Uitroeiing kinderarbeid blijft dode letter

Van de uitroeiing van kinderarbeid in Peru, een van
tien voorwaarden in een handelsakkoord tussen het Andesland en de Verenigde
Staten, lijkt voorlopig niet veel in huis te komen. Op 1 oktober vertrokken
de eerste scheepsladingen onder het nieuwe gunstige exportregime uit de
haven van El Callao nabij de hoofdstad Lima. Kindarbeiders in de mijnen, de
goudwinning en op het platteland blijven net als voorheen gevangen in een
uitzichtloze situatie.


De VS-wet over de bevordering van de handel met de Andeslanden en de strijd
tegen drugs verbindt tolvrije invoerrechten voor Peru, Bolivia, Ecuador en
Colombia aan een aantal voorwaarden. Meestal zijn dat bepalingen dat
handelsgeschillen waarbij Amerikaanse bedrijven betrokken zijn in het
voordeel van die laatste moeten worden beslecht. Maar voor Peru geldt ook de
voorwaarde de ergste vormen van kinderarbeid te blijven bestrijden.

Cijfers van het ministerie van Familiezaken voorspellen voor de volgende
vijf jaar een stijging van de kinderarbeid. Peru ondertekende in 2000 de
VN-conventie over de Rechten van het Kind, met de goedkeuring van alle
politieke partijen. Maar niet iedereen is het er over eens dat de conventie
ook onmiddellijk moet worden toegepast. Sommigen argumenteren dat een verbod
op kinderarbeid op korte termijn contraproductief is, omdat arme families
erg afhankelijk zijn van het extra inkomen.

Ze zouden ons eerst moeten vragen over wij ook akkoord zijn met een verbod
op kinderarbeid, zei de 13-jarige Lisandro Cácares in 2001 op een betoging
van de Nationale Beweging van Werkende Kinderen en Adolescenten. In de
eerste plaats moet er iets worden gedaan aan de armoede van onze ouders,
zodat we thuis niets tekort komen.

In Peru werkt een kwart van de kinderen van 8 tot 14 jaar en 42 procent in
de leeftijdscategorie van 13 tot 16 jaar. Gezien de omvang van het probleem
wil de Peruaanse overheid in de eerste plaats de meest gevaarlijke vormen
van kinderarbeid aanpakken. In Lima werden met de hulp van de Internationale
Landbouworganisatie IAO successen geboekt in de baksteenindustrie. In de
plaats van de kinderen kregen hun vaders een vaste baan aangeboden.

Kinderarbeid blijft vooral een probleem op het platteland. Minderjarigen
worden ingezet bij landbouwactiviteiten, als goudzoekers of als mijnwerkers.
Naar schatting 50.000 kinderen leveren slavenarbeid in de bergen in het
westen of de wouden in het zuidoosten. Molkinderen moeten in de smalste
galerijen van zogenaamde artisanale mijnen op zoek naar kostbare ertsen.
Deze mijnen worden door families op zelfstandige basis geëxploiteerd nadat
het mijnbedrijf de ontginning er niet meer rendabel achtte. De kinderen die
in de rivieren van het regenwoud op zoek gaan naar goudkorrels zijn er niet
veel beter aan toe. Zij zijn de gevangenen van de schulden die ze hebben
gemaakt om eten en kleren te kopen.

De gemiddelde leeftijdsverwachting van deze kinderen is vijftig jaar, aldus
IAO-onderzoekster María del Carmen Piazza. Velen van hen zijn chronisch
ondervoed. In de bergen komen long- en gewrichtsaandoeningen vaak voor, de
goudwassers in de rivieren hebben last van buikloop. Verder werken 100.000
jonge meisjes als huishoudhulpje. Ze kloppen dagen van 12 tot 16 uur en
hebben een gemiddelde leerachterstand van 4 jaar.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2751   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift