Toeters en trompetten. Muzikale oorlog in de Balkan

Driehonderdduizend mensen die drie dagen lang van muziek en liefde (en drank) leven, dat was Woodstock, toch? Neen, dat is Guca. In dat Zuid-Servische stadje vindt jaarlijks een gigantisch brassbandfestival plaats, waarbij Roma en Serviërs uit één kelk lijken te drinken. Achter het bacchanaal schuilt echter een dieper verhaal. Salvatore di Rosa dook voor MO* diep in de tuba.
Luide explosies weergalmen in de dichte mist. Vanuit de verte weerklinkt opzwepende trompetmuziek door het dal. De straten van het stadje liggen deze ochtend bezaaid met afval, lege flessen, etensresten en verloren kledingstukken. Terwijl de trompetten steeds dichterbij klinken, loopt een twintigtal beschonken mannen voorzien van bierflessen en een grote Servische vlag naar het centrale plein.
Het is precies zeven uur als uit de vier straten die op het pleintje uitgeven evenveel brassbands uit de mist opdoemen. Elke fanfare speelt zijn eigen stampende deun en de trompetten, tuba’s en trommels produceren een volume waar een voltallige rockband niet aan kan tippen. De muzikanten, met hun gitzwart glanzend haar en smetteloos witte hemden, houden halt aan de zijkant van het plein en richten hun trompetten op de concurrenten aan de overkant, alsof ze die letterlijk proberen weg te blazen. Vijf minuten lang weerklinkt een loeiharde kakofonie, waarna ieder groepje het marktplein oversteekt, langsheen het standbeeld van de trompettist, en het stadje weer uitloopt. De muziek verstomt in de verte. Guca is wakker.

Ieder met zijn hymne


Het ritueel herinnert aan de tijd dat de trompet zijn intrede deed op dit deel van de Balkan, toen varkensfokker en bendeleider Djordje “Karadjordje” Petrovic in 1804 de eerste Servische opstand tegen de troepen van de Ottomaanse sultan leidde. Toen werd het van oorsprong militaire blaasinstrument gebruikt om de soldaten te wekken en het startsein te blazen bij een veldslag. Tegenwoordig schalt het koper in de Servische bergstreek Dragacevo voor een vreedzamer doel: drie ochtenden per jaar worden de inwoners en bezoekers van het stadje Guca uit de veren geblazen voor een bacchantische marathon, met koperblazers in de hoofdrol.
Al 42 jaar komen in het laatste weekend van augustus de beste brassbands van Servië naar Guca voor de jaarlijkse “Dragacevski Sabor Trubaca”, een traditionele ontmoeting van trompettisten, genoemd naar deze bergstreek in het westen van de Joegoslavische deelrepubliek. Nadat het evenement het communisme, de economische crises en de Balkanoorlogen van de jaren ‘90 overleefde, is het uitgegroeid tot het grootste brass-festival ter wereld. Het hoogtepunt van het formele programma is een concours waarbij de 21 beste brassbands uit het land, geselecteerd in een halve finale op de berg Zlatibor, strijd leveren om de felbegeerde Eerste of Gouden Trompet, de hoogste prijs in dit genre.
Daarnaast is het festival vooral een bijzonder wild volksfeest, waarbij het eigenlijke podium het hele dorp bestrijkt. Drie dagen en drie nachten lang wordt het 3500 zielen tellende Guca op stelten gezet door zo’n vijftig knetterende brassbands. Het onvermoeibare geschal van tuba’s en trompetten maakt de straten, feesttenten, cafés en restaurants tot dampende heksenketels, terwijl tienduizenden muziekliefhebbers en nachtbrakers allerhande indrukwekkende hoeveelheden drank wegspoelen, vele kilo’s geroosterde speenvarkens en zuiglammeren verorberen en op de tafels dansen tot in de vroege uurtjes. Vorig jaar werd een recordaantal van driehonderdduizend bezoekers geteld.

Servische helden


Het festival wordt op vrijdagmiddag ingezet met een paar forse dynamietknallen, waarna in het stadion van Guca de verzamelde orkesten - zo’n tweehonderd koperblazers - de officiële hymne Sa Ovcara i Kablara aanheffen. (Van de Ovcar en de Kablar, twee bergen in Dragacevo). ‘Je kunt dit lied twintig kilometer verder nóg horen en het geluid is zo hartverwarmend, het gaat zo diep, dat je je polsen zou willen oversnijden’, zegt de extatische Miodrag Tadic, een jurist uit Belgrado die hier geboren is en er elk jaar bij is. ‘En niet over dwars hè, maar in de lengte’, verduidelijkt hij met een demonstratieve beweging over zijn linkerpols.
Het centrum van Guca is intussen getransformeerd tot een feestelijke braderie waar de meest uiteenlopende zaken worden aangeboden: van houtsnijwerk, illegaal gekopieerde CD’s en messensets tot grasmaaiers en Yugo-onderdelen. Aan tientallen eetkramen en cafés staan lange rijen spitten met speenvarkens en zuiglammeren. In de vele tenten vloeit rijkelijk wijn, bier, maar vooral de lokale sterke pruimenjenever sljivovica.
Ratko Mladic, Radovan Karadzic en Slobodan Milosevic  ooit liepen ze hier nog in hoogsteigen persoon rond. De Bosnisch-Servische generaal en zijn ex-president mogen vandaag dan al op een onbekende schuilplaats toeven en de voormalige president van Joegoslavië in het Penitentiair Complex van Scheveningen, hun gezichten figureren hier op tal van T-shirts, badges, aanstekers en foto’s met opschriften als Servische held, Jammer dat ik er niet bij kon zijn en Carla, ik zit in Guca. De verkoper kan de verbazing van een buitenlandse bezoeker over zijn koopwaar niet begrijpen. ‘In Amerika dragen ze toch ook onderbroeken met de Stars and Stripes?’

Time of the Gypsies


Zoals Boban Markovic, die hier al vijftien jaar een begrip is. Markovic, meervoudig winnaar van de Gouden Trompet, dankt zijn buitenlandse roem vooral aan zijn bijdrage in de filmmuziek van de Bosnisch-Servische componist en ex-Joego-rocker Goran Bregovic. Die muzikale uitstapjes gaven Markovic de mogelijkheid om zijn muziek te moderniseren en te verrijken met ingrediënten uit de funk, klezmer en ska. Het resultaat was heel wat anders dan de “pure” muziek die de conservatieve jury van Guca wilde horen: de Kolo en de Cocek. Het eerste is een hoempapa-ritme voor een rondedans uit de streek, die vooral wordt gespeeld door de witte, etnisch-Servische, fanfares. Die fanfares zien echter al jaren de Gouden Trompet aan hun neus voorbijgaan.
De cocek, een melancholisch maar opzwepend buikdansritme met sterke Oriëntaalse invloeden en een wisselend tempo vol onverwachte accenten, wordt door de zwarte koperblazers, de Roma uit de streek rond de Zuid-Servische stad Vranje, gespeeld. Markovic maalde er niet om, om met de jury in de clinch te gaan om “zijn” muziek te kunnen spelen in plaats van de door de jury opgelegde traditionele kolo’s en coceks. ‘Die tijd is voorbij’, vertelde hij ons en daarmee doelde hij op de tijd dat Tito hier de spelregels bepaalde  en voornamelijk militaire marsen wilde horen ter verheerlijking van zijn persoon en zijn socialistisch experiment Joegoslavië. Een tijd, met andere woorden, dat artistieke vrijheid niet bepaald hoog op het programma stond.
Vorig jaar was Markovic er niet meer bij. Hij verdient nu geld waar de andere alleen van kunnen dromen en hij vindt dat het ‘het tijd is dat anderen de kans krijgen’. ‘Let op Elvis’, voegde hij er nog profetisch aan toe. ‘Die gaat het maken.’
Elvis Ajdinovic zit op een zonnige zaterdagmiddag op een stoffig trottoir aan een van de invalswegen in Guca. De ‘Jonge Meester van de Cocek’, zoals hij hier genoemd wordt sinds hij in 2000 op 19-jarige leeftijd de jongste Gouden Trompet-winnaar ooit werd, wacht er tot de grote processie van start gaat, waarin alle deelnemende groepen uit Servië, Macedonië en Montenegro in traditionele klederdracht door de straten van Guca trekken.
Ajdinovic ziet er afgepeigerd uit, en zijn collega heeft de lippen vol blaren staan die hij insmeert met sljivovica van 50% alcohol . ‘Het is zwaar, ieder jaar weer’, zucht de getalenteerde trompettist. ‘Maar we mogen dit niet missen. We moeten dit jaar weer winnen, want ik wil naar Europa.’ Ajdinovic hoopt nog altijd op het “Markovic-effect”. De Gouden Trompet is meer dan een statussymbool alleen, de hoofdprijs is bijna een verplicht diploma geworden, wil je verder komen in dit genre. Ajdinovic ziet de trofee als een poort naar volle zalen in Hongarije en Oostenrijk, en - nog lucratiever - naar de dagenlange trouwfeesten van welvarende Roma en Serviërs in de noordelijke provincie Vojvodina. ‘Die bruiloften kunnen zo’n 20.000 euro opbrengen, maar voor dat geld blazen we dan ook zonder klagen dagenlang non-stop door. Daarbij vergeleken is Guca niet meer dan een opwarmertje’.

‘Dronken idioten’


Het pleintje rond de kerk, de Porta, is het middelpunt van het rauwere feesten. In de grote tenten en cafés, de kafana’s, komt de muziek letterlijk van alle kanten tegelijk. Honderden muzikanten verzamelen zich hier om bij te dragen aan de absurde kakofonie van coceks en kolo’s.
Uit een van de tenten komt een enorme basdrummer met zijn slagwerk doodmoe naar buiten gestrompeld. Het is Sinisa Alisanovic, een zigeuner uit het zuidelijke dorp Vladicin Han. ‘Ik heb al twee dagen bijna niet geslapen’, zegt hij. De man heeft er duidelijk de pest in: “Al die dronken idioten. Elk jaar wordt het hier erger: het publiek is slechter, de sfeer in de kafana’s is agressiever en de organisatie wordt autoritairder. Je moet eens gaan kijken hoe ze ons in zo’n tent behandelen. Wij zullen altijd vieze zigeuners blijven. Terwijl wij juist het culturele geheugen van andere volkeren zijn. Wij nemen hun muziek in ons repertoire op en spelen die voor hen. Daarvoor moeten ze ons dankbaar zijn. Guca zou zonder de Roma niet meer dan een feest voor nostalgische oudjes zijn’.
‘Roma worden bijna nergens als professionele muzikanten gezien, alleen als er geld aan ons te verdienen valt - dan is het meneer hier en meneer daar.’ Hij heeft het vooral over Goran Bregovic, die voor zijn soundtracks de diensten van Zuid-Servische zigeuners inriep, en hun daarvoor ‘een grappig bedrag’ betaalde. ‘Nu is Bregovic miljonair in Parijs en staan wij nog altijd voor kruimels tussen de zwetende zatlappen te spelen.’ Met veel moeite staat de zwaarlijvige Alisanovic op en vertrekt met zijn trommel en de rest van zijn band op zoek naar een paar vierkante meter onder een tentzeil waar nog wat geld te verdienen valt aan feestende Serviërs.
Zodra we het tentdoek openslaan, belanden we temidden van het lumpovanje. Het woord betekent letterlijk zoiets als “de boel op stelten zetten”. Hier is het synoniem voor een ritueel van dronkenschap, zigeunermuziek, obscene gezangen, verspilling en een algehele verwerping van burgermansfatsoen. Wat we zien, is een rokerige, rumoerige en volgepakte boel, waar boeren, zakenmannen, traditionele Servische opa’s met indrukwekkende snorren, hooligans en cultuurliefhebbers samenzitten aan lange tafels die doorbuigen onder het vers gegrilde vlees, de flessen wijn en bier en limonadeglazen vol sljivovica.

Geld, geld, geld


De meeste van deze kafana’s hebben een min of meer bekend orkest gecontracteerd, dat voor een soort muzikale basislaag zorgt in wat verder een voor leken nauwelijks te harden kakofonie is. Er zijn immers nog de tientallen Roma-bands die als met oude tuba’s gewapende bendes van tent naar tent trekken op zoek naar een slachtoffer met dinars. ‘Cigo!’ roept zo iemand dan, een volks koosnaampje voor zigeuner, of hij steekt gewoon zijn arm op, waarna onmiddellijk het gewenste nummer wordt ingezet. Soms spelen in één tent wel vijf bands tegelijk. Bankbiljetten worden in hongerige koperen kelken gepropt, achter de oren van de trompettisten, of op hun bezwete voorhoofden. “Echte mannen” proberen hun disgenoten te overtreffen door nog meer nummers aan te vragen en nog meer te betalen. In Servië bedraagt het gemiddelde inkomen 50 euro, maar vandaag mag het allemaal op. Een enkeling heeft er zoveel geld voor over dat hij een zigeunerfanfare huurt voor een hele avond, die hem dan tot in de ochtend moet volgen van café naar café, tot zelfs in de wc.
Een breed geschouderde Serviër trekt een stapel bankbiljetten uit zijn zak, klimt op een tafel, roept de titel van een zigeunerballade en propt geld in de tuba. Zes blazers richten hun koper naar de Serviër alsof ze de inhoud van zijn hersenpan willen wegblazen. Met zijn armen gespreid, het hoofd in de nek en gesloten ogen kermt de man het uit van genot: ‘Joojjj!’ Twintig meter verder bestelt een andere klant een kolo. Armen worden in elkaar gestoken en een stampende rondedans begint. Bij iedere nieuwe ronde krijgen de Roma-muzikanten extra geld toegestopt zodat ze vooral niet stoppen met spelen. ‘Meso, majstro!’ (Vlees, maestro!) roept iemand achteraan in de hoek, en even later laveren magere kelners met volle dienbladen versgebraden lam en speenvarken behendig tussen de muzikanten en klanten door. In een andere hoek begint een jonge vrouw in een witte jurk op tafel te dansen, een extatische glimlach op haar bezwete gezicht. Met gespreide armen schudt ze wild haar bleke schouders en heupen op het ritme van de cocek. Een dikke Rom blaast op zijn tuba haar rok omhoog, de eerste en tweede trompettist, ook op tafel, spelen in haar ene oor, terwijl aan de andere kant een saxofonist staat te kronkelen als een bezworen slang. De vrouw klapt in haar handen als het tempo wordt opgevoerd en de menigte wordt zo mogelijk nog uitzinniger.
Het lijkt of in deze sfeer van uitbundigheid en overdaad iedere mogelijke grens overschreden kan worden. Maar van vecht- en schietpartijen zoals die in Servische zigeunerbars al zijn voorgevallen, is hier geen sprake. Ondanks de alcohol, de uitzinnigheid en het rumoer blijft iedereen in opperbeste stemming. Alleen de zigeuners zien er doodvermoeid uit, hun kletsnatte haar plakt op hun voorhoofd en hun rauwe lippen staan op springen. Drie dagen lang blazen ze praktisch aan één stuk door. ‘Geld, geld, geld  dat hebben we nodig’, roept een van de trompettisten euforisch. Het is duidelijk: de gemiddelde Serviër is het nachtleven intens toegewijd. Liederen over vrouwen, passie en kapotgegane relaties, verzopen in diepe glazen drank en overstemd door het oorverdovende geknal van kapotgeslagen glazen en flessen. Een bacchanaal om ‘u’ tegen te zeggen.

De barbaar van de Balkan


“Enclaves van theatrale wildheid”, noemde de Nederlandse cultureel antropoloog Mattijs van de Port de zigeunerkafana’s in zijn baanbrekende studie Gypsies, wars and other instances of the wild. Van de Port trok in 1990 naar de Noord-Servische provincie Vojvodina om te onderzoeken waarom de plaatselijke Servische bevolking, die in het dagelijkse leven de zigeuners met de nek aankijkt, ‘s avonds naar groezelige zigeunercafés gaat om zich daar in bacchantische toestand te laten amuseren door deze marginalen van de samenleving. De Nederlander constateerde al snel dat het gebrek aan sociale omgang tussen deze twee groepen in scherp contrast staat met het leven in een kafana. De Serviërs trekken ‘s nachts naar de uiterste grens van hun samenleving om naar zigeunermuziek te luisteren en in benevelde toestand de muzikanten te fêteren die ze overdag met de nek aankijken.
Voor Van de Port was het een bekend thema: de vlucht uit het benauwde bestaan van alledag naar een toevluchtsoord waar mensen hun hunkering naar de rauwere kanten van het leven kunnen bevredigen, het zigeunerkamp als een onweerstaanbaar dromenland. Volgens de antropoloog spelen de “wilde zigeuners” in de collectieve fantasieën van de Serviërs een opmerkelijk grote rol. De zigeuners zouden bepaalde aspecten vertegenwoordigen die de Servische maatschappij heeft verdrongen, omdat ze beschaafd, modern en Europees wil zijn. Zoals folklore bijvoorbeeld, een gegeven dat aan elkaar hangt van elementen die niet-Westers, niet urbaan en daardoor potentieel primitief zijn. ‘Mensen willen niet meer zijn wie ze geweest zijn, ze schamen zich er zelfs voor’, aldus Van Port. ‘Diep in hun hart hebben ze dan wel liever varkensvet op brood dan een plakje kaas en liever Turkse koffie dan espresso. Maar dat past niet bij een beschaafde Europeaan. De Serviër gaat in de kafana dus eerder zich zelf opzoeken, dan de zigeuner.
Van de Port’s onderzoek naar het zelfbeeld van de Servische samenleving kreeg onverwacht een luguber duwtje in de rug, toen op 26 juli 1991 de eerste tanks over de Sloveense wegen en in de straten van de hoofdstad Ljubljana rolden. In november 1991 werd het volledig verwoeste Vukovar door het volksleger bezet. Een jaar later barstte het geweld in Bosnië los. De wildeman, de barbaar van de Balkan was terug. Vijftig jaar na de plechtige belofte “Nie wieder” waren moord en verkrachting, concentratiekampen, etnische zuivering en volkerenmoord terug van weggeweest. De Serven hebben altijd in staten en politieke systemen geleefd die werden geïnstalleerd met bloed en weer weggevaagd met bloed. En nu werd de idee van “Broederschap en Eenheid” door nieuwe stromen bloed weggespoeld. Oorlog is en was voor een Serviër niets anders dan de enige zekerheid tussen alle onzekerheden.

Het schijthuis van Europa


In deze nieuwe situatie stuitte Van de Port op opmerkelijke parallellen tussen de levensmoraal in de kafana’s en de moraal van de oorlog. Net als in de kafana verliest de rede ook in de oorlog steeds meer terrein. In de kafana is ‘geen beheersing maar vervoering; geen matiging maar exces; geen spaarzaamheid maar verspilling; geen helderheid maar roes; geen rede maar gevoel; geen gehoorzaamheid aan regels, verboden en taboes maar een opzettelijke schending daarvan; (…)’ De oorlog bezorgde veel mensen het gevoel dat “het geheime leven” dat de zij in de kafana leidden nu in de ergste vorm kwam bovendrijven. Wat zij al die tijd hadden willen verbergen in een groezelige kroeg, kon de hele wereld nu op de televisie met eigen ogen zien. Van de Port: ‘Maar het nieuwe bloedvergieten, de verwoestingen en de emoties die in de loop van de zomer van 1991 het nieuws gingen beheersen, leken het vroeger grotendeels verborgen verhaal over deze wereld als zijnde “de Balkan” naar de oppervlakte van het openbare leven te stuwen.’
En aan deze “ontmaskering” blijft het Westen de Serven tot op de dag van vandaag herinneren. Of zoals de Nederlandse dichter Serge Van Duijnhoven het in juli 1999 in de Groene Amsterdammer verwoordde: ‘Servië is een Europees gebied in quarantaine, synoniem voor alles wat duister is, waar de mensen niet zoals wij zijn. De Balkan is voor ons een gebied van heethoofden, primitievelingen, fanatici en uiterst ruwe bergbewoners. […] Daardoor voelen de Serviërs zich door West-Europa grandioos onbegrepen, in de steek gelaten en vernederd. […] Brussel mag grootmoedig beweren dat het huis van Europa vele kamers telt, de Balkan moet voorlopig genoegen nemen met het schijthuis. De beerput in de achtertuin. Waar je liever niet komt, tenzij het strikt noodzakelijk is.’
Rond de verfoeide zigeuner wordt een imaginaire wereld geweven, stelt Van de Port, en daarin zijn drank en duisternis, passie en tijdelijkheid onmisbaar. Die schimmige realiteit dient uiteindelijk als een soort schuilplaats, waar de Serviërs naartoe kunnen vluchten met hun niet uitgesproken oorlogservaringen en met hun trauma’s over het beeld dat de wereld over hen heeft. Om de zaken die achter de beschavingsdiscussie liggen -de taboes, de verzwegen dingen- zo nu en dan eens op te zoeken, biedt de kafana een welkome mogelijkheid.
Maar als de nacht in de dag verandert, dan is de terugkeer naar de normale wereld onvermijdelijk. Ook al is het iets waarop men zich niet verheugt, volgens dit Servisch lied dat in de zigeunerkafana’s gezongen wordt: ‘Ik ga naar huis, het wordt al dag / mijn vrouw schreeuwt uit het raam / zwijg vrouw, klets niet / ik snijd je tong er nog eens af’.

En de winnaar is…


In Guca moest het belangrijkste nog komen: de tweekamp, op zaterdagavond in het stadion, waarbij in een opeenvolging van explosieve concerten telkens twee bands het tegen elkaar opnemen. Een nacht op het voetbalveld die eindigt in de kafana.
De belangrijkste dag van het festival, waarop Elvis Ajdinovic de finale zal winnen, breekt aan: terwijl een nieuwe tankwagen bier aanvoert en zigeunerinnen hun lange haar wassen in het vervuilde riviertje, gaan afgepeigerde trompettisten met gebogen hoofd op zoek naar een de legerbrits voor enkele uurtjes broodnodige slaap. Oorlog is een vermoeiende bezigheid.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2848   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift