Tien goede redenen voor een cahier over het grote geld

Een Noord-Zuidcahier maken over de grillige lotgevallen van de financiële sector ligt niet voor de hand. Op het eerste gezicht ligt het druk gedoe op de hyperkinetische wisselmarkten wel erg ver van de kleine boer en burgerman die we normaal als NGO’s in het vizier houden. Heeft een Indiase boer een boodschap aan een nieuw record van de Dow Jones, of aan een faillissement van een groot hefboomfonds zoals LTCM (Long Term Capital Management). Is het ineenstorten van een Aziatische munt meer dan wat goed nieuws voor buitenlandse toeristen die voor hun exotische snoepreis maar een fractie van de vroegere prijs moeten neertellen ?
We vrezen van wel. In de voorbije 20 jaar is de financiële sector spectaculair gegroeid. De invloed van de sector op de rest van de economie is danig toegenomen. Het maakt ook dat schokgolven op de financiële markt vaak rechtstreeks en hard worden gevoeld op plaatsen waar je dat niet direct zou verwachten. In je eigen geldbuidel bijvoorbeeld, of in pijnlijk stijgende werkloosheidscijfers in Indonesië.

Voor het gemak hoeven we het niet te doen. Het jargon van de financiële specialisten lijkt wel veredelde smurfentaal. En ook los van het geheimtaaltje zijn de praktijken in de sector ondoorzichtig en moeilijk te vatten. Het onderscheid tussen echte handel in cacao en het heen en weer schuiven van opties en andere afgeleide producten met cacao als ‘onderliggende waarde’ heeft voor de leek iets onwezenlijks.

Voor we in de volgende artikels de strijd met het vakjargon en de technische hoogstandjes van de financiële wereld aangaan, schetsen we kort, en hopelijk nog in mensentaal, een aantal feiten en trends die ons tot kommer om en tot schrijven over het grote geld hebben gebracht. We hebben het over:

de omvang en de omloopsnelheid van het grote geld
de machtsconcentratie in de sector
de mythe van het ‘natuurlijk’ marktevenwicht
het misverstand over de ‘casino’ economie
de overheid in gevaar
een gebrekkige controle
het nieuwe schuldenprobleem en de voogdij over crisislanden
het sociale slagveld
het debat over de nieuwe financiële architectuur
de strijd om de Tobin-taks
een markt voor grote maten

We hebben het hier over groot geld met een bijzonder hoge omloopsnelheid. In april 1998 ging er volgens de BIS (Bank voor Internationale Betalingen, en zowat de centrale bank van de centrale banken) 1852 miljard dollar per dag heen en weer op de wisselmarkten. Daarvan ging 1490 miljard dollar om op de ‘traditionele’ wisselmarkt. De rest zat in opties, swaps, intrestproducten enz. Het is een grote markt en ze groeit snel. In 1995 telde men 1386 miljard dollar (met 1190 miljard voor de traditionele wisselmarkt). Dat is een stijging van 25% in drie jaar tijd.

1490 miljard dollar is een bom geld. In grootteorde zit je op het niveau van de totale schuld van de derdewereldlanden. Vergelijk ook even met de 50 tot 60 miljard dollar die de rijke landen op een heel jaar aan ontwikkelingssamenwerking besteden. Zelfs in België, voorwaar een gehucht in de wereld van het kapitaal, is de wisselmarkt nog goed voor ongeveer 30 miljard dollar per dag. Dat is dertig keer meer dan wat België op jaarbasis voor ontwikkelingssamenwerking overheeft. Wie geld wil bijeenharken om hier en vooral in het Zuiden de kas voor broodnodige ontwikkelingsprogramma’s te spekken, kan wel eens op het idee komen om deze reusachtige jackpot aan te spreken. En dan laat je nog een heel deel van het wereldje buiten beeld: de aandelenbeurzen, de grondstoffentermijnmarkten, enz.

Anderzijds moet je de fabelachtige sommen relativeren. 1500 miljard $ op een dag betekent niet dat je na twee dagen 3000 miljard, na drie dagen 4500 miljard hebt, en dat de middelenpot zo verder opzwelt. De grote actoren beschikken over een middelenpot van pakweg 10.000 miljard dollar om daarmee te werken op de wisselmarkt. Een groot deel daarvan is geplaatst in bepaalde munten, in opties, obligaties, enz. Elke dag wordt een stuk daarvan verschoven naar andere meer winstgevende of minder verlieslatende plaatsingsmogelijkheden op de geldmarkt. De optelsom van alle verschuivingsoperaties op één dag bedraagt dan om en bij de 1500 miljard. In dat totaal zitten ook dubbeltellingen als een bepaald bedrag meer dan één keer per dag wordt verhandeld. De volgende dag wordt grosso modo eenzelfde pakket heen en weer geschoven. Het schuiven gaat wel snel. 80% van de transacties wordt ‘afgehandeld’ binnen de week.

Veel macht in weinig handen

De financiële markt is sterk geconcentreerd. Dat geldt voor de markten waar de transacties plaatsvinden, voor het aantal munten dat wordt verhandeld en voor de actoren die doorwegen op de handel. De handel op de traditionele wisselmarkt zit voor 32% in Groot- Brittannië, 18% in de Verenigde Staten, 8 % in Japan, 7% in Singapore, en 5% in Duitsland. Dat is samen al 70%. Zwitserland, Hongkong en Frankrijk zijn elk nog goed voor 4%.

De Londense City is de absolute topper. De Britse markt is veruit de grootste met 32% van de traditionele wisselmarkt, en 36% van de handel in afgeleide producten. De jaaromzet van de wisselmarkt in de UK was in 1998 trouwens 118 keer groter dan het nationaal inkomen. Zeker in de traditionele deviezenhandel gaat het in grote mate om onderlinge handel tussen banken. Deze ‘inter-bank trade’ staat voor 83% van de traditionele wisselmarkttransacties in de UK. Andere financiële instellingen zoals pensioenfondsen of verzekeringsmaatschappijen halen 9,5%. Niet-financiële instellingen 7,3%.

De tien grootste bedrijven op de Britse markt hebben er de helft van de handel in handen (tegenover 35% in 1989 en 44% in 1995). Ook in de VS staan de tien toppers voor 51% van de markt. Tel je in de UK de 20 grootste bij elkaar dan zit je al aan 69%. Die Britse markt is dan wel voor 85% in handen is van ‘buitenlandse’ bedrijven (49%VS, 18% andere EU- landen, Japan 7%, enz.)

Meer dan 70% van de deviezenhandel gaat tussen de Amerikaanse dollar en de munten van andere industrielanden: US$ / DM (22%), £ / US$ (14%), US$ / Yen (13%),US$ / Zw Fr (6%), US$ / lire (6%), US$ / FFR (5%) , US$ / andere EU (12%). De transacties tussen US$ en nog andere munten is goed voor 7%.

De wereldwijde omzet in de munten van de zogenaamde ‘groeilanden’ bedroeg (in oktober 97) 20,5 miljard $ per dag in Aziatische munten, 23,7 in Latijns-Amerikaanse (met 9,5 Mexicaanse peso , 8,5 Braziliaanse real), en 15,3 miljard $ in Oost-Europese munten. De munten van de groeilanden in het Zuiden wonnen sterk aan belang , maar blijven uiteindelijk kleine spelers.

de mythe van de echte en de casino-economie

Van de 1850 miljard $ dagomzet op de wisselmarkt, is minder dan 5% rechtstreeks verbonden met echte handel in goederen en diensten. Dat betekent dat men zich met de resterende 95% via het geldverkeer probeert in te dekken tegen risico’s of tracht winst te halen uit pieken en inzinkingen van de verhandelde munten. Het spel werd in de loop der jaren behoorlijk ingewikkeld. In 1914 waren er slechts 19 ‘verhandelbare’ munten. Nu zijn er 180. In het huidige systeem van vlottende wisselkoersen moeten investeerders en speculanten dag in dag uit hun weg zoeken in duizenden voortdurend veranderende onderlinge prijsverhoudingen tussen munten. Dat de handel grotendeels verloopt in een handvol supermunten belet niet dat ook in een kleine nis van de markt, met transacties op kleinere munten veel geld verloren of gewonnen kan worden.

Uit al deze feiten trekt men te gemakkelijk de conclusie dat de financiële sector met al zijn rondzwervende miljarden een gigantisch roulettespel speelt dat losstaat van de rest van de economie. Dat beeld strookt niet met de werkelijkheid.

Ten eerste is de weerslag van financiële crises op bedrijven van vlees en bloed maar al te reëel. Een Indonesisch bedrijf dat in 1996 zijn inkomsten telde in rupiah, maar voor zijn investeringen grote leningen was aangegaan in dollar, yen of Singapore-dollar beleefde in 97 zwarte tijden. De rupiah zakte van 2600 rupiah per dollar in september 1997 naar 11000 eind 1998. Tussenin bereikte de wisselkoers zelfs 17000 rupiah per dollar. Het bedrijf in kwestie zou een veelvoud moeten omzetten van zijn normale verkoop om zijn dollarrekeningen te betalen, en dat in een krimpende crisiseconomie. De crisis deed ook in de realiteit een lange reeks Indonesische banken en bedrijven de das om.

Daarnaast hebben de groten uit de financiële markt vaak ook direct of indirect een hand in de zogenaamde ‘echte’ productieve economie. Neem de banken. Het grootste deel van de transacties op de gewone wisselmarkt verloopt tussen banken onderling. Maar banken doen niet alleen aan deviezenhandel. Ze spelen ook een sleutelrol bij mega-overnames in de industrie en de dienstensector. Met die mega-overnames zijn immers steeds grotere bedragen gemoeid. In 1995 was de overname van Marion Merrel Dow door het Duitse Hoechst voor 7,1 miljard dollar nog een record. Vorig jaar klom het totaal van fusies en overnames in de oliesector naar 240 miljard dollar (9600 miljard frank). De topper was het samengaan van Mobil en Exxon, voor zo’n 73 miljard dollar. Doorgaans kunnen of willen bedrijven de kosten voor dergelijke monsteroperaties niet uit eigen zak betalen. Men spreekt geldschieters aan of men doet een beroep op ingewikkelde constructies zoals aandelenruil, enz. Soms kan een bedrijf enkel door middel van zware, dure en riskante bankleningen een ander bedrijf ‘uitkopen’ (men spreekt dan van ‘leveraged buy-outs’)

Banken zijn soms nog rechtstreekser bij overnames betrokken wanneer ze aandelen nemen in een of meerdere van de betrokken bedrijven. Heel wat grote multinationale bedrijven wagen zich zelf aan speculatieve activiteiten. Ze hebben daarvoor vaak een eigen financieel deelbedrijf dat niet alleen de belastinguitgaven minimaal probeert te houden, maar ook maximale winst tracht te halen uit puur financiële transacties. Siemens bijvoorbeeld is niet bepaald bekend als een ‘financiële’ firma, maar haalt in een gewoon jaar toch meer winst uit zijn financiële activiteiten dan uit de verkoop van zijn elektrische apparatuur.

Het is een publiek geheim dat het management van grote bedrijven en beleggingsfirma’s regelmatig ‘hartige’ gesprekken hebben met de vertegenwoordigers van verzekeringsfirma’s en pensioenfondsen die een groot pakket aandelen van betrokken firma’s in portefeuille hebben. De druk is groot. Er wordt doorgaans een veel hoger en sneller rendement gevraagd dan pakweg 20 jaar geleden.

Er zijn dus heel wat meer banden tussen de ‘echte’ en de casino-economie dan men zou denken. Bij de diagnose van het probleem én bij het formuleren van beleidsvoorstellen is dat belangrijk om te weten.

het sprookje van de ‘goede speculant’ en het evenwicht in de markt

Er zou een natuurlijk evenwichtspunt in de markt bestaan. Afwijkingen daarop worden veroorzaakt door verschuivingen in de ‘fundamentals’, de basiselementen van de economie van landen, zoals het overheidsdeficit, de betalings- en handelsbalans, enz. Speculanten leggen de ‘afwijkingen’ in de markt bloot en maken dat de wisselkoersen (of prijzen van aandelen, als je het over die markten hebt) sneller hun weg naar het evenwicht terugvinden. Elke dag een goede daad, bij wijze van spreken, en het brengt nog op ook.

Deze stelling heeft meer te maken met geloof dan met wetenschap. Er is op de geldmarkten momenteel een massa kapitaal op zoek naar snelle en maximale winst, die nu eens hier dan weer daar te vinden is. Geld dat op een bepaald moment een land binnenvloeit, wordt er met evenveel gemak in een oogwenk weggehaald. Je hebt het dan niet alleen over wisselkoerstransacties maar ook over portfolio-investeringen, kortetermijnkredieten, enz. Je zit hier echt in het koninkrijk van de korte termijn. Er ligt zware druk op beleggers en beleggingsfirma’s om snel en hoog rendement te halen. De verleiding is groot om zich op woelige, sterk schommelende secties van de markt te wagen. Men kan er grote winsten boeken, maar het gevaar op kapseizen is reëel. In de voorbije jaren is vooral voor de ‘korte termijn’ een heel arsenaal afgeleide producten en instrumenten voor het indekken tegen risico’s ontwikkeld. Dat heeft ook meer bezadigde institutionele beleggers naar de korte termijn gelokt.

Het gevolg van dat alles is wel dat munten zwaar onder druk kunnen komen te staan, ook al zijn de ‘fundamentals’ van het land volledig in orde. De Aziatische crisis in 97 was daarvan een pijnlijk voorbeeld. Achteraf, met het voordeel van de terugblik, ontdekte men natuurlijk heel wat ‘zwakke plekken’ in de getroffen Aziatische economieën. Het gaat dan wel over de landen die tot voor kort unaniem de hemel werden in geprezen voor hun gezond macro-economisch beleid. Ook bij IMF en Wereldbank stonden landen als Zuid-Korea en Indonesië zeer in de gratie. Een Wereldbank ‘country brief’ van september 97 stelde nog dat ‘Indonesië in het voorbije decennium in zijn economische ontwikkeling merkwaardige successen heeft geboekt en tot de best presterende Oost-Aziatische economieën gerekend moet worden… Indonesië deed grote inspanningen om zijn economie te diversifiëren en probeerde zijn privé-sector meer concurrentieel te maken door een gezond macro-economisch beleid, door deregulering en door investeringen in diensteninfrastructuur’. De tekst werd pas in maart 1998 door de WB van zijn website gehaald. Was dit hetzelfde land dat op enkele maanden tijd zijn aandelenmarkt met 50% zag inkrimpen, zijn munt met 70% zag devalueren en zich moest neerleggen bij een buitengewoon gedetailleerd en ingrijpend voogdijprogramma van het IMF?

Niet genoeg geld voor (financiële) landsverdediging ?

Traditioneel verdedigt de centrale bank van een land haar munt door aankopen en verkopen op de internationale kapitaalmarkt. Wanneer een speculant in het verleden Belgische frank op de markt gooide om onze munt te laten zakken, kon de Nationale Bank die aanval doorgaans counteren door zelf op de internationale markt Belgische frank op te kopen. Momenteel beschikken de speculanten echter over een veel grotere middelenpot dan alle centrale banken samen. De pensioenfondsen alleen al beheren meer dan 5000 miljard dollar. Een tiende daarvan is nog altijd meer dan heel het nationaal inkomen van België. De overheid van de meeste landen is dus niet meer in staat om een goed georchestreerde aanval op haar munt af te slaan. Zowel voor Alan Greenspan van de centrale bank van de VS als voor de voorzitter van de Europese centrale bank, Wim Duisenberg, is dat een reden om van het ‘overheidsbeheer’ van wisselkoersen af te zien. Het betekent wel dat de overheid geen stevige greep meer heeft op haar monetair beleid. Interventie druist trouwens in tegen het credo van de kapitalistische marktideologen en wordt doorgaans erg koeltjes onthaald door instellingen zoals het IMF en de Wereldbank. De regering van een niet al te machtig derdewereldland die zich aan interventie op de geldmarkt waagt wordt al snel paria van het systeem. De bijzonder giftige reacties op het instellen van kapitaalcontroles door de Maleisische overheid lieten wat dat betreft niet veel aan de verbeelding over.

controle en toezicht: doof, blind en met te korte armpjes

Je kan niet zeggen dat er op de financiële markt geen controle bestaat. Je kan niet zomaar de beurs binnenlopen en een order plaatsen. Je moet noodgedwongen een beroep doen op erkende beursvennootschappen en beursmakelaars die aan allerlei voorwaarden moeten voldoen. Beurzen hebben ook trucs bedacht om te grote schokken te vermijden. Zo heb je ‘circuitbrekers’, regelingen die maken dat de handel in een aandeel automatisch wordt gestopt als de koers te sterk schommelt binnen de dag. Ook voor banken bestaat er een omvangrijke regeling voor prudentieel toezicht. Hierdoor wil men bijvoorbeeld vermijden dat een bank te veel leent en uitleent in verhouding tot haar eigen middelen, of zich te ver waagt in kredietverlening aan riskante landen. Het ziet er allemaal nogal secuur en stevig uit , maar geeft een vals gevoel van veiligheid. Want ook met controle en toezicht loopt er van alles mis.

De controle stopt te vaak aan de nationale grenzen. De uitbouw van het controleapparaat loopt ver achter bij de internationalisering van de kapitaalbewegingen. Het opzetten van een internationale constructie waarin een geldtransactie verdwijnt of onherkenbaar wordt gemaakt is kinderspel voor de spitstechnologen uit de sector.

Vergeten we ook niet dat de financiële sector in de voorbije 15 jaar meer gedereguleerd werd dan eender welke andere economische branche. Dat betekent onder andere dat de informatieplicht op een aantal punten werd versoepeld. Een aantal beperkingen die vroeger aan actoren op de markt werden opgelegd zijn verdwenen.

Erg belangrijk is de grensvervaging tussen de deelgebieden van de financiële markt. In het verleden was er een duidelijke taakverdeling tussen spaarbanken, verzekeringen, investeringsbanken, enzovoort. Andermans terrein betreden was formeel verboden, en het verbod werd vrij strikt toegepast. Nu zijn die tussenschotten grotendeels verdwenen. Het heeft de transparantie en de controleerbaarheid van de sector aanzienlijk verminderd.

Daarnaast zijn er de zones waar financiële vrijbuiterij als het ware werd geïnstitutionaliseerd: offshore centra, belastingparadijzen, enz. Kapitaal circuleert er vrij en onbelast. Net als de oude zeepiraterij staan deze zones ook niet helemaal los van het ‘respectabel’ circuit.

Ten slotte is er in de sector heel wat geïnvesteerd in het opzetten van ontsnappingsroutes die kapitaal uit het zicht en de handen van de overheid moeten houden. De smalle grens tussen wettelijk en illegaal wordt daarbij meer dan eens overschreden.

De maatregelen die nu voorgesteld worden in het kader van de ‘nieuwe financiële infrastructuur’ vullen zeker niet de bressen die door de deregulering werden geslagen. Sommigen spreken overigens liever over privatisering van de regulering dan van deregulering. Daarmee geven ze aan dat er nog wel degelijk regels gelden op de markt, maar dat die door de privé-actoren zelf en in hun eigen belang worden bepaald. De overheid staat grotendeels buiten spel.

een vers schuldenprobleem en een nieuwe voogdij

De behandeling van het schuldenprobleem richtte zich de jongste jaren bijna uitsluitend op lageinkomenslanden met hoge schuld, voornamelijk in zwart Afrika. Voor andere categorieën derdewereldlanden leek het schuldenspook bezworen. De toevloed van nieuw kapitaal in Mexico en Brazilië leek de schuldencijfers daar wat te bagatelliseren. Al had elk van deze twee toppers nog steeds een schuld van meer dan 100 miljard in de boeken. Ook voor tal van Aziatische landen werden vrij hoge schuldencijfers genoteerd. Door de razendsnelle economische groei en de rozige toekomstvooruitzichten werden die nauwelijks als probleem ervaren. De financiële crisis in Mexico, maar vooral de inzinking van 1997 in Azië zorgde voor een brutale ommekeer. Privé-kapitaal koos ijlings het hazenpad. De dollar- en yenschulden van de lokale banken en bedrijven werden door de instorting van de plaatselijke munten onbetaalbaar. De zwalpende privé-sector werd met overheidsgeld van de verdrinkingsdood gered. De regeringen van de getroffen landen moesten daarvoor een beroep doen op de middelenpot van het IMF en van andere internationale instellingen. Ze hadden het nogal eufemistisch over ‘reddingspakketten’ of ‘hulppakketten’. Dat het grotendeels om vrij dure leningen ging, gekoppeld aan strakke beleidsvoorwaarden, ontsnapte wat aan de aandacht. De ‘sociaal vangnet’-leningen van de Wereldbank, die in Thailand de sociale gevolgen van de crisis moesten temperen, zullen in de toekomst met een interest van 7 à 8% moeten worden terugbetaald. Kwatongen beweren dat de falende privé-sector hier werd vrijgekocht ten koste van een zware hypotheek op de toekomst van overheid en bevolking van de betrokken landen.

Indonesië kreeg op die manier een pil toegediend van meer dan 42 miljard dollar. De schuldenlast steeg navenant. Aan de IMF-interventie hing ook een politiek prijskaartje. De bij de leningen horende hervormingsprogramma’s waren gedetailleerd (meer dan 100 maatregelen in het geval van Indonesië) en ingrijpend. Het programma waarover in 1998 een akkoord werd bereikt tussen Indonesië en het IMF hield onder meer in: een strak muntbeleid, snoeien (16 zwakke banken gingen dicht) en hervormen in de banksector, het verlagen van import- en exporttarieven, het opheffen van het monopolie op het vermarkten en verdelen van een aantal producten (kruidnagel, suiker, bloem, look, enz.), het opheffen van vestigingsbeperkingen voor buitenlandse banken, beperkingen op buitenlands bezit van Indonesische bedrijven worden grotendeels geschrapt, privatisering van overheidsbedrijven, enz. In het pakket zat ook een sociaal vangnet dat, zeer uitzonderlijk voor het IMF, voedselsubsidies voor arme gezinnen toeliet. Er werd een speciaal comité opgericht om de uitvoering van het hele aanpassingsprogramma in het oog te houden. Maar de hervormingen stonden ook onder intensief direct toezicht van het IMF. Indonesië moest trouwens al concrete stappen realiseren vóór het programma formeel door het uitvoerend bestuur van het IMF zou worden goedgekeurd.

Aanvankelijk werd het IMF-programma positief onthaald door een aantal sociale organisaties. Vooral het breken van het monopolie van de Soeharto-clan over een aantal belangrijke economische sectoren viel in de smaak. Dat optimisme is intussen gekeerd. Het sociaal vangnet bleek niet immuun te zijn voor corruptie en misbruik door de regeringspartij. Maar ook het ‘liberaliseringsprogramma’ krijgt steeds meer kritiek. Het IMF-programma breekt immers niet alleen monopolies, het holt tegelijk de mogelijkheden van de regering uit om haar economie te beschermen en te sturen. Als er in de nabije toekomst een democratische regering komt in Indonesië is dat alvast voor haar een eerste vergiftigd geschenk.


Het sociaal slagveld

Alle turbulenties op de geldmarkt zouden grotendeels aan ons voorbij gaan als krachs enkel zouden inhakken op de winst van een handvol speculanten. Maar zo zit deze wereld niet in elkaar. De crisis van 1997-1998 in Azië was een regelrechte aanslag op de koopkracht van de bevolking van de betrokken landen. De grootste gesel was allicht de massale stijging van de werkloosheid. In Zuid-Korea zou het werkloosheidscijfer tussen 1997 en 1998 verdubbeld zijn, met minstens 1 miljoen nieuwe werklozen. In 1999 zou het werkloosheidspercentage kunnen oplopen tot 9%. Voor de Koreanen die al zowat getraumatiseerd waren door de 3% werklozen in 1997 zijn dat astronomische cijfers. Vooral de vrouwen werden door de nieuwe werkloosheidsgolf getroffen. Volgens de Korean Confederation of Trade Unions (KCTU) gingen er in de piekperiode van de crisis per dag 200 tot 300 bedrijfjes failliet. Elke dag kwamen er op die manier rond de 4000 werklozen bij. De kleine en middelgrote ondernemingen werden het sterkst getroffen. De grote conglomeraten, de zogenaamde Chaebols, hadden nog genoeg vet onder de huid om de crisis te overleven. Maar ook zij moesten afslanken en werknemers afdanken. Ze werden daarbij geholpen door het IMF dat ‘hervorming van de arbeidsmarkt’ inschreef in zijn voorwaardenlijstje. In de praktijk betekent het dat bedrijven mensen makkelijker aan de kant konden zetten. Het IMF is er niet erg populair bij de werknemers. Het letterwoord IMF wordt er vaak ingevuld als ‘I am Fired’.

De situatie was nog een stuk rampzaliger in Thailand en Indonesië, die economisch toch nog heel wat lichter uitvallen en kwetsbaarder zijn dan Zuid-Korea (volgens het IMF de 11de economie op de wereldranglijst). Volgens de Internationale Arbeidsorganisatie nam de werkloosheid in Indonesië toe met 5 tot 10 miljoen mensen. Ook wie nog werkt, houdt maar een fractie van zijn of haar vroegere koopkracht over. De regionale minimumlonen werden in de loop van 1998 opgetrokken met 15%. De prijs van consumptiegoederen steeg volgens het IMF gemiddeld met 80% in de eerste helft van 1998. De kostprijs van heel wat basisproducten schoot helemaal door het dak. Prijsstijgingen van 100% (bv. voor rijst, suiker, zeep, enz.) waren eerder regel dan uitzonderingen. Het land ging in 1996 nog prat op erg lage ‘armoedecijfers’. Slechts 11% van de bevolking leefde onder de armoedegrens. Dat cijfer was erg relatief. De grens was zo vastgelegd dat een groot deel mensen met een laag inkomen net boven de armoedelijn uitkwam. Eind 1998 was al 30 tot 40% van de Indonesiërs ‘absoluut arm’

In Thailand werd 18% weggesnoeid uit het overheidsbudget voor 1998: daarvan 23% op defensie, maar ook 22,6% op landbouw, 34% op wetenschap en technologie, 15,4% op arbeid en welzijn, 25,7% op binnenlandse zaken, enz. Ook hier kelderde de koopkracht.

De strijd om de ‘financiële architectuur’

Tijdens de Aziatische crisis was er zware kritiek op de aanpak van het IMF. De critici waren niet alleen te vinden in de klassieke NGO-hoek. Je vond er ook een respectabel aantal ‘bekeerlingen’ uit het andere kamp. Figuren zoals George Soros, superspeculant en ooit een berucht stroper in de sector; Joseph Stiglitz, topeconoom bij de Wereldbank; Martin Feldstein, vroeger adviseur van Ronald Reagan; of Jeffrey Sachs, directeur van het Harvard Institute for International Development. Jeffrey Sachs stelde in een artikel in de New York Times in november 1997: ‘Het IMF versterkte het paniekgevoel, en niet alleen door zijn uitlatingen. Ook de remedies die het voorstelde zoals hoge intrestvoeten, hakbijloperaties in de begroting en het sluiten van banken overtuigden de markt ervan dat de Aziatische economieën nog verder zouden krimpen. In plaats van het vuur in het huis stilletjes te doven, schreeuwde het IMF moord en brand.’

De kritiek richtte zich op concrete inschattingsfouten en op de negatieve impact van de getroffen maatregelen. Het fonds kwam echter ook onder vuur omdat het zo fanatiek en onversneden pleitbezorger was van het volledig liberaliseren van de kapitaalstromen. De crisis had bewezen dat een te snelle, te verregaande of onoordeelkundig uitgevoerde liberalisering een bom kon leggen onder het hele financiële systeem.

Er werden conclusies getrokken. Men startte het debat over de ‘nieuwe financiële infrastructuur’. Een nieuwe set samenwerkingsverbanden, codes, bevoegdheden en instrumenten moet de markt transparanter maken, het toezicht versterken en toelaten crises beter te voorspellen en te beheersen. Wat transparantie en toezicht betreft wordt zeker vooruitgang geboekt. Maar de voorstellen gaan lang niet ver genoeg. Er wordt niet echt ingegrepen in de financiële markt. De belangrijke financiële actoren worden niet aan duidelijke internationale regels onderworpen. De piraten van het financieel systeem, zoals bepaalde hefboomfondsen en offshore centra, blijven buiten schot. De tijdbom tikt dus gewoon verder.

Na een korte ‘vertrouwenscrisis’ houdt het IMF de teugels in deze discussie opnieuw strak in handen. Het werd wel voorzichtiger in zijn enthousiasme over liberalisering van de kapitaalstromen. Het fonds is ook opener geworden en strooit wat kwistiger nota’s rond die het vroeger achter slot en grendel hield. Maar reden om victorie te kraaien is er niet. De onderliggende uitgangspunten en objectieven van het IMF zijn niet veranderd. De druk tot liberaliseren blijft en wordt allicht weer sterker als zich niet snel een nieuwe crisis aandient. De ‘voorzichtigheid’ van het IMF kan wel eens erg tijdelijk zijn.

De G-7, het IMF en andere internationale instellingen zoals de Bank voor Internationale Betalingen hebben hun eerste schrik na de schok overwonnen en zijn bezig aan een veel te beperkte verbouwing van het financieel systeem. Wie verdergaande regulering van de financiële markt wil om landen en mensen te beschermen tegen het uiterst grillige gedrag van het internationaal kapitaal moet snel proberen te wegen op de politieke agenda.

Een doorbraak forceren voor de Tobin-taks

De Tobin-taks of een variante erop zou onderdeel moeten worden van de nieuwe financiële architectuur. De Tobin-taks is een kleine belasting op internationale wisselkoerstransacties. De eerste bedoeling is de omvang en de omloopsnelheid van speculatieve kapitaalstromen te beperken. In tweede instantie kan de taks ook geld opbrengen om allerlei maatschappelijke noden te dekken waarvoor nu geen geld gevonden wordt. Wie enkele jaren geleden met het Tobin-voorstel aankwam, werd in het beste geval vierkant uitgelachen. Het was immers politiek onaanvaardbaar (want een lichte ingreep in de markt) en economisch onhaalbaar. Toen hij in zijn toespraak op Unctad 9 in Zuid-Afrika een Tobin-taks bepleitte, werd toenmalig staatssecretaris voor ontwikkelingssamenwerking Moreels zowat gelyncht door de andere Europese vertegenwoordigers.

De nasleep van de financiële crises heeft alvast het voordeel gehad dat dit voorstel uit de taboesfeer komt en eindelijk wat meer op zijn echte merites wordt bekeken. Heel wat experts zijn het er intussen over eens dat de Tobin-taks (TT) of een van zijn varianten niet meteen het einde van de wereld hoeft te betekenen en dat de obstakels voor de invoering ervan eerder van politieke dan van economische aard zijn.

Het voorstel sluipt toch stilaan binnen in de politieke wereld. In Canada werd er begin 1999 een parlementaire resolutie ten gunste van de TT goedgekeurd. In Brazilië werd er in het parlement over gedebatteerd. In België schreven enkele partijen het in hun verkiezingsprogramma. Op een parlementaire vraag van april 99 antwoordde minister van financiën Viseur, dat hij gewonnen was voor een zware belasting op excessieve speculatie. Hij beloofde de zaak op internationaal niveau te bepleiten bij zijn door de band onwillige collega’s. We zijn er dus nog lang niet. De grote G-7 landen zijn radicaal tegen. Onder druk van de VS kreeg UNDP enkele jaren geleden nog uitdrukkelijk verbod om zich met de studie van de TT bezig te houden. Maar ook de andere grote landen zijn niet bepaald gek op het idee.

De campagnes voor een belasting op speculatieve kapitaalstromen hebben dus nog heel wat werk voor de boeg. Ze steken wel zowat overal ter wereld de kop op. Er is ATTAC dat in Frankrijk begon maar intussen al zijn weg vond naar andere landen. Er is een sterke campagne in Brazilië. De actie van het Halifax-initiative, een Canadees netwerk, leidde tot de parlementaire resolutie in het Canadese parlement. Bij ons werd de TT al aangekaart in de campagne Werk aan de Wereld en er is nu een netwerk tegen financiële speculatie waarbij weer heel wat NGO’s en vakbondsgroepen betrokken zijn. En er is een Belgische en Vlaamse versie van ATTAC, enz.

Deze campagnes bepleiten het invoeren van een TT, maar eisen doorgaans ook een hele reeks andere maatregelen om de financiële sector beter onder controle te krijgen. De TT is immers geen wondermiddel tegen financiële crises. De taks kan wel bijdragen tot een betere greep op speculatieve stromen en heeft in de strijd voor een betere regulering voor de financiële sector ook een hoge symbolische waarde.

De auteur is hoofd van de studiedienst van het Nationaal Centrum voor Ontwikkelingssamenwerking NCOS.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3181   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift