rol speelt in het integratiebeleid van de 47 lidstaten van de raad.

Het einde van de multiculturele aanpak


‘Steeds meer landen koppelen taalvoorwaarden aan de binnenkomst van migranten, de toekenning van een permanente verblijfsvergunning en de nationaliteitsverwerving’, zegt Van Avermaet. Van de 31 onderzochte landen en regio’s zijn er 23 die taalvoorwaarden opleggen in hun integratiebeleid, terwijl slechts acht dat niet doen. Opvallend is ook de toename van het aantal landen dat taalvoorwaarden stelt vóór mensen het land binnenkomen. Van Avermaet: ‘In 2007 waren er vier landen met zo’n beleid, eind 2009 waren dat er zes (Nederland, Frankrijk, Duitsland, Liechtenstein, Luxemburg en Finland) en in 2010 voeren ook Groot-Brittannië en Denemarken zo’n beleid in.’
Kennis van de taal verleent migranten een sleutel tot de nieuwe wereld waarin ze terechtkomen, is de redenering. Kersvers burgemeester van Amsterdam, Eberhard Van der Laan, zei daarover: ‘Inburgering is een geschenk voor nieuwkomers’, een zinnetje dat goedkeurend overgenomen werd door de N-VA in haar publicaties. De Nederlandse Wet inburgering in het buitenland eist van kandidaat-migranten dat ze in hun land van herkomst een taaltest Nederlands afleggen. Slagen ze niet, dan komen ze niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning in Nederland.
Naar aanleiding van de federale regularisatiecampagne in het najaar van 2009 verkondigde Vlaams minister van Integratie Geert Bourgeois (N-VA) dat hij de inburgeringsvoorwaarden zou willen aanscherpen, onder andere door nieuwkomers een test te laten afleggen over hun kennis van taal en samenleving. Inburgering koppelen aan een verblijfsvergunning, zoals in Nederland het geval is, kan Bourgeois niet meteen realiseren omdat het migratie- en asielbeleid federale materie zijn.
Op basis van zijn onderzoek concludeert Van Avermaet dat het multiculturele denken ingeruild wordt voor een beleid op basis van assimilatie: ‘Het keerpunt kan je situeren rond de eeuwwisseling. Op dat ogenblik ontstond er een gevoel dat het multiculturele integratiebeleid mislukt was. 9/11 heeft daarin ongetwijfeld een grote rol gespeeld. Ook de rassenrellen in Groot-Brittannië, de problemen in de banlieues van Parijs en de moord op Theo Van Gogh in Nederland hebben daartoe bijgedragen.
Sindsdien is het politieke discours rond integratie veranderd. Problemen in de samenleving worden nu vaker in etnische termen geïnterpreteerd en uitgelegd. En dan kom je al snel bij taal terecht.’ De toename van het aantal landen dat taalvoorwaarden verbindt aan immigranten lijkt volgens hem ook een uiting van een toegenomen wens om migratie te controleren.

‘Rond de eeuwwisseling ontstond een gevoel dat het multiculturele integratiebeleid mislukt was.’
Interventionisme versus laisser faire


In België beslissen Vlaanderen, Wallonië en de Franstalige Gemeenschapscommissie van Brussel autonoom welk integratiebeleid ze voeren. In 2003 koos het Vlaams Parlement met het inburgeringsdecreet duidelijk voor een beleid waarin de kennis van het Nederlands en van de Vlaamse en Belgische samenleving centraal staat, omdat die kennis de kansen op sociaal-economische integratie zou verhogen. Het recht op inburgering in de samenleving brengt voor de nieuwkomer ook de plicht mee om actief aan die samenleving deel te nemen, volgens het principe van de actieve welvaartstaat: voor wat hoort wat.
Ook in Franstalig Brussel en Wallonië zijn er heel wat vzw’s die taallessen geven, maar die lessen worden niet door de betreffende overheden opgelegd. ‘Wat op de agenda staat in Franstalig Brussel en in mindere mate in Wallonië, is een grotere structurering van dat aanbod. Maar een verplichting is voorlopig niet aan de orde’, zegt Ilke Adam van het Institute of European Studies (IES, Vrije Universiteit Brussel).
Volgens Adam verschillen het Vlaamse integratiebeleid en dat aan Franstalige zijde nogal sterk wat de culturele dimensie van integratie betreft: ‘Terwijl het Vlaamse beleid beschouwd kan worden als interventionistisch, kun je de aanpak in Wallonië en Brussel  eerder zien als laisser faire. In Franstalig België wil men wel een zekere culturele homogeniteit bewerkstelligen, maar men wil dat doen via sociale integratie. Het integratiebeleid werkt vooral volgens het principe van subsidiëring van heel veel kleine organisaties.’ Over de resultaten van beide vormen van beleid bestaan veel vragen.

Nieuwe ideeën rond integratie


Zijn de gelijkenissen in beleid tussen verschillende Europese landen toeval, of zit daar de sturende hand van de EU achter? ‘De EU fungeert als een coördinatie- en communicatieniveau. Maar echte uniformisering is uitgesloten, omdat het integratiebeleid zo sterk raakt aan de soevereiniteit van de lidstaten’, zegt Hannelore Goeman van het IES. ‘Daarom blijft het integratiebeleid volledig binnen de nationale bevoegdheid. Lidstaten zijn daarentegen wel heel geïnteresseerd in nieuwe ideeën.’
Denemarken en Nederland hebben een belangrijke rol gespeeld bij de verspreiding van nieuwe ideeën rond integratie binnen de EU. ‘Beide landen hebben van hun EU-voorzitterschap in respectievelijk 2002 en 2004 gebruik gemaakt om het hele beleid een nieuwe impuls te geven’, aldus Goeman. Intussen heeft de Europese Unie het idee van inburgering –kennis verwerven van de taal, de geschiedenis en de instellingen van het gastland– al wel opgenomen in haar Gemeenschappelijke Basisprincipes rond integratie, een reeks niet-bindende richtlijnen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift