Utopie op het einde van de eeuw

1989. De sovjettroepen verlaten Afghanistan, de Muur wordt afgebroken, Afrika kiest voor democratie, China combineert kapitalistische ontwikkeling met harde repressie op het Plein van de Hemelse Vrede, Frederik De Klerk neemt de macht over in Zuid-Afrika en de Dalai Lama krijgt de Nobelprijs voor de Vrede. Zoveel historische gebeurtenissen en toch werd het einde van de geschiedenis uitgeroepen. De utopie had afgedaan, de aanvaarding van het kapitalisme deed haar intrede.
1999. De geschiedenis blijkt onverstoord verder haar gang te gaan. Strompelend en stotterend en zonder de troostende kracht die de Grote Verhalen vroeger verleenden aan mensen die eigenhandig die geschiedenis wilden ombuigen. Wereldwijd vroeg filosoof Hans Achterhuis en godsdienstsocioloog François Houtart hoe het nu verder moet, de éénentwintigste eeuw tegemoet. Zijn we vrijere mensen zónder Grote Droom of dreigen we juist de slaven te worden van het Nieuwe Pragmatisme? Is elk idealisme totalitair of is humanitair handelen zonder utopie gedoemd om beperkt te blijven tot wat morrelen in de marge? Twee mensen geven hun mening. En dan groeit uw mening. En nog een mening. En nog. Zo ontstaat geschiedenis.

Aan het eind van deze eeuw wil filosoof Hans Achterhuis ons één ding duidelijk maken: we moeten het nieuwe millennium in zonder grootse utopieën. Maar niet zonder idealen, anders wordt de wereld onleefbaar. Een gesprek met een filosoof op een technische universiteit.

Hij had een nachtmerrie, medio jaren zeventig, toen hij over Mao aan het schrijven was. ‘Ik droomde dat ik persoonlijk in de Chinese Culturele Revolutie verzeild was geraakt.’ Hij sloeg er toen geen acht op. ‘Achteraf denk ik dat ik beter naar deze droom had moeten luisteren’, schrijft Achterhuis in zijn jongste boek ‘De erfenis van de Utopie’. Maar ja, achteraf.

Toen hij eind 1993 al een paar jaar bezig was aan zijn utopieënboek, werd hij decaan van zijn faculteit aan de TU-Twente. Drie jaar zou hij geen tijd hebben voor zijn utopieënonderzoek. Hij werd er ziek van. En droomde. Beneden hem lag een mooi groen landschap waar hij heen wilde, maar ineens zakte de grond voor hem weg. Een afgrond. Er was alleen nog een gevaarlijke, steile afdaling mogelijk. Zou hij het wagen? Met die vraag werd hij wakker. ‘Al pratend met Tiny, mijn vrouw, werd mij duidelijk dat ik moest doorgaan met dat onderzoek en niet alleen decaan moest zijn. Ik ben bovendien niet zo’n goede bestuurder. Ik moet ergens inhoudelijk bij betrokken zijn.’

Weer een paar jaar later, toen hij inmiddels -in hoofdstuk zes van zijn boek- elk utopisch geloof in een ‘ideale sociale wereld’ de grond in had geboord, kreeg hij opnieuw een nachtmerrie. Hij wandelde met zijn vrouw op een Grieks zandstrand. Lieflijke muziek lokte. Om hen heen tekende zich plotseling een vierkant af, waaruit ze vluchtten voordat de grond wegzakte. Terwijl hij een stang in een muurtje greep, verdween alle grond onder zijn voeten. ‘De techniek -die stang- was mijn redding.’

Hans Achterhuis (56) is helemaal geen zweverige dromer. Hij is een nuchtere Twentenaar en een scherpe, snelle denker, die in de haast nogal eens over zijn eigen woorden struikelt. Maar ook een man die sterk betrokken is bij mensen en de samenleving. Tot in zijn slaap toe.

Het ging in die dromen natuurlijk om de vraag, die in uw onderzoek besloten lag: waar eindigt deze afbraak van mijn eigen idealen?

Het was duidelijk, het vierkant als beeld van het graf, de lokkende muziek en mijn onzekerheid. Wat bleef mij nog over? Zulke nachtmerries heb ik daarna niet meer gehad. Maar ja, ik was toen twee, drie weken heel intensief bezig met thema’s als hemelse utopieën en de hel, de Sovjet-goelag, Mao, moorden, oorlogen, waar het op uitliep. Dan beleef je wel het einde van je dromen. Eigenlijk ging het om het einde van het hele idee van een ‘totaal-alternatief’ voor het kapitalisme. Hét Alternatief. Want dat is het kenmerk van een utopie: het alternatief van een maakbare, alles en iedereen omvattende, ideale samenleving. Daar zochten we naar. Die moest ergens zijn.

De val van de Muur betekende voor veel mensen dat er geen totaal-alternatief was. Met die teleurstelling moesten ze verder.

Ja, maar ik probeer me daar nu juist van te bevrijden. Afgelopen week hield ik een lezing in de Geertekerk in Utrecht. Veel vragen uit de zaal gingen over een alternatief voor ‘het systeem’. Heeft u dat nog wel te bieden? Zo wil ik niet denken, zei ik, want dat is juist utopisch denken. De gedachte aan één heel groot systeem dat de hele wereld omvat. Daar moet je uitbreken. Ik weet ook niet precies hoe, maar je moet op een andere manier over het huidige kapitalisme gaan denken. Tegen sommige aspecten kun je je verzetten, maar niet tegen het geheel.

Het zullen steeds de meest genereuzen zijn die voor utopieën bezwijken, schrijft u in uw boek. Wat is er dan zo slecht aan het goede in de mens?

Ik ben geen psycholoog. Laat ik het op mijn manier zeggen. Het is een vorm van oprecht gegrepen zijn door het grote ideaal, waardoor als het ware concrete individuen wegvallen. En waardoor mensen maatschappelijke keuzes kunnen maken, waarvan je denkt: hoe kun je zo blind zijn? Ja, het is een soort blindheid, en die heb ik ook bij mezelf gezien. Het heeft daarbij iets heerlijks om te vluchten in een groot ideaal, om een leider of een goeroe te volgen en je te laten onderdompelen. Dat is makkelijker dan zelf individuele keuzes maken. De last van de vrijheid is zwaar, om het met Albert Camus te zeggen.

Camus. Op die Franse filosoof, die in de jaren ‘50 en ‘60 populair was, promoveerde Achterhuis in 1967. Het is Camus op wie hij terugvalt als hij zich afvraagt: hoe nu verder, zonder utopie?

‘In ‘De Pest’ van Camus strijdt een aantal mensen tegen de pest -die staat voor het nazisme, voor het kwaad in de wereld. Maar dat doen ze zonder grootse idealen, gewoon omdat het hun plicht is. Ze vechten niet voor een toekomst waarin al het kwaad verdwenen zal zijn. Nee, het kwaad komt toch voortdurend terug. Dus ik zeg: houd vast aan je idealen, zelfs aan absolute idealen, maar ga die niet maatschappelijk en politiek vertalen.’

‘Koude rillingen’ krijgt Achterhuis wanneer hij vandaag mensen hoort bepleiten dat er voor de volgende eeuw toch weer een nieuw utopisch idealisme nodig is. In zijn boek waarschuwt Achterhuis ook voor de utopische geluiden van wereldreligies met het oog op het jaar 2000. New Age vertoont er trekken van, evenals de ‘ecokrijgers’ van de milieubeweging. Al vindt hij die vrij onschuldig. Dat geldt niet voor de fundamentalistische bewegingen van vandaag. Daarover is hij bezorgd. ‘Niet alleen het islamfundamentalisme, ook het christelijke in Amerika en dat van hindoes in India, daarin zie ik gevaarlijk utopische aspecten. Eigenlijk zijn die utopieën niet toekomstgericht, maar bang voor een aantal verworvenheden van de moderne tijd, zoals het individualisme.’

In het laatste hoofdstuk van zijn boek worstelt Achterhuis met de vraag: als ik de utopie verwerp, ontneem ik dan veel enthousiaste mensen niet hun idealen? Wat heb ik ze nog te bieden? Zijn nachtmerries bewijzen dat hij ook zelf heel existentieel met die vraag zat. Bij wijze van antwoord voert hij de romanschrijfster Nelleke Noordervliet op. Hij citeert een fragment uit haar boek Millemorti, waarin de hoofdpersoon spreekt over de weg van de opstand (naast die van de berusting en die van het profiteren). ‘Het is de weg der helden die voert naar een vroege dood en een eeuwige vergeefsheid en naar terreur’, schrijft ze. Duidelijk de gevaarlijke weg van de utopisten, waarvoor Achterhuis zo waarschuwt. Maar dan zegt ze: zonder deze compromislozen zou de wereld onleefbaar zijn. We hebben ze dus toch nodig?

Juist. Zonder hen krijg je een wereld waarin je niet wilt leven. Ze zijn het zout der aarde. Maar hoe voorkom je de terreur waarin utopische idealen tot nu toe tenonder zijn gegaan? De uitweg is de kunst, zegt Noordervliet. Eigenlijk een vierde weg. ‘Als de invloed van een mens op wat gebeurt, gering is’, zegt ze, ‘wat doet een mens dan met gebeurtenissen? Betekenis geven. Benoemen.’ Dus erover schrijven. Kunst maken. En wat mij betreft ook vorm geven in morele keuzes voor jezelf. Maar niet voor anderen. Niet in een politiek systeem vatten. Of in een utopische maatschapijvisie. Camus zegt: in de opstand zit enerzijds een nee zeggen -dit pik ik niet, dit moet veranderen- maar anderzijds ook een ja zeggen. Niet op een vage toekomst, maar op de dingen die nu al belangrijk genoeg zijn om te verdedigen. Niet, zoals utopisten doen, alles reduceren tot de (betere) toekomst. Opstand, zegt Camus, zal altijd noodzakelijk zijn.

Wat moet een beetje links of sociaal bewogen politicus daarmee? Die moet zijn idealen toch politiek vertalen?

Daar heb ik de oplossing niet voor. Maar uit ‘paars’ spreekt in elk geval niets van morele idealen. Het is pragmatisme. Dat is jammer. Iets van die vonk mag toch wel overslaan. Het moet geen utopie worden, maar wat we nu hebben is ook een dode mus. Al ben ik daar wel heel dubbel in. Vorig jaar was er een debat tussen Wim Kok en Adriaan van Dis. En ik merkte dat ik helemaal met Kok meeging. Wat Van Dis deed, schitterend alles opsommen wat er anders moest met Nederland als het grote gidsland, nee, dat kon niet. Aan de andere kant, op het dilemma tussen doen wat haalbaar is en toch vasthouden aan je idealen weet links, of het socialisme nog geen antwoord. Ik wil helemaal niet terug naar de maakbare samenleving, maar wel naar een stuurbare. De overheid heeft nog veel te doen.

En de gewone burger?

Die kan bijvoorbeeld protesteren tegen de milieuvervuiling en tegelijk in zijn eigen leven kiezen voor een andere levensstijl. Dat zie je bij Franciscus ook. Franciscus maakte voor zichzelf de keuze voor de absolute armoede. Dat is geen maatschappelijke keuze die je oplegt via politieke maatregelen. Toch kan zo’n voorbeeld heel belangrijk zijn.

U ziet Franciscus niet als een utopist. Maar in het christendom zitten wel elementen die een voedingsbodem waren voor de latere utopieën?

De utopieën zijn inderdaad in het Westen ontstaan omdat het christendom zijn droom van de eindtijd had. Lees de Apocalyps. De utopieën ontstonden later op de bodem van de Verlichting met haar maakbaarheidsidee. Het Franciscaanse, en christelijke ideaal is meer ontspannen. Je hoeft het daarin niet allemaal zelf te doen. De gelovige weet: het hangt niet allemaal van ons af.




FRANCOIS HOUTART: DE UTOPIE ALS TEGENGIF TEGEN DE ERFZONDE


Gie Goris



Priester-socioloog François Houtart heeft er straks een halve eeuw engagement opzitten. Het verwerpen van de utopie als motor voor maatschappelijke veranderingen ziet hij als een intellectuele knieval voor een oppermachtig economisch systeem. Toch weet hij dat een utopie maar nuttig is als ze niet gerealiseerd wordt.

De biografie van François Houtart leest als een catalogus van politieke dromen en grote maatschappelijke omwentelingen. Hij wou eigenlijk missionaris worden. De wereld intrekken, de armen dienen. Maar zijn vader wou dat hij dichter bij huis bleef en dus werd hij seminarist in Mechelen. Enkele jaren later brak de Tweede Wereldoorlog uit en geraakte hij betrokken bij het verzet. ‘We deden bruggen springen in de omgeving van Brussel.’ Maar zijn echte doop kreeg hij in de KAJ. In 1953 woonde hij een internationaal congres bij in Havana en kardinaal Cardijn vroeg hem om aalmoezenier te worden van de internationale KAJ. Zijn eigen kardinaal, Van Roey, weigerde. Als socioloog bestudeerde hij de vervreemding tussen kerk en arbeiders, die in Europa pijnlijk zichtbaar werd. Het was ook als socioloog dat hij meer en meer betrokken geraakte bij de sociale problemen van Latijns-Amerika. Op vraag van onder andere Dom Helder Câmara werd hij vier jaar lang raadgever van de Latijns-Amerikaanse bisschoppen op het Tweede Vaticaans Concilie. In het zog van het enthousiasme dat daar ontstond voor de rol van de leken in de kerk en voor de rol van de kerk in de samenleving bleef hij ondersteunend werk leveren voor de Latijns-Amerikaanse kerk. Het ontstaan en het opbloeien van bevrijdingstheologie en basisgemeenschappen: hij was erbij. De volksbewegingen en de revoluties in Midden-Amerika: hij volgde ze op de voet. Boerenbewegingen en indiaanse opstanden, syndicaten en catechisten: hij kent ze bij naam en toenaam.

Wie zoveel jaren gestreden heeft, zag meer idealen teloor gaan dan hij er oorspronkelijk had. Toch tref je bij Houtart geen diepe twijfel aan over de mens of over de utopie. ‘Als socioloog wéét ik dat de kloof tussen de utopie en de menselijke realiteit zal bestaan zolang de mensheid menselijk is. Anderzijds ben ik er van overtuigd dat mensen de tegenstelling tussen droom en werkelijkheid altijd weer proberen te verkleinen. Als gelovige zie ik mislukkingen dan ook niet als uitingen van menselijk falen, maar als uitingen van menselijk pogen. De religieuze ervaring daagt een mens immers uit om méér te doen dan het haalbare, om méér te verwachten dan het gewone en vooral om menselijker te worden dan hij op eigen krachten kan.’

Toch weegt de mislukking van een zeer aardse utopie -die van het socialisme- zwaar op de motivatie van mensen om zich politiek te engageren.

Je moet een onderscheid maken tussen enerzijds de -juiste- vaststelling dat het marxisme als analyse-instrument en het socialisme als utopie niet meer de aantrekkingskracht hebben van vroeger en anderzijds de -vaak miskende- vaststelling dat de realiteit niet fundamenteel veranderd is. De klassenstructuur van de samenleving is niet verdwenen, integendeel, op veel plaatsen in de wereld is die de afgelopen jaren alleen maar scherper geworden. De werkelijkheid blijft bestaan, ook als het bewustzijn verdwijnt. Sterker nog: het is de realiteit met haar steeds verder schrijdende, economische individualisering en met haar toegenomen onzekerheid voor mensen die onderaan de sociale ladder staan, die verantwoordelijk is voor het verdwijnen van een meer sociaal bewustzijn. Mensen zien zich vandaag minder als een deel van een sociale groep dan als een individu of als een deel van een kleine familie. Het is niet meer zo duidelijk waartégen men moet vechten. En het is nog minder klaar waarvóór men zou vechten. Ik denk dat het verdwijnen van de utopie verklaard kan worden door het feit dat de utopieën van de jaren zestig of zeventig té utopisch waren.

Ze waren te mooi om waar te zijn?

Ze waren vooral te haastig. Men dacht dat de Grote Droom gerealiseerd kon worden op korte termijn, terwijl een echt fundamentele verandering van een maatschappij verschillende generaties duurt. In de jaren negentig heeft men dan het kind met het badwater weggegooid. Elke globale toekomstvisie werd verdacht gemaakt. ‘De utopie is dood, leve het pragmatisme’ werd de slogan. Ik ben het daarmee niet eens. Er is namelijk één grote, wereldomvattende beweging bezig haar ideaal op een succesvolle manier te verwezenlijken: het kapitalisme. Met alle nieuwe technologieën en communicatiemiddelen slaagt het kapitalisme erin om een mondiaal systeem te worden. Niet dat er daartegen geen verzet is: over de hele wereld zie je sociale strijd. Maar die strijd is volkomen gefragmenteerd. Dat komt het zich ontwikkelende wereldkapitalisme mooi uit, natuurlijk. Die verbrokkeling wordt bovendien filosofisch onderbouwd door het postmodernisme in de sociale wetenschappen. Dat postmodernisme stelt dat er geen globale systemen bestaan en dat het gevaarlijk is om een sociale utopie na te streven. Daarmee ontneemt men de mensen die lijden onder het reëel bestaande kapitalisme één van de belangrijkste instrumenten om zich te ontdoen van hun verdrukking.

Niet de utopieën zijn gevaarlijk, maar het verdwijnen ervan?

Een utopie kan wel degelijk gevaarlijk zijn. Zodra men denkt dat ze hier, op aarde gerealiseerd kan worden, gaat het fout. Dat geldt niet alleen voor de sociale utopieën van de laatste eeuwen, maar ook voor veel religieuze bewegingen sinds de dertiende eeuw. Telkens mensen het Nieuwe Jeruzalem op aarde wilden installeren, is dat in een catastrofe geëindigd. Wie gelooft het patent te hebben op een perfect maatschappelijk systeem, die zal altijd weer een inquisitie nodig hebben om halsstarrige zondaars, ketters of ongelovigen te berechten. Ik benader een utopie niet als een gestolde en voor eeuwig vastgelegde waarheid, maar als een dynamisch gegeven. Als het enige tegengif dat echt werkt tegen de erfzonde van onverschilligheid en onrechtvaardigheid. Een utopie is echter enkel geloofwaardig als ze opgebouwd wordt en dus ook bijgesteld kan worden. Als ze verstart tot een dogma, heeft ze geen betekenis meer. Er wordt momenteel een nieuwe, levende utopie opgebouwd door het uitbouwen van netwerken waarin basisbewegingen uit Noord en Zuid, uit Oost en West elkaar vinden en tot onderlinge uitwisseling kunnen komen.

Maken de culturele verschillen het niet onmogelijk om één, globale utopie uit werken?

De beweging die momenteel aandacht vraagt voor de culturele verschillen tussen mensen en volkeren brengt inderdaad een zeer terechte kritiek uit op het feit dat wij te uitsluitend westers geïnspireerde modellen voor ogen hadden. Verschillende volkeren hebben nu eenmaal verschillende visies op de manier waarop mensen met elkaar verbonden zijn en op hun relatie met natuur en bovennatuur. Die diversiteit moet een plaats krijgen bij het opbouwen van een wereldwijde utopie. Maar er zijn ook gevaren aan het benadrukken van de culturele verschillen. Op de eerste plaats mag men niet de fout maken om van cultuur een vastgelegd gegeven te maken. Een cultuur is altijd een dynamisch geheel van ontwikkelingen. Wie dat ontkent, voedt het fundamentalisme -dat is ook een utopie, maar dan een averechtse. Ten tweede mag de aandacht voor culturele diversiteit geen scherm zijn waarachter de economische én culturele overheersing door een globaliserend kapitalisme zich kan verschuilen. Ook de Haïtiaanse voodoocultuur bevindt zich in een wereld vol kapitalistische verhoudingen en producten. Daarmee onvoldoende rekening houden, ondermijnt juist de kansen van de Haïtianen om een eigen toekomstproject op te zetten.

Speelt religie een rol in de opbouw van een nieuwe utopie?

De Mexicaanse staatsuniversiteit -een zéér gelaïciseerd instituut- heeft daarover vorig jaar een seminarie georganiseerd. Het was een zeer interessante ontmoeting tussen gelovigen van allerlei afkomst. De gemeenschappelijke visie van de deelnemers was dat de godsdiensten een onvervangbare aanbreng zullen hebben in de volgende eeuw, op de eerste plaats op het vlak van de ethiek. Ook het herstellen van de symbolen leek ons een belangrijke taak voor de godsdiensten. Want het bestaan van authentieke, menselijke symbolen wordt vandaag bedreigd door het feit dat ze binnen een commerciële context geplaatst worden. Zo worden symbolen uitgehold, opgebruikt en weggeworpen. Religie zal in de toekomst zeer belangrijk zijn, tenminste als ze weerstaat aan de verleiding van de spirituele terugtrekkingsbeweging. De wereld wordt door heel veel mensen ervaren als een ontmenselijkende plek waaraan ze zelf niet kunnen ontsnappen en dus kiezen ze voor een godsdienst die daar helemaal buiten gaat staan. Maar op die manier verliest die zogenaamde ‘pure religie’ haar humaniserende kracht. De mooiste symbolen uit onze christelijke traditie verwijzen juist naar de mogelijkheid om de wereld mooier te maken. Een plek waar de leeuw en het lam samenliggen. Een plek waar de heersers van hun troon gestoten worden. Een plek waar mensen in staat zijn om zelfs hun vijanden lief te hebben. Zolang de religieuze ervaring en de symbolische weergave ervan niet gedogmatiseerd worden, blijven ze de krachtigste utopie. Een geloof dat doden tot leven kan wekken.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift