Transitmigranten aan de Belgische kust

Verboden mensen

De lente, hoe koud en nat ook, brengt elk jaar een nieuwe toestroom van transitmigranten naar Oostende, op weg naar het eldorado aan de andere kant van het Kanaal. Het “probleem” van de trekmigratie is bekend, de menselijke verhalen erachter minder. Tine Danckaers trok in regen en wind naar Oostende en Duinkerke.

  • MO*/Tine Danckaers Wachten op een douche: de broer van Youssouf (14), Youssouf zelf (15) en Suleiman (15). MO*/Tine Danckaers

 Stad en zeedijk hebben zich gehuld in een grijs dat de Oostendse schilder Leon Spilliaert in zoveel tonen vastlegde. Maar deze dagen begin mei wil de grauwe mantel zelfs geen variaties op een thema toelaten. De einder is vervaagd. Strand, Noordzee en regenlucht lopen naadloos in elkaar over: een vale muur tussen het vasteland en het Britse eiland. Alsof de wereld hier stopt en België de laatste halte is. Het schip dat dwars door de grijze muur de havengeul binnenvaart, bewijst echter dat de aarde ronder is dan we denken, zeker in een havenstad als Oostende.

De haven is tegelijk het gouden en rotte ei van Oostende. Ze maakte haar tot een belangrijke handelspoort tussen Groot-Brittannië en Centraal-Europa. Maar de zeepoort is ook een magneet voor honderden mensen per maand die klaarstaan om illegaal over te steken naar het imaginair warme Engeland.

De transitmigranten vormen een doorn in het oog van de stad. Mensen zonder geld en wettig verblijf die geen kleren, dekens, eten en drinken hebben, stelen dat desnoods: overlast uit noodzaak. Ook na actieplannen die een betere coördinatie met Brussel en de Dienst Vreemdelingenzaken inschreven en met de huidige ontradingsaanpak, bleven de migranten komen. ‘Dweilen met de kraan open’, noemt politiekorpschef Philip Caestecker het. Tegelijk probeert het Oostendse Centrum Algemeen Welzijnswerk als enige onthaalcentrum aan de kust te bieden wat de migranten niet hebben: eten, drinken, een douche en vooral menselijkheid. Allemaal gratis. ‘Te weinig. Een druppel op een hete plaat’, noemen ze het daar.

(Z)onderdak

‘Als ik niet via een vrachtwagen de boot op geraak, vaar ik met een bootje van papier naar Engeland. Met het aantal bevelen om het land te verlaten dat ik verzameld heb, heb ik zo mijn boot gevouwen’, grijnst de Algerijn ‘sans-nom-on-sait-jamais’. Hij stapte met een collega-transmigrant uit de kusttram en sprak me aan omdat hij me bij de voedselbedeling zag. ‘Je bent journalist. Dat is goed!’, roept hij. ‘Schrijf maar op dat we niet gewenst zijn maar ook dat we hier niet wensen te blijven. We willen naar Engeland, daar doen ze niet zo moeilijk en daar is werk.’

Dat migranten die in Ramsgate of Dover geraakten, intussen terugkeerden naar het Europese vasteland omdat hun droombeeld in werkelijkheid te veel foutmarges bevatte, weet hij niet. De mensen die ik spreek in Oostende en later in het Franse Duinkerke hebben elk hun eigen droom. Niet iedereen wil per se naar Engeland. Eén gemeenschappelijk verlangen overheerst: iedereen wil uit deze ‘shit’, uit de miserie. Je zou voor minder. Sinds de Oostendse overheid besloot om over te schakelen op de ontradingsaanpak om de transitmigranten uit de stad te weren, is het aantal “veilige slaapplekken” gedaald. Ze slapen en bewegen zich nu in groepjes van drie personen, in de hoop zich zo nog meer onzichtbaar te maken voor de stad, haar bewoners en de politie.

Vandaag is het Oostendse “Bosje”, het Maria-Hendrikapark waar in het verleden veel buitenlandse zwervers vertoefden, opgeschoond. De politie controleert er regelmatig, wil dat het park opnieuw van de Oostendenaars is. Wie geen papieren heeft, wordt opgepakt, 24 uur opgesloten en weer vrijgelaten met het bevel het grondgebied te verlaten. De transitmigranten verplaatsten zich bijgevolg in kleine groepjes naar kraakpanden rond en in het havengebied: oude pakhuizen, seinhuisjes. Maar ook leegstaande woningen verder weg van de gegeerde haven dienen als slaapplaats.

De panden die Hamid Hisari, intercultureel bemiddelaar bij het CAW, me toont, zijn verlaten rond dit uur. We bezoeken het huis waar de “new arrivals” in Oostende terechtkomen: een bouwval dat halve vuilnisbelten herbergt: afval van bananenschillen, lege drankblikken, verbrande etensresten en ander voedsel, kleren, schoenen, een eenzame verlaten koffer. Sporen van menselijke passage, dat wel, maar het is nauwelijks te geloven dat in het welvarende België van 2012 mensen hier hun onderkomen moeten zoeken. Andere panden zijn er nauwelijks beter aan toe.

Onderweg pikken we een Algerijnse man op, hij toont ons een van de nieuwere kraakpanden, net iets verzorgder dan de andere. Alleen, de politie viel hier de vorige nacht binnen, een paar dekens zijn stukgebeten door politiehonden. Sommige plekken kunnen we moeilijk bereiken, het zijn versterkte mini-burchten met ingenieuze systemen om binnen te geraken. Wat overheerst is de kou, het vocht en het vuil, en vooral: het contrast met de welvarende samenleving daarbuiten.

Honderd mensen, honderd dromen

Een douche. Dat is het eerste wat de Marokkaanse Suleiman (15), Youssouf (15) en diens jongere broer (14) willen. Maar het is namiddag, het inloopcentrum of onthaalcentrum van het CAW is nu niet toegankelijk voor de transitmigranten. Toen het inloopcentrum in 2008 met de nieuwe doelgroep –mensen zonder papieren– overrompeld werd, bleven de Belgen weg. De cultuurkloof bleek te groot, er waren spanningen, oudkomers voelden zich verdrongen door de nieuwkomers. Vier jaar later is de voormiddag voorbehouden voor de papierlozen, de namiddag voor de Oostendenaars.

De jongens zijn vuil, hebben honger en komen net terug van een nachtje cel bij de politie. Met een briefje van het CAW kunnen ze toch een gratis douche nemen in OCMW-dienstencentrum De Boeie. Youssouf is een oude bekende. Hij vertelt, in vloeiend Engels, dat hij uit Marokko en zijn armoedig leven wegliep toen hij elf jaar was. Hij trok door Europa, verbleef drie jaar geleden al in Oostende, trok dan toch door naar Engeland, en leefde tot voor kort in een onthaalgezin via Foster Parents. Wat hij hier doet terwijl hij ginder een dak had, en er schoolliep? ‘We wilden naar Canada’, luidt zijn antwoord. Iemand had hen verteld dat Canada wèl het land van melk en honing was, dat de papieren er aan de bomen hangen en dat de jobmarkt wanhopig op zoek is naar mensen zoals hij. Maar het nieuwe droomland bleek niet op de route te liggen van de boot die ze namen.

De volgende dag ontmoet ik Suleiman ’s morgens, op weg naar het ontbijt in het CAW. Als minderjarige heeft hij recht op bescherming in ons land maar hij wil hier niet blijven. ‘Ik wil echt terug naar Engeland, hoe moeilijk het ook was, opnieuw naar school, en opnieuw gaan voetballen. Ik ben er goed in, misschien kan ik wel prof worden in Ramsgate. Het is stom dat we hier terechtgekomen zijn.’

Zijn metgezel Youssouf pikte hier zijn jongere broer op, die zijn sporen volgde en uit Marokko vertrok. ‘Zeven maanden had zijn moeder niets van hem gehoord. Ze was zo blij toen ik haar belde’, vertelt Hamid Hisari me wat later aan de telefoon. Hij heeft de drie jongens een paar dagen niet gezien, vermoedt dat ze de boot gehaald hebben, terug naar Engeland. Waarom toch wilden ze hun tijdelijke bescherming en hun school in Engeland opgeven en weglopen naar Canada, vraag ik hem. ‘Je mag niet vergeten dat hun leven ginder ook niet zo evident is. Die jongens zijn alleen, zonder familie, integreren niet allemaal zo gemakkelijk na de omzwervingen die ze maakten. Ze zijn ook nog jong, hebben dromen en zijn naïef, geloven de sterke verhalen die verteld worden, geloven al wie hen een Walhalla belooft.’

Een simpel leven, meer niet

‘Ik ben verliefd geworden op een Vlaamse’, vertelt de Algerijnse Mustapha Badaoui (22). ‘En ook al is het over tussen ons, ik ben toch blijven hangen, ondertussen zit ik hier een jaar.’ Hij wil niet meer naar Engeland, gaat eventueel terug naar Molenbeek. Daar leefde hij vier maanden, het was er makkelijker: geen jacht op illegalen, meer werk op de ochtendmarkt, minder cultuurkloven. Hij vertrok uit Algerije omdat de toekomst te weinig uitzicht bood en de regering het land naar verdoemenis helpt.

‘Ik heb een bachelordiploma in boekhouding en informatica maar daar ben je in Algerije, zonder netwerk, niets mee. Als ik al een baan zou vinden, zou ik misschien een gemiddeld basisloon van 100 euro per maand hebben. Er was niets wat me daar hield.’ Twee jaar is hij al onderweg, met de simpele wens op een simpel leven, dat start met papieren en een baan., ‘Ja, ik wil werk. Nee, geen uitkering zoals iedereen schijnt te denken’.

‘Werk is hier niet, ook niet op de zwarte markt. Ik heb al kleren gestolen omdat ik er geen had, en eten omdat ik honger had. Ik ben er niet trots op maar niemand helpt of wil ons. De politie jaagt op ons, sluit ons op om ons dan weer op straat te zetten. Als je pech hebt, heb je een agent die je geen dekens, eten of drinken geeft. Gelukkig zijn er ook agenten die het anders doen en die je als een mens behandelen.’ Hij doodt de honger en het gevoel vuil en ongewenst te zijn door zijn geest te voeden: dagelijks gaat hij naar de bib en leest hij. De solidariteit onder de migranten biedt steun maar de eenzaamheid blijft, zegt hij. En de betekenis van ‘la solitude’ heeft Badaoui in België leren kennen.

Minimum aan hulp

Het doorgedreven afschrikbeleid en een tekort aan humanitaire opvang leverden Oostende de titel van IJskoningin der badsteden op. Politiekorpschef Philip Caestecker kent de kritiek, zag zichzelf en zijn korps al meermaals afgeschilderd als ‘beesten die op mensen jagen’. Helaas is zijn opdracht nu eenmaal niet van humanitaire aard, zegt hij. ‘Onze opdracht is heel simpel: illegaal verblijf is een misdrijf. Wij sporen in overeenkomst met de wetgeving inzake de vreemdelingenpolitie mensen zonder wettig verblijf op, met het oog op verwijdering. Maar dat is een uitleg die voorbijgaat aan tegelijk het dieperliggende menselijke probleem van migratie.’

Caestecker weet dat de ontradingsaanpak geen structurele oplossing is. Die ligt, hoe moeilijk ook, ‘bij het politieke veld’. ‘Het is wèl een antwoord op de kleine delicten waarmee Oostende geconfronteerd wordt. Met alle begrip voor de situatie van die mensen: een diefstal is een diefstal. Winkeliers die dagelijks geconfronteerd worden met diefstallen, de vele auto-inbraken met kapotte ruiten… Dat kàn en mag je niet toestaan.’

Het water tussen de politie en een hulporganisatie als het CAW lijkt soms diep maar toch is er wederzijds begrip. Ze moeten tenslotte samen verder. Net zoals de politie verzuipt ook het CAW soms in de problematiek van de trekmensen in de stad.

Wie deze doelgroep wil ontmoeten, heeft maar één adres en twee namen nodig: het CAW, directeur Tine Wyns en Hamid Hisari. Zelfs het OCMW verwijst door naar de Sint-Sebastiaanstraat als ik informatie vraag over dringende medische hulp voor mensen zonder papieren. Vreemd, want het recht op dringende medische hulp is een OCMW-bevoegdheid. Eenmaal per week dient een verpleegkundige in het centrum eerste medische zorgen toe. Het is vaak behelpen met goedkope lapmiddeltjes, zoals kruidnagel om de eerste tandpijn –de meest voorkomende kwaal bij de migranten– te verlichten. Voor ernstiger zaken rekent het CAW op de goodwill van lokale dokters die patiënten zonder papieren er gratis bijnemen.

‘Wat we doen, is het minimum’, zucht Wyns. ‘We zijn de enigen die deze groep een plekje aanbieden. Elders zijn ze nauwelijks welkom, worden de muren hoger opgetrokken. We hebben lange discussies gehad met de minister van Welzijn over de vraag of papierloze migranten op weg naar elders wel onze doelgroep uitmaken. Kijk, het CAW-decreet zegt duidelijk dat we ons moeten richten tot de meest kwetsbaren van de samenleving. Dan kan er geen sprake zijn van administratieve voorwaarden of het trekken van grenzen.’

Het dagcentrum dat het CAW in 2010 oprichtte voor de transitmigranten, was slechts een jaar open. De Vlaamse subsidies die minister van Welzijn Vandeurzen gaf, waren eenmalig. Vandaag wordt de doelgroep ingeschreven in de werking van het CAW, maar extra middelen kwamen er niet bij.

‘Het is toch ongelooflijk hoe we als samenleving met die groep omgaan of niet omgaan. Het zijn verboden mensen en dus bieden we hen niets’,zegt Wyns. Zij vindt niet dat de politie en een hulporganisaties tegengestelde opdrachten hoeven te hebben. Ze gelooft in een krachtdadig beleid met een humanitaire aanpak. Dat vereist extra financiële middelen en politiek engagement uit Brussel, zaken die nu ontbreken.

‘Vooral de oudere Oostendenaars zijn bang, ze denken dat elke dakloze vreemdeling een crimineel is, terwijl 95 procent of meer van die jongens dat zeker niet is. De angst en het onbegrip van de Oostendenaars worden aangewakkerd door het veiligheidsbeleid dat niets uithaalt. Aanzuigeffect of ontradingsbeleid: ze blijven komen: dat is de realiteit.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur