Van braindrain naar braingain

Wij onderzoeken in dit artikel de samenhang tussen internationale migraties, sociale netwerkvorming en sociaal-economische ontwikkeling. Het empirisch voorbeeld is de migratie van Indiase softwarespecialisten naar de Verenigde Staten. India is de grootste begunstigde van de Duitse ontwikkelingshulp en we vragen ons af welke voordelen het land gehaald heeft uit de jarenlange emigratie naar de Verenigde Staten.
In de ontwikkelings- en migratietheorieën is men tot nu toe uitgegaan van het begrip ‘braindrain’ als een verlies voor het emigratieland. De hoogopgeleide specialisten worden als verloren beschouwd voor het ontwikkelingsland dat zij verlaten. Maar de spectaculaire ontwikkeling van de Indiase software-industrie, met een jaarlijkse groei van 54 procent tussen 1995 en 1999, doet vermoeden dat het land uit het vertrek van zijn specialisten ook voordeel gehaald heeft. Drie elementen waren daarbij van belang: 1. een actieve industriepolitiek ter bevordering van de software-industrie in eigen land; 2. het bestaan van voldoende technische opleidingen van hoge kwaliteit; 3. de transnationale migratie naar de Verenigde Staten, het land met een voortrekkersrol inzake informatie- en communicatietechnologie (afgekort tot ICT).

Daardoor kan men in het voorbeeld van India over ‘braingain’ spreken. Of er een win-win situatie zal optreden, is afhankelijk van vele factoren: het ontwikkelingsbeleid van het land in kwestie (hier India), de rol van sociale en economische netwerken die zich naast of in de marge van het overheidsbeleid ontwikkelen, het emigratiebeleid van zowel het gastland als van het bronland.

We vinden de negatieve bijklank van braindrain (als verlies van geschoolde elite in de ontwikkelingslanden) terug in de dependencia of afhankelijkheidstheorieën. Een illustratie hiervan is De aderlating van een continent van Eduardo Galeano. In deze visie organiseren en bevorderen de industrielanden de hersenvlucht om de ontwikkelingslanden onder de duim te houden. De elite uit de ontwikkelingslanden wordt ingewijd in de opvattingen en levensstijl van het westen en gaat dan als ‘bruggenhoofd’ tussen Noord en Zuid functioneren.

Omgekeerd werd in het wetenschappelijk migratieonderzoek al evenmin het aspect ‘bijdrage tot de ontwikkeling van het bronland’ van de internationale migraties voldoende belicht. Migratie werd meestal als een braindrain en een rem op de ontwikkeling gezien, of als een vluchtelingenprobleem, een gevolg van de dramatische bevolkingstoename of van het gebrek aan economische ontwikkeling. De enige positieve bijdrage van migratie zou dan liggen in de vermindering van de druk op de arbeidsmarkten van de ontwikkelingslanden.

Andere migratie- en ontwikkelingstheorieën concentreren zich dan weer op de stroom van hoogopgeleiden van de ontwikkelde landen naar de ontwikkelingslanden. Het gaat dan over de overdracht van kennis en vaardigheden door specialisten uit de industrielanden, in het kader van de ontwikkelingssamenwerking. De gevolgen voor de ontwikkeling van deze ‘omgekeerde stroom van intellect’ van Zuid naar Noord, werdendan weer niet systematisch onderzocht.

Tenslotte is er in de literatuur een groeiende belangstelling voor de sociale netwerken die als gevolg van internationale migraties ontstaan. Hiervoor werd het begrip ‘transnationale sociale ruimte’ bedacht. Men beklemtoont dat, als gevolg van de globalisering en de wereldwijde communicatieve, technologische en verkeerstechnische integratie, er niet meer over éénmalige migratie gesproken kan worden. Migranten bouwen ‘pluri-lokale bestaanswijzen’ uit, d.w.z. dat hun ‘sociale ruimte’ en hun levensproject tegelijkertijd op verschillende plaatsen in de wereld ontwikkeld worden. Hierdoor kunnen positieve effecten voor het land van herkomst optreden. De situatie van de Indiase softwarespecialisten is een voorbeeld van deze samenhang.

DE ONTWIKKELING VAN DE INDIASE SOFTWARESECTOR

Rond 1985 startte de Indiase regering een programma om de computerindustrie te bevorderen. Sindsdien heeft die industrietak een spectaculaire ontwikkeling gekend. Volgens de Wereldbank is ze nu één van de meest dynamische industrieën ter wereld, en zou ze in bepaalde opzichten zelfs op de Verenigde Staten voorlopen.

In de jaren negentig groeide de sector jaarlijks met 50 procent. In 1998/1999 bedroeg de omzet ongeveer 4 miljard dollar, waarvan voor 2,65 miljard dollar uitgevoerd werd. Een kleine 60 procent van de uitvoer gaat naar de Verenigde Staten. De binnenlandse vraag is sinds 1995 ook sterk gestegen en dat is een positieve ontwikkeling, aangezien een stabiele binnenlandse markt gezien wordt als een stevig fundament voor de ontwikkeling van een bedrijfstak.

In 1998 werd een nationale commissie voor de ontwikkeling van de ICT en de software opgericht. Haar opdracht is: van India tegen 2010 een softwaresupermacht maken. Volgens een studie die de commissie door Mc Kinsey liet uitvoeren, zou de jaarlijkse omzet van de sector in 2008 de 100 miljard dollar moeten overschrijden, waarvan de helft voor de uitvoer. Het aandeel van de software in de totale Indiase uitvoer zou moeten groeien van 5 procent in 1997/1998 tot 35 procent in 2008. De software zou dan 7,5 procent van het Bruto Binnenlands Product moeten voortbrengen. De volgende tabel toont de snelle groei van de softwaresector in India.



Jaar
Groei van het Bruto Binnenlands Product
Groei van de softwaresector

1993/1994
8.1%
45%

1994/1995
7.4%
50%

1995/1996
7.4%
45%

1996/1997
4.8%
55%

1997/1998
6.5%
55%




De softwaresector moet een belangrijke impuls geven aan de modernisering van de Indiase industrie. Tot 2008 zouden meer dan 2 miljoen nieuwe arbeidsplaatsen moeten ontstaan d.w.z. dat de tewerkstelling zou vertienvoudigen, in vergelijking met de 200.000 jobs in 1999. De softwarebranche zou door de verspreiding van de ICT ook aanzienlijke ‘meesleepeffecten’ (spill over) in andere delen van de economie moeten hebben. Politieke leiders hopen dat India, dat wel de industriële revolutie gemist heeft, in de informatietechnologische revolutie op voet van gelijkheid met de grote industrielanden zal staan.

De softwarebranche heeft inderdaad een groot ontwikkelingspotentieel. De uitgaven stegen tussen 1987 en 1997 wereldwijd met 23 procent per jaar. Het ontwikkelingspotentieel kan aan de volgende kenmerken afgemeten worden:

de sector is zeer arbeidsintensief en weinig kapitaalsintensief;
de kosten om tot de markt toe te treden en de vervoerskosten zijn gering;
het internet bevordert het ontstaan van transnationale netwerken voor de samenwerking met de grote industrielanden, waarbij de ruimtelijke en de tijdsgrenzen nauwelijks nog een rol van betekenis spelen;
een exportgerichte strategie lijkt ook hier succesvol te kunnen zijn, zoals dat het geval was met de ‘Aziatische tijgers’ in de jaren 1970-1980;
de softwaresector is ook toekomstgericht, omdat er weinig negatieve effecten voor het milieu optreden. De ICT kan het mogelijk maken bepaalde fasen uit de industriële ontwikkeling te verkorten of over te slaan en aldus bijdragen tot duurzame ontwikkeling. De GTZ of Gesellschaft für Technische Zusammenarbeit (de Duitse publieke uitvoerder van ontwikkelingsprojecten, vergelijkbaar met de Belgische BTC - n.v.d.r.) heeft juist met het oog op een milieuvriendelijke ontwikkeling in de jaren 1990 met de Indiase softwarebranche samengewerkt.
VERKLARINGEN VOOR DE SNELLE ONTWIKKELING VAN DE INDIASE SOFTWARE

Vele factoren hebben deze ontwikkeling in de hand gewerkt maar drie daarvan moeten speciaal vermeld worden:

het actieve Indiase industriebeleid;
het bestaan van een goed uitgebouwd wetenschappelijk en technisch onderwijs;
de invloed van enkele honderdduizenden goed geschoolde emigranten, die voor een terugkerende stroom van kapitaal en kennis gezorgd hebben.
Rond 1990 heeft India de oriëntering van zijn industriebeleid grondig gewijzigd. In plaats van de op autarkie en invoervervanging gerichte ontwikkeling, werd minstens voor een deel gekozen voor modernisering en inschakeling in de wereldmarkt. In vele sectoren werden geleidelijk meer principes van de markteconomie toegepast, en in het kader van het industriebeleid werd ruimte gelaten voor buitenlandse investeringen en uitvoer.

De softwaresector kreeg daarin een centrale plaats, als één van de vijf kernsectoren waarvoor overheidsmaatregelen en een wijziging van de restrictieve economische wetgeving voorzien werden. Er kwamen meer marktconforme wetten, waardoor de beperkingen op de invoer en uitvoer van software en hardware versoepeld werden. Een gedeeltelijke vrijmaking van het kapitaalverkeer leidde tot een toename van de directe buitenlandse investeringen. Door deze maatregelen kregen grote buitenlandse softwarebedrijven toegang tot de binnenlandse markt. De grootste investeerders kwamen uit de Verenigde Staten, met vooraan Microsoft. Met belastingverminderingen, die voorzien zijn in de Information Tecnology Act 2000, wil India die buitenlandse aanwezigheid nog versterken.

Prognoses voor de ontwikkeling van de ITC in India



Situatie op 31 maart 2000
Doelstelling voor 2008

Indicatoren van computergebruik:
- Aantal PC’s
- Aantal internet aansluitingen
- Aantal internet gebruikers

4,3 miljoen
0,8 miljoen
3,2 miljoen

20 miljoen
35 miljoen
100 miljoen
Omzet van de softwaresector:
- Totaal
- Binnenlandse markt
- Uitvoer

9,6 miljard dollar
5,7 miljard dollar
3,9 miljard dollar

137 miljard dollar
87 miljard dollar
50 miljard dollar



Parallel met deze actieve industriepolitiek werd ook aan het onderwijssysteem gewerkt. Aan de universiteiten en technische hogescholen werd de informatietechnologie uitgebouwd, naast de traditionele opleidingen in elektrotechniek en machinebouw. In 1983 werden ongeveer 1000 specialisten in de ITC gevormd. Vijftien jaar later werden aan de 1800 hogescholen ongeveer 65.000 hoogopgeleide technici gediplomeerd. Daarnaast lopen er ook nog zowat 2.000 private computeropleidingen. Het resultaat is, dat India nu over meer dan 4 miljoen goed gevormde arbeidskrachten voor de sector van de informatica en telecommunicatie beschikt, het tweede hoogste aantal na de Verenigde Staten.

India moest daarbij niet van het nulpunt vertrekken. In het kader van de vroegere strategie van Self Reliance streefde India naar een hoge graad van industriële en technologische onafhankelijkheid en daarom werd relatief veel geïnvesteerd in het onderwijs, in het bijzonder in het technisch onderwijs. Daardoor begon reeds in de jaren 1970 een emigratiestroom van (technisch) hoog opgeleide arbeidskrachten.

Regionale verdeling van de 500 meest succesvolle Indiase softwarebedrijven



Stad Aantal bedrijven in 1999
Mumbai (Bombay)
Bangalore
Hyderabad
Chennai (Madras)
Gurgaon en Noïda
Delhi
Calcutta
Poona
Andere steden 104
97
55
52
50
48
28
23
50



Het wekt nauwelijks verwondering dat de emigratiestroom van hoogopgeleiden vooral in de richting van de Verenigde Staten verliep. Beslissende factoren waren daarbij: het arbeidsmarkt- en immigratiebeleid in de Verenigde Staten, en het feit dat Engels voor geschoolde Indiërs de tweede moedertaal is. Ook vandaag nog volgen vele Indiërs, na het hoger onderwijs in eigen land, een vervolgopleiding in een Engelstalig land. Men denkt dat 30 procent van alle software-ingenieurs die ergens in de wereld actief zijn, uit India komen. In Silicon Valley in Californië zouden 75 procent van de buitenlandse specialisten Indiërs zijn.

Het moderniserings- en liberaliseringsbeleid van de Indiase regering heeft ertoe geleid dat na 1985 vele emigranten naar hun land teruggekeerd zijn. De meeste Indiase softwarebedrijven die ook op de Amerikaanse markt konden doorbreken, worden geleid door vroegere emigranten die in de Verenigde Staten gewerkt hebben en het opgebouwde netwerk van contacten benutten. Zij hebben op de buitenlandse ondernemingen in India het voordeel van de combinatie van techniek en kennis van de cultuur, zodat zij gemakkelijker slagen in de overdracht van technologie en de herstructurering van bedrijven. Sommige van deze pioniers behoren nu tot de nieuwe rijken van India. Hun succes trekt jongeren aan en heeft een soort ‘multiplicatoreffect’.

De emigratie naar de Verenigde Staten werd ook in de jaren 1990 voortgezet. Om in het tekort aan computerspecialisten te voorzien, werd in de Verenigde Staten in 1990 een bijzondere categorie van visa voor specialisten voorzien, het H1B-visum. Elk jaar komen enkele tienduizenden Indiërs langs deze weg naar de Verenigde Staten, en het aantal stijgt. In 1996 werden 29.239 H1B-visa aan Indiërs toegekend, tussen oktober 1999 en maart 2000 kregen 34.381 Indiërs hun toegangsbewijs. De helft van alle geïmmigreerde specialisten en driekwart van de softwaredeskundigen komen uit India. Een deel van de Indiase softwaredeskundigen gaat na zes jaar (de normale duur van het H1B-visum) naar India terug, de anderen krijgen een permanente verblijfsvergunning. Maar beide groepen dragen bij tot het ontstaan van transnationale sociale netwerken tussen India en de Verenigde Staten. Zonder deze migranten is de huidige Indiase softwareboom niet te verklaren.

Toegekende H1B-visa door de Verenigde Staten tussen oktober 1999 en februari 2000 (ramingen voor de andere landen dan India)



India
China
Canada
Verenigd Koninkrijk
Filippijnen
Taiwan
Korea
Japan
Pakistan
Rusland 34.381
7.800
2.700
2.400
2.300
2.300
2.200
2.100
2.000
2.000



BESLUITEN

Het voorbeeld van de Indiase softwaremigranten bewijst dat de kosten-batenanalyse van de migratie van hooggeschoolden van ontwikkelingslanden naar industrielanden niet altijd éénzijdig negatief uitvalt voor de ontwikkelingslanden. De potentiële voordelen voor het ontwikkelingsland liggen niet alleen bij het terugvloeien van spaargelden of bij de vermindering van de spanningen op de arbeidsmarkt (minder open werkloosheid bij hooggeschoolden). Wanneer het tot terugkeermigratie en de opbouw van transnationale sociale netwerken komt, heeft dit voor het ontwikkelingsland positieve effecten. De overheid moet daarvoor het vereiste kader scheppen. In ideaaltypische gevallen komt een krachtig en zichzelf onderhoudend ontwikkelingsproces op gang, dat zonder de impulsen van de migranten onmogelijk geweest was.

De migraties van hooggeschoolden vanuit de ontwikkelingslanden naar de industrielanden zijn een relatief nieuw verschijnsel maar zullen onder invloed van de globalisering nog toenemen. Wat men tot nu toe als braindrain aangeklaagd heeft, kan ook, naar het voorbeeld van India, als een potentiële braingain beschouwd worden.

Men moet geval per geval onderzoeken, en nagaan of de migratie werkelijk een tekort aan hooggeschoolden en kaderpersoneel in de ontwikkelingslanden doet ontstaan. Het voorbeeld van India bewijst dat er jarenlang een overschot aan academici was, zodat de emigratie van dat overschot per saldo positief kon uitvallen.

Er is een nieuw type van migrant naar voren gekomen. Wanneer hij of zij ook als economisch subject, dit wil zeggen als ondernemer, kan optreden, kan er een positief ontwikkelingseffect optreden. De migrant combineert dan zowel de technische kennis als het inzicht in de cultuur en de ontwikkelingsbehoeften van zijn of haar land van oorsprong. Een theorie over de voorwaarden waaronder migranten hun verworven kennis en contacten voor de ontwikkeling van hun land van herkomst kunnen inzetten, kan zowel aan de migratietheorieën als aan het denken over ontwikkeling nieuwe impulsen geven.

De voorwaarden en omstandigheden die van een braindrain een braingain kunnen maken, moeten onderzocht worden. De sociaal-culturele randvoorwaarden moeten vervuld zijn: een goed opleidingssysteem dat een overschot aan hoogopgeleiden voortbrengt, een gemeenschappelijke taal, eventueel een gedeelde historische ervaring door kolonisatie. Deze sociaal-culturele randvoorwaarden zijn van belang voor de specifieke dynamiek van het migratieproces en voor de vorming van transnationale sociale netwerken. Daarnaast is ook het sociaal-economisch beleid van het ontwikkelingsbeleid van belang: er moet een marktgerichte ontwikkelingsstrategie zijn en een open migratiebeleid. Onderzoek moet uitwijzen of voor een bepaald ontwikkelingsland en voor een bepaalde vorm van migratie de voorwaarden voor braingain vervuld zijn.

Dat deze nieuwe opvatting nog niet overal doorgedrongen is, bewijst de toon van het actuele debat in Duitsland over de toekenning van visa voor Indiase softwarespecialisten. In dat debat worden telkens opnieuw al te simpele begrippen gehandhaafd. De mogelijkheid van internationale samenwerking en van win-winsituaties voor beide landen, wordt nauwelijks onder ogen gezien. Er zijn heel wat softwarespecialisten uit landen in Midden- en Oost-Europa die graag in Duitsland zouden werken. Duitsland zou voordeel kunnen halen uit een onbevooroordeelde studie van de Amerikaans-Indiase ‘softwareruimte’. Een wisseling van perspectief van braindrain naar braingain, zou zowel het migratieonderzoek als de ontwikkelingstheorie ten goede komen.

De auteur is verbonden aan het Institut für Migrationsforschung und Interkulturelle Studien van de universiteit van Osnabrück in Duitsland. Dit artikel verscheen eerder als IMIS-Beiträge, nummer 16, jaargang 2000.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3195   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift