Tijuana: vrouwen op de grens

De grens tussen Mexico en de Verenigde Staten is vanouds een heel geladen plek. Blank en bruin, rijk en arm, Engels en Spaans botsen er met elkaar. De voorbije jaren is er een indrukwekkende economische activiteit gegroeid langs de scheidingslijn die afwisselend ‘The Border’ of ‘La Frontera’ heet. Vrouwen dragen een goed deel van deze groei, maar ook van de lasten die ermee gepaard gaan. Wereldwijd trok naar Tijuana, de stad in Baja California waar dromen en tv-toestellen aan de lopende band geproduceerd worden. Voor de export.
Tijuana is een pretpark. Dagelijks komen tienduizenden Noord-Amerikanen en een groeiend aantal Aziaten er hun Mexicaanse fantasieën uitleven. Margarita-cocktails drinken. Goedkope tequila, medicijnen en folkloristische dekens kopen. Lekker uit de bol gaan en dat een ‘fiesta’ noemen. Het feest begint al op de bus die de bezoekers van de Amerikaanse parking naar de andere kant van de grens brengt. Een lichtjes vals zingende bard brengt populaire ‘Ay ay ay aaaay’ deuntjes en meldt dan zonder gêne dat hij uit is op fooien. De meeste toeristen verlaten de centrale Avenida de la Revolución niet. Twee straten verder word je als blanke nagekeken alsof je ongevraagd door het regenwoud van Yucatán wandelt. Uit alle discotheken klinkt een mengeling van Macarena en mariachi-klanken. Vanaf ‘s middags staan de 23 rijstroken om Tijuana te verlaten richting San Diego vol. Het is leuk in ‘Mexicoland’, maar niet voor lang.

Het is helemaal niet leuk in Tijuana, vindt Udualdo Rodriguez. Hij loopt bij zonsondergang langs de drie meter hoge plaatijzeren muur die hem scheidt van het Beloofde Land. Aan de andere kant wachten zoeklichten en prikkeldraad en de witte jeeps van de sheriffs met dienst. Udualdo liet zijn vrouw en drie kinderen twee weken geleden achter in Acaponeta, diep in het Mexicaanse binnenland. Een beslissing die je niet lichtvaardig neemt, verzekert hij. Vannacht hoopt hij de grens over te steken, maar het is hem aan te zien dat zijn kansen niet groot zijn. Udualdo is de troosteloosheid die over Tijuana hangt in persoon. Hij is te arm om zich de 700 US$ te permitteren voor een ‘georganiseerde’ oversteek, hij heeft zelfs geen geld om eten of een slaapplaats te betalen. Hij heeft geen enkel contact in de VS en geen idee wat hij er kan gaan doen. ‘Waren de levensomstandigheden in Nayarit –zijn deelstaat- niet zo wanhopig, dan zou ik hier niet staan’, zegt hij nog, voor hij zich verder haast. De nacht en de onzekere toekomst in.

Elk jaar plukt de Noord-Amerikaanse grenswacht zo’n anderhalf miljoen Udualdo’s van tussen de struiken en de cactussen. De grens tussen de Derde Wereld en de Eerste Wereld is hier 3380 kilometer lang. Een loon in de VS is -voor hetzelfde werk- al snel het tienvoudige van wat iemand in Tijuana kan verdienen en de grensstreek is wat dat betreft veel beter af dan de zuidelijke staten van Mexico, waar het woord ‘loon’ niet eens aan een inkomen doet denken. Zo’n grens is niet waterdicht te maken. Onder druk van de Noord-Amerikaanse publieke opinie wordt wel een driedubbele muur opgetrokken tussen Tijuana en San Diego en verder oostwaarts ook tussen Ciudad Juarez en El Paso. Dat laat 3000 kilometer over waar je de lijn in het zand kan oversteken. Toch veranderen de tijden. Tot voor kort stonden de Tijuanen met de rug naar Mexico, klaar voor de sprong in het duister. Vandaag is Tijuana zelf voor ruim een miljoen Mexicanen het Land van Ooit. De plek waar mogelijk wordt wat in Oaxaca of Guerrero voor dagdromen doorgaat. De aantrekkingskracht van Tijuana ligt niet meer op de eerste plaats in de nabijheid van California, maar in de ongelooflijke groei van de economie van Baja California zelf. Die dynamiek wordt bijna helemaal gerealiseerd door de zogenaamde ‘maquiladoras’, bedrijven en bedrijfjes die ingevoerde onderdelen assembleren tot eindproducten die allemaal weer uitgevoerd worden. Driekwart van de arbeiders die het maquila-mirakel mogelijk maken zijn vrouwen. Alleenstaande vrouwen vaak, waarvan de mannen ofwel de grens overstaken, ofwel wegens wangedrag door deze vrouwen werden achtergelaten.

DOCHTER VAN DE OCEAAN

‘Als een vis die met duizenden andere vissen van alle kleuren en vormen zwemt in blauw-doorzichtig water, tussen prachtige koralen. Zo voel ik mij. Als een Tarzan die van de ene boom naar de andere slingert, zo zwierig beweeg ik me dan van de ene uitdaging naar de andere.’ Adriana Guadalupe Valenzuela vertelt haar dromen met zichtbaar genot. Ze zijn ook zoveel mooier en makkelijker dan de dagelijkse realiteit in Colonia Murua, de bestofte woonwijk waar haar spaanderplaten huis staat.

Het blauwe droomwater bracht Adriana mee uit Sinaloa, waar ze geboren werd. Haar vader was er visser en landbouwer. De kinderen Valenzuela moesten mee het veld op om te zaaien en te wieden en te oogsten. Toch hebben de herinneringen aan vroeger allemaal een gouden randje : ‘Er was fruit en er waren groenten in overvloed. Soms mochten we een eindje meevaren in het bootje van vader en we leefden met de hele familie samen.’ Haar eigen echtgenoot –ook een visser- zorgde er echter voor dat het geluk niet bleef duren. ‘Hij dronk en verpestte mijn leven en dat van de kinderen.’ Er was heel wat Mexicaanse traditie en katholieke druk nodig om Adriana te motiveren om het vier kinderen lang uit te houden bij haar visser. Maar uiteindelijk is trop ook in Sinaloa teveel. Adriana trok de deur achter zich dicht en vertrok met de pas één jaar geworden Juan Pablo naar Tijuana. Ricardo, Adrian en Magdalena moesten nog een tijdje bij oma blijven. Het was 1982 en grenssteden als Tijuana beleefden gouden tijden. Adriana arriveerde op een maandag en kon op dinsdag aan de slag in de keuken van een zeevruchtenrestaurant.De oceaan verliet haar leven niet.

‘Ik ben nu op een leeftijd dat je niet meer wacht op de liefde’, zegt Adriana, hoewel ze nog geen vijftig is. ‘Ik zou al gelukkig zijn indien ik een man ontmoette met wie te leven valt, een man die een vrouw begrijpt. Maar ofwel bestaan ze niet, ofwel is het mijn eigen achterdocht die ervoor zorgt dat ik hen niet ontmoet.’

Geen geluk in de liefde, dus. Op het meer materiële vlak gaat het Adriana ook al niet echt voor de wind, al heeft ze onafgebroken werk. Sinds 1991 stapte ze over van de horeca naar de maquiladora. Ze werkt nu voor de Amerikaanse meubelmaker Douglas Furniture of California, een maquiladora met zo’n 1500 werknemers. Op het einde van de week, na vijftig uren stoelbekledingen stikken, vindt Adriana 380 Peso’s in haar loonzakje, wat omgerekend neerkomt op ongeveer 33 BEF per uur. ‘Een meer dan behoorlijk loon’, zegt Jaime Cota als ik het hem later vertel, ‘vergeleken bij wat de meeste arbeidsters verdienen.’ Cota is een ex-metaalarbeider die nu een informatiecentrum voor arbeiders en arbeidsters runt. Hij haalt er een stapel loonbriefjes bij van Dae Won, Mabamex en andere maquiladoras in Tijuana. Geen enkel document geeft meer dan 320 Peso’s per week. ‘Er zijn academische studies’, zegt Cota nog, ‘die berekend hebben dat een gezin vijf dergelijke inkomens nodig heeft om te voorzien in alle noodzakelijke uitgaven voor gezondheid, huisvesting, eten, studies, enzovoort.’ Als ik later op de middag een paar foto’s maak van moeder Adriana en dochter Magdalena, vragen ze hoeveel die Nikon F-50 met 28-200 zoomlens en flits met infrarood-afstandsmeter wel kost. Ze grappen dat ze het hele huis wel willen ruilen voor de camera.

DE BAAS IS EEN VROUW

Ondanks de opvallende aanwezigheid van vrouwen op de werkvloer, is het allesbehalve eenvoudig om vrouwelijke managers te vinden in de industrieparken op de grens. Maar ze bestaan. Patricia Ortega bestuurt al zeven jaar ‘Arlequin Industrial’, een klein atelier waar momenteel 38 mensen kinderzeteltjes en babydekens bijeen stikken uit voorgeknipte stoffen, die uit de VS komen. Het is laagseizoen, want in betere tijden werken er wel 100 mensen in deze maquiladora. Mevrouw Ortega betaalt haar arbeidsters –en enkele arbeiders- per afgewerkt stuk. Gemiddeld levert dat voor de overwegend jonge vrouwen zo’n 2000 BEF per week op. De bedrijfleidster wéét dat dit hongerlonen zijn, maar ze heeft geen keuze, zegt ze. ‘Het is werken voor deze lage productiekosten of het is werkloos zijn. Ook voor mij.’ De Mexicaanse wet voorziet in een minimumloon en in een maximumarbeidsduur van acht uren per dag en van zes dagen per week. Er zijn vakbonden en er zijn milieuvoorschriften. Kinderarbeid is verboden bij wet. Op papier ziet de maquiladora-economie er indrukwekkend uit. In de realiteit zie ik een meisje van dertien dat eenvoudig werk zit te doen . ‘Haar grootmoeder werkt hier en ze wist niet waar het meisje anders kon blijven deze namiddag’, zegt Ortega. Ze gaat er verder prat op dat de arbeidsters hier een opleiding krijgen. Maria Morales zou ervan moeten kunnen meespreken. Zij arriveerde heel onlangs uit Chiapas, het diepe Zuiden van Mexico en begon vijf dagen geleden in ‘Arlequin Industrial’. Opleiding? Ze trekt eventjes haar schouders op, blikt in de richting van mevrouw Ortega en gaat snel verder met haar werk. Maria krijgt geen uitleg, maar instructies: hoeveel werk er nog gedaan moet worden. Ik vraag Patricia Ortega of NAFTA -het vrijhandelsakkoord met de VS en Canada- niet zal zorgen voor wat meer speelruimte om betere lonen te betalen. ‘Tot nu heeft NAFTA er alleen maar voor gezorgd dat er méér concurrentie is. Concreet betekent dat een verhoogde druk om de lonen laag te houden.’

EEN MENING IS EEN MISDAAD

Delfina Rodriguez weet alles over lage lonen en ongeoorloofde praktijken. De eerste keer dat ik haar opzoek, is ze te moe om me te spreken. Ze heeft er weer een nachtshift opzitten en is nog niet uitgerust. Later vertelt ze dat ze zich bijna altijd uitgeput voelt, ten einde krachten. Daarvoor is dat eindeloze zwoegen aan de lopende band verantwoordelijk, maar ook haar zeven kinderen die ze alleen moest grootbrengen. Haar echtgenoot stierf toen ze nog in het zuidelijke Michoacán woonde. Haar huidige huis ligt tegen een steile heuvel aan en biedt een prima uitzicht over de oostelijke wijken van Tijuana. Wijken van grijs stof, betonnen snelbouwblokken en daartussen: grote gezinnen met hopen verwachtingen voor de toekomst. De stedelijke autoriteiten hebben nog nooit gevraagd om te betalen voor de grond waarop ze haar huisje ineen heeft laten timmeren, maar Delfina vreest die dag. Ze werkt momenteel voor Deltec, een Amerikaanse firma die computeronderdelen maakt. Ze verdient daar niet het zout op haar tortilla. ‘Met de 200 Peso’s (800 BEF) per week die ik verdien, komen we hier nooit rond’, bevestigt ze. Toch houdt ze van Tijuana. Van de stadse drukte, van de ‘telenovelas’ -soaps- en van het afwisselende eten. En van de anonimiteit. ‘De buren laten elkaar met rust in Colonia Camino Verde en dat vind ik best zo’, zegt ze. De sociale controle van het platteland, daar heeft ze geen behoefte meer aan.

Wordt er nooit geprotesteerd in haar bedrijf, wil ik weten, tegen de (al te) lage lonen, de (al te) lange werkdagen, de (veel te) hoge werkdruk. Is er dan geen vakbond actief in haar bedrijf? Haar antwoord krijg ik de volgende dagen keer op keer, telkens ik dezelfde vraag stel aan andere arbeidsters: ‘Vakbond? Niet dat ik weet. Als er een vakbond bestaat binnen het bedrijf, dan weet ik in elk geval niet welke.’ Ze overtuigt me dat ze te moe is om actie te voeren en om haar vel te riskeren, dat niemand zich met wat anders dan met het pure overleven bezighoudt. Later komt ze echter op de proppen met haar ware verhaal.

Delfina maakte op een behoorlijk onzachte manier kennis met de sociale realiteit van de maquiladora-wereld. Tot vorig jaar werkte ze voor Mabamex, een bedrijf dat in onderaanneming werkt voor Mattel, een speelgoedgigant uit de VS die de kinderen voorziet van allerlei Pocahontas- en Herculesartikelen. Op 9 september 1996 vertrok Delfina naar dezelfde job die ze reeds vijf jaar deed, alleen zaten in haar tas niet enkel een geldbeugel en een spiegeltje, maar ook pamfletten van de ‘Alianca Civica’, een allesbehalve radicale beweging, waarin gesproken werd over het recht van arbeiders en arbeidsters om zich te organiseren. Bij het binnenkomen van de fabriek werd Delfina, samen met drie andere arbeidsters, tegengehouden en een nacht lang opgesloten. Omdat ze ongetwijfeld Zapatistisch was, een wolvin in schaapsvacht, een guerrillera die zich voordeed als een arbeidster. ‘Ik wist niet waar ik het had’, zegt Delfina, die zich voor het eerst echt rechtop zet op de zetel waarop ze haar dagslaapjes probeert te doen. ‘Alsof ik een misdadigster werd, simpelweg door een mening te hebben en daarvoor op te komen.’

In de loop van mijn verblijf aan de ‘Frontera’ besef ik dat deze moeder van zeven een uitzondering is. Een vrouw die haar kost verdient in de maquiladora en tegelijk de moed had om werk te maken van een autonome, sociale beweging. ‘De officieel erkende vakbonden zijn op de eerste plaats geïnteresseerd in hun eigen machtspositie en in de voordelen die een bedrijf kan opleveren voor de vrijgestelden’, bevestigt ook de academicus Alfredo Hualde van het Colegio de la Frontera Norte. Niet zelden wordt een collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten tussen de (buitenlandse) werkgever en een Mexicaanse vakbondcentrale die verbonden is met de regerende PRI-partij, zonder dat ook maar één van de werknemers op de hoogte is van deze overeenkomst.

Haar jongste twee kinderen –allebei energieke meisjes- hebben de schoot van Delfina opgeëist. Ze weten dat hun moeder straks weer naar de fabriek moet vertrekken en dat zij dan braaf moeten slapen. Geen zin in, zoveel is duidelijk. ‘Als er in Tijuana ooit iets zal veranderen ten voordele van de gewone arbeiders, dan moeten we het niet uit syndicale hoek verwachten’, weet Delfina nog te vertellen voor ze helemaal door familiale verplichtingen wordt opgeëist.

LOOD, CHROOM EN CREATIVITEIT

Donderdagochtend. Tijuana is warm en lawaaierig, zoals elke ochtend, namiddag en avond. Ik sta, samen met een twintigtal Tijuanen, op de stoep van het stedelijk agentschap voor milieuzorg. De mensen van de wijk Chilpancingo hebben allemaal een groot stuk karton vast, waarop ze de vergiftiging van hun leefmilieu aanklagen. Er volgt een beleefde uiteenzetting van de beambte, die -voorspelbaar- zegt dat hij niet bevoegd is. Wijkcomité-voorzitter Maurilio Sánchez Pachuca maakt zich nog kwaad voor de tv-camera’s en trekt dan met zijn delegatie vrouwen en kinderen terug naar huis.

Thuis, dat is voor de mensen van Chilpancingo de trieste straatjes van hun wijk die gelegen is tussen de bedrijven. Chemische bedrijven, plastic-fabrieken, afvalverwerkende ondernemingen. Twee weken geleden brandden de gebouwen van ‘Pacific Treatment’ af, waarbij zwaar toxische dampen over de wijk waaiden. Ik probeer het bedrijf te bezoeken, maar word buiten gehouden door een stel bewakers. Tegenover de verkoolde resten van Pacific Treatment staat een andere, vervallen en verlaten hangar. Hier recycleerde een ander Noord-Amerikaans bedrijf, Alco Pacifico, gedurende vele jaren batterijen en andere gevaarlijke goederen. Hier kan ik zo op de bedrijfsterreinen. Wie zin heeft, kan met de schop een kruiwagen zware metalen mee naar huis nemen. Onder gescheurde plastic zeilen ligt lood- en cadmiumafval, in doorroeste vaten staat chroomafval. Ook wie er geen zin in heeft, krijgt de dodelijke smurrie toch thuis bezorgd: daar zorgt de wind wel voor. De eigenaars van Alco Pacifico zijn met de noorderzon vertrokken, de bedrijfsleiding van Pacific Treatment wordt ervan verdacht de brand zelf aangestoken te hebben om zo af te geraken van al het illegale afval dat ze opgestapeld had. Geen wonder dat de buren van deze gifplaatsen op de stoep van de milieuautoriteiten staan. Wijkcomités met milieueisen zijn trouwens actiever en populairder in Tijuana dan vakbonden. ‘Zolang iemand arbeidster is, kan zij meteen ontslagen worden als zij wantoestanden aanklaagt. Zodra ze buurtbewoonster is en actie voert tegen een ander bedrijf dan hetgene waar ze werkt, is ze veel minder kwetsbaar. Dat hebben veel mensen in Tijuana intussen begrepen’, zegt Reyna Montero van de vrouwenorganisatie Grupo Factor X. ‘Mensen hebben intussen wel geleerd om creatief te zijn, niet enkel in hun pogingen om goed te overleven, maar ook in hun woede en verontwaardiging.’

ZUSTERS VAN DE ZON

Bij een ander bezoek aan Chilpancingo passeer ik langs stapels afval: een half verrot paardenlichaam, ziekenhuisafval -inclusief gebruikte naalden-, huishoudafval. De hele ellende ligt te roken langs de weg. Een oudere man en een kind zoeken uit wat bruikbaar of verkoopbaar is. De bestaande milieuvoorschriften werden door het in werking treden van NAFTA nog versterkt. De toepassing van een en ander is echter onbestaande. Bureaucratische ondoorzichtigheid wordt in Mexico op onnavolgbare wijze gekoppeld aan brutale corruptie. In de kranten verschijnen schrijnende berichten over fatale vroeggeboortes en misvormingen van de foetussen. ‘Autoriteiten sluiten de ogen voor problemen. Vervuiling van Chilpancingo veroorzaakt 37 gevallen van anencefalie en 14 misvormingen’, titelt El Mexicano eind juli. Anencefalie, dat staat voor een baby die bij de geboorte een deel van de hersenen of van het schedeldak mist. Een organisatie als Factor X houdt zich daarom niet enkel bezig met sociale rechten en syndicale organisatie, maar ook met de rechten van de vrouw als moeder, met de gezondheid van het gezin, met het milieu in het algemeen. ‘Tijuana is één van de meest vervuilde steden van het land’, zegt Reyna Montero. ‘Kinderen blijken in de grensstreek een lager geboortegewicht te hebben dan in de rest van Mexico. Talloze arbeidsters hebben een onregelmatige cyclus, wat vooral te wijten is aan de toxische stoffen waarmee ze -onbeschermd- moeten werken. Als ze klachten hebben, krijgen ze een aspirientje.’

Vrouwen op de grens zijn voor de fabriekseigenaars arbeidsters -of beter nog: ze zijn gegeerd omdat ze goedkope handenarbeid leveren en geen vervelende looneisen stellen. Liever Mexicaanse plattelandsmeisjes dan Noord-Amerikaanse industriearbeiders, zoveel is zeker. De foldertjes die Noord-Amerikaanse, Koreaanse of Japanse bedrijfsleiders moeten verleiden om te investeren aan de Mexicaanse kant van La Frontera beloven ‘een vriendelijk onthaal, zoals de missionarissen vroeger ook reeds aantroffen in deze streek’. Jaime Cota, die het foldertje voorleest, gelooft nog steeds zijn eigen ogen niet als hij de woorden ziet staan. ‘Zo open en bloot toegeven dat het hier gaat om een nieuwe kolonisatie, dat is toch onvoorstelbaar’, zegt hij. Vrouwen op de grens zijn voor zichzelf op de eerste plaats vrouw, moeder, dochter, echtgenoot, zuster.

Ik ben zelf nooit een zus geweest, maar ik stel me de innigheid en de woordeloze communicatie tussen zussen voor als twee lachende, jonge moeders die elkaars verhaal met gemak vertellen en aanvullen, alsof ze gewoon de luier van elkaars kinderen verversen. Sofia en Corina Solache Mendiola zijn twee zussen. Ik kwam, onaangekondigd en dus onverwacht, om met Sofia te praten over haar leven in de wijk Chilpancingo en over haar werk bij Mexhon Honeywell. Ik kreeg er Corina bij. Ja, ze hebben gehoord dat er milieuproblemen zijn in de wijk, maar kijk -ze tonen baby Perla Sofia en kleuters Dania en Julián: ‘We zijn gezond en de kinderen zien er goed uit, toch?’ Zoals zoveel mensen op de wereld spannen de Mendiola’s zich in om het evidente niet te erkennen. ‘Kijk maar naar de lucht. Blauw. Kijk maar naar de zon. Warm.’ Ik antwoord met: ‘Kijk ook eens naar de aarde. Grijs. Kijk naar de bomen. Kaal. Kijk naar de statistieken. Zwart.’ De zussen kijken elkaar aan, schieten in een lach en offreren me een glas fruitsap. Het leven is zo al moeilijk genoeg, waarom zouden ze zich nog allerlei zorgen laten aanpraten door een vreemdeling? Of ik nog iets wil weten? Ja, ik wou graag weten wat geluk voor hen betekent. Het gegiechel valt stil. ‘Geluk? Dat is ver weg’, mijmert Sofia. ‘Geluk’, vult Corina aan, ‘dat is voor mij leven met een man die van mij houdt en lief is voor mij. Dat is genoeg geld verdienen om de studies van mijn kinderen te betalen. Dat is die kinderen zien opgroeien zonder de problemen die ik al allemaal heb meegemaakt.’ Op het gebloemde tafelkleed liggen enkele blaadjes die alles beloven wat deze twee alleenstaande moeders zich kunnen wensen: romantiek, mooie interieurs, roem. Een beetje verlegen wijst Sofia naar de lokale versie van de Story. Geluk.
Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur