TIBET: De straten hebben oren, de bergen hebben ogen

Sinds een jaar worden in Tibet inwoners van hele dorpen verplicht hun oude huizen te verlaten en nieuwe, uniforme, woningen te bouwen. Intussen draaien ook bij de oude paleizen de betonmolens, want China ziet een belangrijke economische troef in diezelfde Tibetaanse cultuur die ze elders vernietigt. John Vandaele bericht in primeur over het Namdrang Rangdrik-programma, en over de prijs die Tibet betaalt voor economische vooruitgang.
  • Fanny Defoort Chinese ontwikkeling: een zegen voor de Tibetanen? Fanny Defoort
Smal en ongelooflijk diep is de vallei langs waar we van Nepal naar Tibet rijden. Het Nepalese grensstadje Kodari is niet meer dan een weg en een rij huizen langs de rivier, meer ruimte laat de kloof er niet. De Himalaya doorsteken kan nu eenmaal het best via de kieren en gleuven in de rotsen waarlangs het water naar beneden stroomt. We volgen de bergrivieren vele kilometers en het is pas later, veel hoger en kouder, dat we weidsheid krijgen, de eindeloze weidsheid van Tibet.
Vanaf Kodari gaat het steil omhoog - op 8 km van 1700 meter naar 2300 meter- en verandert de weg door de plenzende regen in een modderpiste. Geregeld moeten onze terreinwagens er uitwijken voor overvolle Chinese vrachtwagens: ook dwars door de woeste Himalaya voert China zijn producten uit. Het eerste stadje op onze route heet Dram in het Tibetaans en Zhangmu in het Chinees, maar voor zover het de bouwstijl betreft is het een en al Zhangmu: overal dezelfde vierkante gebouwenblokken met een laag witte emailstenen aan de voorgevel.
In Zhangmu/Dram gebeurt ook de eigenlijke grenscontrole. Ik heb me bij de visumaanvraag niet als journalist gemeld om vrij met mensen te kunnen praten. En dus kom ik Tibet binnen met een toeristengroep, zoals het hoort. China laat immers geen individuele reizigers Tibet binnen. Hoe kunstmatig ook, iedereen is verplicht zich aan te sluiten bij een groep.
Voorbij Dram/Zhangmu klimmen we verder. De regen houdt op omdat we stilaan de wolken bereiken waaruit de regen viel. Mist. Op 3700 meter,  bereiken we het wat troosteloze, koude dorp Nyalam, op het eerste gezicht niet veel meer dan twee rijen Chinese winkels. 
Het avondmaal van heerlijke Chinese noedelsoep komt er al snel weer uit. Ik zie mensen met insectenkoppen: de hoogteziekte zorgt behalve misselijkheid en hoofdpijn ook voor beginnende hallucinaties.. Een dosis Diamox helpt me van de hoofdpijn en de insecten, maar niet van het braken af. ‘s Morgens wil ik ter plekke blijven om de goden niet nog meer te tarten, maar daar wil onze Tibetaanse gids niets van horen: ‘It doesn’t matter’, sust hij. Hij wil zijn groep het liefst voltallig “opleveren” in Lhasa, dat staat beter bij de Chinese autoriteiten. Hij blijkt gelijk te hebben: ik voel me geleidelijk aan beter, ook al steken we die dag twee passen van meer dan 5000 meter over.
We rijden over het dak van de wereld in de stralende zon.  Immense hoogvlaktes met besneeuwde pieken  in de verte. Weids, weidser, weidst. In de dorpen kijken prachtige huizen als miniforten uit over het dat magistrale landschap. Tegen de middag doemt rechts van ons de Chomolongma op. De Mount Everest, zoals wij hem noemen, is van hieruit gezien gewoon een top tussen vele toppen, maar voor de autoriteiten is het een toeristische attractie die vlot bereikbaar moet worden. Vanaf hier ligt er meer asfalt en waar er nog geen ligt, wordt eraan gewerkt.

Toerisme als politieke arena


De tocht, langs de steden Shigatse en Gyantse, naar de Tibetaanse hoofdstad Lhasa overtuigt ons ervan dat de Tibetaanse cultuur op dit unieke hoogplateau een weergaloze toeristische troef is. En dat de autoriteiten van plan zijn haar ten volle uit te baten. Tibet wordt een succesvol verkoopsartikel. Net als elders in China worden hier in razend tempo wegen aangelegd. Over 2 jaar is de 800 km tussen de Nepalese grens en Lhasa geasfalteerd. De tocht wordt dan aanzienlijk minder avontuurlijk, maar daardoor ook gemakkelijker te verkopen aan de veel grotere groep van meer bezadigde toeristen -Chinezen incluis.
De Chinese overheden hebben een behoorlijk tweeslachtige houding ten opzichte van de Tibetaanse cultuur. Enerzijds doen ze er alles aan om van die cultuur een toeristische topattractie te maken. In Shigatse herstellen ze in ijltempo het oude dzong (kasteel) met tonnen beton. Tempels die tijdens de culturele revolutie werden vernield, worden nu gerestaureerd en er worden schitterende wegen aangelegd tot bij de culturele hoogtepunten. Anderzijds wordt diezelfde Tibetaanse cultuur sterk aan banden gelegd, om niet te zeggen gefnuikt.
Kloosters krijgen een limiet op het aantal monniken. In het Drepungklooster in Lhasa woonden vroeger tot 10.000 monniken, nu is er een maximum van 1000 monniken. Vaak moeten ze openlijk afstand nemen van de “separatist” de Dalai Lama. Tijdens patriottische heropvoedingskampen moeten ze erkennen dat de regering boven het geloof staat. In Lhatse zijn in de hoofdstraat alle traditionele Tibetaanse huizen “vervangen” door de witte emailstenen gevels van de Chinese nieuwbouw.
In het Potala, het voormalige winterpaleis van de Dalai Lama, wordt duidelijk waar deze vernieuwingsdrift toe leidt: het complex zwicht bijna onder een onwaarschijnlijke hoeveelheid goud, maar het geheel komt over als een dood ding, het is een museum geworden.
Intussen blijft ook de Dalai Lama zelf niet blind voor de troeven van het toerisme. Een man in Shigatse, de tweede stad van Tibet, vertelt ons wat de Dalai Lama hem in India bezwoer: ‘Hij zei me: leer Engels, ga terug naar Tibet en spreek met de toeristen. Niet alle Tibetanen mogen Tibet verlaten.’ Het valt op hoeveel Tibetaanse gidsen -ondanks het reisverbod van de Chinese overheid- een “geschiedenis in Dharamsala” hebben.
Met subtiele toespelingen wijzen ze je op de Chinese onderdrukking van hun volk en cultuur. De meeste van deze gidsen krijgen geen werkvergunning van de overheid, waardoor ze bij ieder bezoek aan een van de populaire tempels wat zenuwachtig worden. ‘Het is op deze toeristische trekpleisters dat controleurs ons om onze vergunning vragen.’De problemen die dat oplevert, weten de meesten op te lossen met geld en goede relaties. Maar dat lukt niet altijd, getuigt een van de gidsen: ‘Ik mocht een tijdlang niet meer gidsen omdat ze menen dat ik te zeer pro Dalai Lama ben en kritiek geef op de Chinezen. Een andere gids, die twee maand met een Amerikaan rondtrok, is al drie weken verdwenen.’
Tibetaanse gidsen hebben meer voeling met de Tibetaanse cultuur waar veel Westerse toeristen om allerlei redenen een boontje voor hebben. Nogal wat toeristen weten van de moeilijke verhouding tussen de Dalai Lama en de Chinese overheid. Om die redenen verkiezen ze Tibetaanse gidsen. Reisbureau’s die met Tibetaanse gidsen werken, steunen daarmee in veel gevallen onrechtstreeks de Tibetaanse zaak. Zo wordt het toerisme een arena waarin de Chinese autoriteiten en de Tibetaanse nationalisten strijden om de gunst van de buitenlandse toerist en daarmee om een stukje van de wereldopinie.

Ceaucescu in Tibet


De spagaat tussen controle en toeristische exploitatie heeft echter grenzen. Controle kan de Tibetaanse cultuur zodanig veranderen dat de eigenheid verloren gaat. Zo stoten  we tot onze grote verbazing op overheidsprogramma’s die de inwoners van hele dorpen verplichten een nieuwe woning te bouwen. Zegt een oude boer van een dorp in de buurt van Lhasa: ‘Ik ben helemaal niet blij met die verhuis. Dit nieuwe huis is kleiner. Hier slaap ik niet goed.
Soms ga ik nog in het oude huis slapen.’ Hij neemt ons mee naar dat oude huis, een echte boerderij met een ruim boerenerf en stallen. Het wacht op de sloop. De nieuwe woningen zijn veeleer stadswoningen met een ruime koer, dicht bijeen gebouwd bij de hoofdweg. Ondanks de opgelegde Tibetaanse bouwkenmerken -geen witte emailstenen hier- komt het nieuwe dorp flets over. De glans is eraf. De aanpak doet denken aan de “systematisatie” van landbouwdorpen die de Roemeense dictator Ceaucescu destijds oplegde. De Roemeense dorpen verloren daardoor hun ziel, maar de dorpelingen werden wel beter controleerbaar. Zo voelen ook sommige Tibetanen het aan: ‘De staat kan ons nu beter controleren,’ zegt een van de betrokken inwoners.
Het plan heeft nog andere, rampzalige, gevolgen. Of ze nu geld hebben of niet, de dorpelingen moéten bouwen. Daarvoor moeten ze leningen aangaan, en als ze die niet kunnen afbetalen, riskeren ze hun woning te verliezen. Een jonge boer zucht: ‘Ik moest een lening van 30.000 yuan (3000 euro) aangaan. Ik weet niet hoe ik die moet terugbetalen. Ik verdien maar weinig geld. Ik zal moeten gaan werken in de bouw -met rotsblokken sleuren voor 25 yuan per dag- of in een restaurant.’ Zijn toon is bitter-berustend: hoe bizar dit beleid ook is, verzet is toch niet mogelijk.
De “systematisatie” maakt alvast grond vrij voor andere activiteiten. Het dorp ligt in een gebied met veel industriële activiteit. Zegt een dorpeling: ‘Er staat al een fabriek -wij kregen geen yuan voor die grond. Bovendien hebben we soms hoofdpijn door de fabrieksrook. Maar we zwijgen, want protest is hier snel verdacht.’ Komt daar nog bij dat er een muur is gebouwd tussen het nieuwe dorp en de bergen met de graslanden.
Dat, samen met het feit dat de woningen geen erf hebben, maakt het moeilijker om de traditionele veeteelt te bedrijven. De gang van zaken doet denken aan de beruchte enclosure waarmee in het Engeland van de 16de eeuw boeren van hun gemene gronden werden verdreven, recht in de armen van de ontluikende industrie.
Niet iedereen klaagt. Een eind verder van Lhasa tref ik een boer die tevreden lijkt: ook al heeft hij nog steeds geen stromend water, zijn nieuwe woning is groter, er steekt meer cement in. De afbetaling vormt geen probleem want de man heeft kinderen in het buitenland.
Om niemand van onze contactpersonen in problemen te brengen, vroegen we in Tibet zelf geen uitleg aan de overheid. Eens terug in België steken we ons licht op bij de Chinese ambassade. Twee maanden later hebben we jammer genoeg nog geen duiding gekregen. Human Rights Watch berichtte enkele weken geleden wel voor het eerst over deze programma’s. Het programma Namdrang Rangdrik startte in 2005 en verplicht mensen binnen de drie jaar een nieuw huis te bouwen volgens bouwcriteria die de overheid oplegt.
Het is gericht op verstedelijking en modernisering en het helpt een goede indruk te maken op de aanzwellende stroom toeristen - zo verzekeren ambtenaren de dorpelingen. Eerder al, in 2000, verplichte een programma gericht op armoedebestrijding de armste mensen een huis aan de weg te bouwen, zodat ze commerciële activiteiten zouden kunnen ontplooien en buitenshuis zouden gaan werken.
Tijdens onze reis zagen we inderdaad meermaals rijen eendere nieuwbouwhuizen langs de weg. Vaak hadden we de indruk dat ze leeg stonden. Human Rights Watch stelt dat dit programma, dat armoede wil bestrijden, net het omgekeerde resultaat heeft, omdat het mensen met zware leningen opzadelt en hen afsnijdt van

Feodalisme versus communisme


De tonnen goud in het Potala vertellen iets over het aristocratische karakter van de vroegere orde. Het is een snaar die de Chinezen graag bespelen: wij hebben Tibet bevrijd van het feodalisme en zodoende de productieve krachten van deze natie gewekt. ‘Jullie zijn vrij, jullie leven in een democratie, ik heb ervaren wat dat is. Toch kennen we hier nu ook meer vrijheid dan vroeger. Vergeet dat niet’, zegt de 78-jarige Tashi Tsering in Lhasa. Hij weet waarover hij spreekt. Als kleine jongen en zoon van boeren werd hij geselecteerd voor de private dansgroep van de toenmalige dalai lama.
Omdat hij Engels wilde leren, trok hij als adolescent naar India. Zo belandde hij na de Tibetaanse opstand van 1959 bij de regering in ballingschap. Dat hij daar bij de aristocraten als eenvoudige boerenzoon nauwelijks meetelde, zou hij later niet licht vergeten. In 1964, na studies in de VS, besloot hij terug te keren naar communistisch Tibet - velen verklaarden hem gek- om zich in te zetten voor de scholing van zijn volk.
Tsering koos niet voor de gemakkelijkste weg: tijdens de culturele revolutie belandde hij als westerse spion in de gevangenis, pas in 1979 kreeg hij eerherstel. Hij doceerde Engels aan de universiteit van Lhasa en startte een ngo die scholen opricht. Mensen in Tibet leven nu veel langer dan voor de Chinese overname, stelt Tsering. ‘Vroeger ging teveel energie verloren aan religie: tot 15 procent van de bevolking werd monnik en droeg niet bij tot de productie. 60 jaar geleden was er geen enkele school in Tibet, nu zijn er 5000.
Daar staat tegenover dat de meerderheid van de Tibetanen op het platteland woont, waar de meeste kinderen nog altijd vanaf hun achtste het vee gaan hoeden.’ Zijn eigen inspanningen om het onderwijs ook bij die kinderen te brengen, maken meteen duidelijk dat de overheidsinspanningen op dat gebied niet voldoen. De ngo Internationale Campagne voor Tibet (ICT)  berekende dat liefst 47 procent van alle Tibetanen ongeletterd is.

Wiens groei?


De productie en de infrastructuur in Tibet gingen er de voorbije 20 jaar sterk op vooruit -de Chinese autoriteiten gewagen van 12 procent economische groei per jaar, meer dan het Chinese gemiddelde. Maar “ieder voordeel heb zijn nadeel”, om de bekende Nederlandse filosoof Johan Cruyff te citeren.
De verbeterde infrastructuur is immers ook een middel om Tibet echt op te nemen in China en de migratie van Hanchinezen aan te moedigen. Lhasa voelt nu al aan als een Chinese stad: een Tibetaanse stadskern in een almaar uitdeinende zee van de kennelijk onvermijdelijke witte emailstenen bouwblokken. Tot grote ergernis van sommige toeristen overigens, die na de rit van Kathmandu naar Lhasa wel iets anders verwacht hadden.
Ondertussen leven er meer Hanchinezen dan Tibetanen in Lhasa. Volgens de ngo ICT is 70 procent van de handelszaken er in handen van Chinezen. Er is gewoon veel meer ruimte -letterlijk en figuurlijk- in Tibet dan elders in China, maakt een Chinese taxichauffeur uit Lanzhou duidelijk. ‘In Lanzhou zijn we met zoveel chauffeurs dat we maar de helft van de maand mogen rijden. Ik verdiende er zo’n 3000 yuan per maand. Hier in Lhasa rijd ik wanneer ik wil en haal ik tot 15.000 yuan.’
De autoriteiten verwachten dat meer Chinezen in Tibet gaan wonen en werken. Dat merk je aan de wegen in Shigatse en Gyantse, die nu nog buiten proportie lijken en aan de veelbesproken trein naar Lhasa. De taxichauffeur kwam met die trein omdat er op de hoge passen zuurstof wordt bijgespoten. De vorige keer, toen hij met de bus reisde, was ook hij hoogteziek geworden. Nu al is beslist de trein door te trekken van Lhasa tot de Nepalese grens.
De immigratie plaatst de groeicijfers in een ander perspectief: meer mensen produceren nu eenmaal meer dan minder mensen. Daarnaast schept de overheid zelf veel groei als initiator van grote bouwprojecten en met dubieuze bouwprogramma’s als Namdrang Rangdrik. Het is maar de vraag in welke mate de Tibetanen mee genieten van de groei. Op het platteland, waar de meerderheid van de Tibetanen leeft, wordt nog veel gewerkt met oude weinig efficiënte productiemethodes. Tegenwoordig meldden ook de Chinezen zich in de landbouw, vooral in de tuinbouw onder plastic. ‘De Tibetanen zijn daar te lui voor’, zegt een Tibetaanse gids. Andere Tibetanen zien in het verlies van landbouwgrond aan Chinezen het begin van het einde.
Ook commercieel hebben Tibetanen het niet gemakkelijk. Zegt een inwoner van Gyantse: ‘De jongste jaren namen Chinezen veel Tibetaanse winkels over. Het is voor Tibetanen ook moeilijker een vergunning te krijgen.’ Dat laatste is wellicht een gevolg van het feit dat guanxi -relaties- belangrijk zijn om wat dan ook te bekomen in China. Vermits de Chinezen oververtegenwoordigd zijn in de bestuursorganen -Human Rights Watch meldde onlangs dat 22 van de 30 leden van het comité van de communistische partij van Lhasa etnische Chinezen zijn- is het voor Chinezen wellicht makkelijker om iets te bekomen.
‘Wij Tibetanen worden minder betaald dan Chinezen voor hetzelfde werk’, is een klacht die we talloze keren horen. ‘Een Chinese kok krijgt 100 yuan, een Tibetaanse 50 yuan’, zegt een Tibetaanse kok. Een schrijnwerker zegt hetzelfde over zijn branche: ‘We kunnen dat niet veranderen. Durf je het aan te klagen, dan krijg je het verwijt met politiek bezig te zijn en riskeer je een gevangenisstraf.’
De migratie van dikwijls beter geschoolde Hanchinezen maakt het Tibetanen moeilijker een baan te vinden. ‘Voor 100 overheidsbanen werden onlangs 98 Chinezen geselecteerd’, weet Vincent Metten van de ngo ICT in Brussel. De reden was dat het examen veel vragen bevatte over antieke Chinese cultuur. De woede was zo groot dat de studenten op straat kwamen. Toch zijn er, zeker in de steden, ook heel wat Tibetanen die een graantje meepikken van de groei. Wie een overheidsbaan weet te bemachtigen, heeft het niet slecht. De Tibetanen die het, ondanks hun gebrek aan guanxi, in het toerisme maken, profiteren uiteraard mee van de verbeterde infrastructuur.

De Chinezen te vriend…


Als we de regio van Lhasa naderen, valt op dat de Chinese vlag op bijna elk dak wappert. ‘Als je ze niet hijst, krijg je problemen’, vertellen mensen. ‘Een boete of erger.’ Wie een zaak heeft, of iets gedaan wil krijgen van de politiek, staat best niet als anti-Chinees bekend. De moedigste mensen nemen de vlag geregeld weg en telkens opnieuw komen ambtenaren hen aanmanen ze terug te hangen. De Chinese overheid gaf ons via de Belgische ambassade volgende verklaring voor dit merkwaardige verschijnsel: ‘Het staat elke patriot vrij om de vlag te hijsen.’
We ontmoeten een bijzonder stil vrouwtje in de steegjes rond de Jokhangtempel in Lhasa. Ze zat jaren in de gevangenis omdat ze als non iets teveel liefde voor de Dalaï Lama liet blijken, vindt nu geen werk meer en kan als “separatiste” ook niet terug naar het klooster. Ze woont al jaren in bij haar zus. Haar angst om met ons gezien te worden, spreekt eigenlijk boekdelen. Als we spreken over haar situatie, wordt de radio luider gezet zodat we onverstaanbaar zijn voor de buren.
Een ander gezin durft ons niks zeggen over hun leven, ook al hebben we hun zoon die politiek vluchteling is in België gesproken. ‘De straten hebben oren, de bergen hebben ogen’, is de uitleg.
Die angst is begrijpelijk als je weet hoe gevangenen soms lijden. Gyaltsen Drolkar is een van de zingende nonnen, boeddhistes die in gevangenschap Tibetaanse liederen hadden opgenomen. Ze ontvluchtte Tibet en werd in België erkend als politiek vluchteling. Ze vertelt hoe ze met de hand uitwerpselen in emmers moesten scheppen en als mest moesten verdelen in de heel lage en in de zomer gloeiend hete plastic serres. Over de zeer hoge breiquota’s die ze elke dag moesten halen.
Over hoe ze winter en zomer urenlang onbeweeglijk moesten staan, met een glas water op het hoofd, en kranten tussen armen en romp en tussen de benen. Als een van die objecten viel, werden ze geslagen. Wie bewusteloos viel, liet men liggen. ‘Dat maakte deel uit van een wedstrijd tussen gevangenissen: wie de beste gevangenen had, kreeg een prijs.’ Veel zaken die ze vertelt, worden bevestigd in het rapport dat Manfred Nowak in 2006 als speciale VN-rapporteur martelen maakte over zijn missie in China.

…en de Dalai Lama in het hart


Vijftig jaar communisme heeft de religie zeker niet weggeveegd. In een tempel nabij Lhasa ben ik er bij als een kleine, zogenaamde sprekende Boeddha van achter de tralies wordt gehaald. Mensen komen naar voor gerend om de Boeddha, eigenlijk een soort popje, aan te raken en lijken daarbij in een soort trance te geraken als de monnik met het popje over hun rug streelt. In gesprekken met Tibetanen verdwaal ik snel in de veelheid van “beschermers” die je best aan je kant hebt om onheil te voorkomen.
Onderweg naar Lhasa stopt onze chauffeur voor een monnik langs de weg en geeft hem een smak geld. De monnik doet de ronde van alle heilige plekken in Tibet, een tocht die zeven jaar kan duren. Chinese grondwet erkent weliswaar de vrijheid van godsdienst, maar de machthebbers zijn als de dood voor de irrationele toestanden die ze met zich meebrengt, en die moeilijk onder controle te houden zijn. Maar gewelddadig verbod maakt dingen soms juist aantrekkelijker. Economische groei is een meer subtiele manier om aan de Tibetaanse tradities te knagen maar of het werkt, valt af te wachten.
Repressie noch modernisering hebben tot nu toe de devotie voor de Dalai Lama weten te fnuiken. Al wil niemand het oude feodale systeem terug, we ontmoeten weinig Tibetanen die niets voor zijne Heiligheid voelen. Mensen houden zijn verboden foto in achterkamertjes, we vinden er een weggestopt in een kluisje van een tempel. Ondanks alles blijft de dalai lama als een ster boven Tibet hangen, een ster die alleen de Tibetanen zien omdat ze haar koesteren in hun hart en andere gesloten ruimtes.

Patstelling op grote hoogte

In 1949 lijven de communisten Tibet bij China in. De Dalai Lama, tot dan geestelijk én politiek leider van Tibet, vlucht in 1959, als het Chinese leger een opstand hardhandig de kop indrukt. Hij vestigt zich met zijn regering in ballingschap in de Indiase stad Dharamsala, waar ook talloze Tibetaanse scholen ontstaan. Elk jaar vluchten 3000 Tibetanen naar Dharamsala. Ze nemen daarbij grote risico’s met de verboden voettocht over de Himalaya.

De voorbije jaren waren er geregeld contacten tussen de Chinese regering en de regering in ballingschap. “Dharamsala” wil dat alle Tibetaanse gebieden in China in één provincie worden ingedeeld. Daarnaast wil de regering in ballingschap ook meer reële autonomie voor dat grotere gebied. Onafhankelijkheid hoeft niet. Beide eisen zijn voor de Chinezen niet aanvaardbaar. Tot nader order blijft elk op zijn positie.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift