Van Seattle naar Qatar

Statutair houdt de Wereldhandelsorganisatie (WTO) om de twee jaar een ministerconferentie. De eerste twee, in Singapore en Genève, zijn buiten de kring van WTO-watchers redelijk onopgemerkt voorbijgegaan. Hoewel, in de straten van Genève ging het er al behoorlijk heet aan toe. De derde conferentie in Seattle groeide uit tot een media-event van je welste. Dat had in eerste instantie te maken met de grote inzet van de conferentie. Seattle zou de start worden van een nieuwe uitgebreide onderhandelingsronde.
De Europese Unie in het bijzonder had er hard voor gewerkt om die zogenaamde ‘Millennium Ronde’ op de agenda te krijgen. Vervolgens had de WTO haar leden opgeroepen om met stevige delegaties naar Seattle te komen, met echte ‘decision makers’ om belangrijke beslissingen te nemen. Omwille van die grote inzet streken ook voor- en tegenstanders van de Ronde massaal in Seattle neer samen met een enorme cohorte mediamensen.

In tweede instantie kregen de media meteen waar voor hun geld. Goed georganiseerde actiegroepen grendelden de hotels van de delegaties en het conferentiecentrum af. Het geklungel en het geweld van de ordehandhavers zorgden voor tegengeweld, en een hele week lang was het hek van de dam. Dat leverde fraaiere beelden op dan de saaie conferentiekost. In derde instantie zorgde de WTO zelf voor de klap op de vuurpijl: de kleine kern van onderhandelaars die het laken naar zich hadden toegetrokken geraakte niet uit de onenigheid en de conferentie werd een totale flop.

Van 9 tot 13 november van dit jaar is het tijd voor de vierde WTO-Ministerconferentie, in Doha, de hoofdstad van het golfstaatje Qatar. De keuze voor Qatar is al het voorwerp geweest van een hele controverse. Qatar heeft ten eerste al niet voldoende hotelcapaciteit om al de mensen te herbergen die de conferentie met zich meebrengt of zal aanlokken. Qatar zal cruiseschepen moeten inhuren om aan die vraag te voldoen. Maar problematischer is de geringe democratische traditie in het land: vrijheid van vereniging en meningsuiting is er niet evident. De WTO geeft met de keuze voor Qatar de indruk dat ze zich voor het protest wil verstoppen in de woestijn. De WTO zegt dat er eigenlijk geen keuze was: omwille van de protesten in Seattle en nadien in Washington, Melbourne, Praag, Nice, enz. was geen andere lidstaat bereid om de vierde ministerconferentie te organiseren.

Maar misschien is al die drukte rond Qatar wel voorbarig. De standpunten over de nieuwe ronde liggen nu nog altijd even ver uiteen als twee jaar geleden. Er zal nog veel moeten gebeuren om onder de WTO-leden een consensus over een nieuwe ronde te vinden. En als die consensus niet gevonden wordt vóór Qatar, dan wordt Qatar een gewone statutaire bijeenkomst zonder veel belang, want de WTO wil niet het risico lopen om nog eens een flop mee te maken.

SEATTLE: KRONIEK VAN EEN AANGEKONDIGDE MISLUKKING

Achteraf is het natuurlijk gemakkelijk gezegd, maar de mislukking van Seattle was te voorzien. Of anders gezegd misschien, het zou echt een enorme krachttoer geweest zijn mocht Seattle geslaagd zijn. Tijdens de voorbereidende onderhandelingen in de hoofdzetel van de WTO in Genève over de slottekst van Seattle was duidelijk gebleken dat de standpunten zeer ver uit elkaar lagen. Een groot aantal landen bewezen wel lippendienst aan de nieuwe Ronde, maar geen tien leden bedoelden daarmee hetzelfde als de EU. De Europese Unie wilde een korte maar uitgebreide onderhandelingsronde over een groot aantal sectoren en onderwerpen tegelijk: zowel traditionele onderwerpen als landbouw, diensten, markttoegang, anti-dumping en intellectuele eigendomsrechten, als nieuwe thema’s zoals milieu en sociale normen, en nieuwe sectoren zoals investeringen, overheidsaanbestedingen, concurrentie, en ‘trade facilitation’ (maatregelen die de handel ‘vergemakkelijken’, zoals vereenvoudiging van controles en documentatie). De Verenigde Staten zagen het niet zo ruim en wilden ook liever snelle resultaten over deelgebieden, dan een globaal akkoord over alles tegelijk. Een snelle beslissing over tariefverminderingen bijvoorbeeld, of een akkoord over de E-commerce, de handel via het internet. Investeringen, overheidsaanbestedingen, concurrentieregels en anti-dumping, daar praatten de Amerikanen liever niet over. Bovendien moest Europa volgens de Amerikanen ook eerst zijn bereidheid tot verdere liberalisering in de landbouw op papier zetten, voor er over andere zaken kon gepraat worden. Dat laatste was en is ook het standpunt van de zeer actieve en agressieve Cairns-groep, een groep van landbouwexporterende landen, geleid door Australië. Ook de meeste ontwikkelingslanden denken in die richting. Bovendien legde een grote groep van ontwikkelingslanden in oktober 1999 een lange lijst op tafel van artikels en bepalingen uit diverse bestaande WTO-akkoorden die volgens hen dringend moesten worden bijgeschaafd. De bestaande akkoorden waren volgens deze groep onevenwichtig. Vooraleer aan onderhandelingen over nieuwe akkoorden te beginnen was een evaluatie en bijsturing van de bestaande akkoorden nodig (het geheel van voorstellen hierover vormt het zogenaamde ‘implementatie-dossier’, de problemen die bij de uitvoering van de akkoorden of ‘implementatie’ zijn opgedoken). De meeste ontwikkelingslanden vonden trouwens dat de bestaande akkoorden hen maar weinig van de beloofde voordelen hadden gebracht en waren niet erg happig om in dezelfde trant nieuwe verplichtingen op zich te nemen. Het Europese voorstel om binnen de WTO te onderhandelen over investeringen, overheidsaanbestedingen, concurrentieregels en ‘trade facilitation’ (de vier zogenaamde Singapore-issues) zagen de meeste ontwikkelingslanden niet echt zitten.

In Genève raakten de WTO-leden er dus maar niet uit. Naarmate Seattle naderde, werd er koortsachtiger naar een oplossing gezocht. De techniek van de Green-Roomgesprekken werd weer van stal gehaald: informele besprekingen ‘en petit comité’ tussen de leidinggevende WTO-leden (de industrielanden dus) en enkele uitverkoren ontwikkelingslanden (groen, naar de kleur van het behang in het bureau van een voormalige Directeur-Generaal van de GATT, de voorganger van de WTO). Deze ‘machtsgreep’ werd door de ontwikkelingslanden niet gesmaakt. Zij protesteerden officieel tegen de gang van zaken.

Uiteindelijk trokken de WTO-leden zonder een ontwerp van slotverklaring naar Seattle. Het enige wat ze mee hadden was een bundeling van alle voorstellen: 32 bladzijden met meer vierkante haken dan tekst. Hoe kon men dan hopen dat men in Seattle in minder dan een week zou klaren wat vooraf in maanden niet was gelukt? Dikwijls is het zo dat ‘iedereen bij elkaar zetten en onder tijdsdruk plaatsen’ echt werkt, repliceerden diplomaten.

Maar in Seattle werkte dit niet. En in een poging om een resultaat te forceren, verdrongen Green-Roomgesprekken opnieuw snel de open onderhandelingssessies van de eerste dagen. Honderden ministers, experts, hoge diplomaten en ambtenaren werden daardoor veroordeeld tot dagenlang niets doen en rondhangen in het kale beton van het conferentiegebouw. De arrogantie van de Green Roomonderhandelaars ergerde de ontwikkelingslanden dermate dat ze op de voorlaatste avond van de conferentie opnieuw een formeel protest lieten circuleren. Toen de Amerikaanse gastvrouw en onderhandelaar Charlene Barshefsky uiteindelijk de mislukking bekend maakte, was de grote meerderheid van de delegaties zichtbaar opgelucht omdat ze geen besluit moesten slikken waaraan ze part noch deel hadden; opgelucht, maar ook uitermate geërgerd omwille van de uitsluiting en de verspilling van tijd en middelen.

DE KATER VAN SEATTLE

Na Seattle zat de WTO met een meervoudige kater: de WTO was gediscrediteerd door het aanhoudende protest op straat, dat de WTO voor een ondemocratische, ondoorzichtige organisatie versleet die geen aandacht had voor sociale gevolgen, milieu en ontwikkeling; de WTO had zich getoond als een inefficiënte organisatie die er niet in slaagde tot besluiten te komen; de WTO had het grootste gedeelte van haar leden, de ontwikkelingslanden, mateloos geërgerd door hen uit te sluiten van de onderhandelingen, en geen aandacht te schenken aan hun bekommernissen.

Resultaat: na Seattle was de WTO-agenda nog zwaarder en moeilijker dan ooit tevoren. Ten eerste bleef de vraag hoe het nu verder moest met een nieuwe ronde. Ten tweede moest nu worden gewerkt aan het herstel van het vertrouwen in de organisatie, niet alleen bij het publiek, maar ook bij de leden. ‘Confidence building’ werd tot prioriteit uitgeroepen. De WTO zou laten zien dat ze de ontwikkelingslanden ernstig nam en dat ze oog had voor hun belangen. Tot de vertrouwenswekkende of -herstellende maatregelen behoorden: een hervorming van de WTO (democratie en transparantie), een grondige behandeling van het implementatiedossier, een verhoging van de technische bijstand aan ontwikkelingslanden, werk maken van vrije markttoegang voor de minstontwikkelde landen.

Ten derde moest de WTO onderhandelingen opstarten over landbouw en diensten. Aan het eind van de vorige onderhandelingsronde, de Uruguay Ronde (1986-1994), was immers beslist dat een aantal akkoorden na een aantal jaar zouden herbekeken of heronderhandeld worden (de zogenaamde ‘built-in’ of ingebouwde agenda). Zo moesten nieuwe onderhandelingen over verdere liberaliseringen in landbouw en dienstensector van start gaan voor het einde van 1999. De Europese Unie heeft altijd gevreesd voor afzonderlijke onderhandelingen over landbouw. Net daarom wilde ze een nieuwe Ronde. Dan kon het spel van geven en nemen beter gespeeld worden en toegevingen afgekocht worden met compensaties in andere sectoren. Nu kwamen die afzonderlijke onderhandelingen er toch.

VERTROUWENSCHOKKENDE MAATREGELEN

Hoe is het sinds Seattle met die drievoudige agenda gelopen? Niet zo best. Op geen enkel terrein is grote vooruitgang geboekt. Bekijken we ten eerste de ‘confidence building’. Terwijl iedereen na Seattle de mond vol had van hervormingen en de industrielanden en het WTO-secretariaat voortdurend de nood aan vertrouwenwekkende maatregelen benadrukte, lijkt het enthousiasme hiervoor snel te zijn weggeëbd.

Van de hervorming van de WTO is nauwelijks iets in huis gekomen. De Europese commissaris Pascal Lamy had de WTO in Seattle middeleeuwse methoden verweten. Iedereen ziet dat de organisatie efficiënt noch democratisch is, maar niemand schijnt echt radicale veranderingen te willen. De Europese Unie denkt aan een aantal kleine verbeteringen, zodat bijvoorbeeld de ministerconferenties beter zouden voorbereid en geleid worden of informele bijeenkomsten gereglementeerd. Maar die oefening mag het lanceren van een nieuwe ronde niet vertragen. Met andere woorden: de ronde eerst, hervormingen later. Maar ook de ontwikkelingslanden zijn niet echt geïnteresseerd voor grote veranderingen: geen wijziging van de consensusregel, geen systeem van vertegenwoordigingen, waarbij groepen van landen afgevaardigden zouden aanduiden in de Green Room of zo. De meeste ideeën rond een hervorming van de WTO gaan uit naar meer interne transparantie, zodat iedereen weet wie wanneer met wie praat, en zodat iedereen snel zicht heeft op de stand van zaken. Maar blijkbaar is dat al teveel gevraagd, want concrete beslissingen ter zake zijn nog niet genomen. De industrielanden koppelen interne transparantie aan externe transparantie, of openheid naar derden toe, waar vooral hun publieke opinie naar zou vragen, maar dat zien de ontwikkelingslanden weer niet zo zitten. Zij hameren erop dat de WTO een intergouvernementele organisatie is en dat de niet-gouvernementele organisaties (ngo’s dus) hun informatie maar bij de eigen regeringen moeten zoeken. Veel ontwikkelingslanden voelen zich overigens nogal bedreigd door de druk die ngo’s uitoefenen, temeer omdat die niet per se de belangen van de ontwikkelingslanden dienen. Onder ngo’s verstaan de internationale organisaties trouwens ook de bedrijven en de industriële lobbies, en de vrees is dat die nog meer voet aan de grond zouden krijgen in de WTO.

Technische bijstand zou de ontwikkelingslanden moeten helpen om de bestaande akkoorden uit te voeren, hun exportcapaciteit te verbeteren en hun onderhandelingscapaciteit uit te breiden. Het budget voor technische bijstand van de WTO is bijzonder klein en de geleverde bijstand is van slechte kwaliteit. Ontwikkelingslanden stellen voor hun bijscholing meer vertrouwen in de UNCTAD. Mike Moore, de Directeur-Generaal van de WTO heeft in het voorjaar van 2000 het voorstel gelanceerd om het WTO-post voor technische bijstand te vergroten van 17,5 miljoen BEF tot 230 miljoen BEF. Tot nu toe is hij er nog niet in geslaagd om dit bedrag bij elkaar te krijgen. Wel hebben enkele industrielanden hun ‘goodwill’ getoond door vrijwillige bijdragen te storten in het Global Trust Fund, dat in juli 1999 is opgericht om middelen te vergaren voor technische bijstand aan ontwikkelingslanden. De WTO werkt nog steeds aan een driejarenplan voor 2000-2003 en aan een strategienota voor technische bijstand, maar die zijn nog niet goedgekeurd.

Ondertussen is wel het ‘Integrated Framework for trade-related technical assistance to least-developed countries’ opnieuw wakker geschud. Dat samenwerkingsverband van WTO, Wereldbank, IMF, UNCTAD, UNDP en het International Trade Centre om de handelscapaciteiten van minstontwikkelde landen te ondersteunen was in oktober 1997 opgericht als onderdeel van het Actieplan voor de minstontwikkelde landen dat met veel zwier was afgekondigd op de eerste WTO-ministerconferentie van Singapore eind 1996. Maar veel heeft het Framework niet verricht en het hele Actieplan gold als één van de zoveel loze beloften die altijd weer gemaakt worden op conferenties om ontwikkelingslanden over de schreef te krijgen. In juli 2000 hielden de zes partners van het Framework een evaluatievergadering waar ze plannen uitwerkten om handel te integreren in hun hulpprogramma’s en een nieuw fonds voor technische bijstand oprichtten. Of er voldoende middelen gevonden kunnen worden om dit fonds te spijzen is niet duidelijk.

Vrije markttoegang voor de minstontwikkelde landen is nog zo een belofte die al jaren meegaat en ondertussen nogal wat cynische commentaren heeft uitgelokt. Dat komt omdat het maar bij beloften blijft en de industrielanden het steevast hebben over markttoegang voor ‘essentially all products’, vrij vertaald ‘zo goed als alle producten’, waar de belangrijkste producten nooit bijzitten. Een voorstel in die zin van de Quad (de grote vier: EU, VSA, Canada en Japan) op 31 maart 2000, werd door ontwikkelingslanden als zeer ontgoochelend afgedaan en zelfs ‘vertrouwenschokkend’ genoemd.

Maar uiteindelijk is de Europese Unie op 26 februari 2001 er toch in geslaagd de formele beslissing te treffen om vanaf 1 maart haar grenzen open te stellen voor de minstontwikkelde landen. Het initiatief kreeg van de Europese Commissie de roepnaam ‘E.B.A.’, afkorting voor ‘Everything But Arms’, ‘alles behalve wapens’ dus (alsof het de minstontwikkelde landen zouden zijn die de wereld voorzien van wapens). Maar het zijn niet alleen wapens die uitgesloten worden. Voor suiker, rijst en bananen - belangrijke producten voor ontwikkelingslanden - voorziet het EBA tijdelijke beperkingen op de marktoegang en lange overgangsperioden. De overgangsperiodes die de Commissie oorspronkelijk had voorgesteld werden trouwens nog verlengd na verzet van de Europese landbouwlobbies.

Niettemin beschouwt de Commissie het EBA als een krachttoer en als een belangrijke symbolische geste ten aanzien van de ontwikkelingslanden. Dat neemt niet weg dat ook het EBA een kind is van het neoliberale denken over handel en ontwikkeling: ‘ontwikkelingslanden zijn gebaat met een vrije markt’. Ook als ze niet echt overschotten hebben om te exporteren? Ook als productie voor export ten koste gaat van productie voor de interne markt? Ook als de vrije markt leidt tot lagere prijzen? Misschien had Europa de minstontwikkelde landen beter toegelaten tot haar suikerprotocol, bijvoorbeeld, dat gegarandeerde afzet biedt tegen gegarandeerde prijzen. Misschien is een gecontroleerde en voorspelbare markt voor de minstontwikkelde landen een betere stap op weg naar ontwikkeling? De Europese Unie heeft het debat daarover niet gevoerd. Ze heeft met betrekking tot het EBA-voorstel ook niet overlegd met de ACS landen (Afrika, Caraïben en Pacific), die via de verdragen van Lomé (nu Cotonou) een geprivilegieerde handelsrelatie hebben met Europa.

Het implementatiedossier is voor de ontwikkelingslanden het meest cruciale punt op de post-Seattle-agenda. Zoals gezegd gaat het hier over voorstellen die ze zelf op tafel hebben gelegd om de bestaande akkoorden bij te sturen. In de meeste gevallen gaat het over de verlenging van overgangsperiodes en de verzachting van bepaalde verplichtingen. De reacties van de industrielanden op deze voorstellen waren en zijn niet bepaald enthousiast. Vooral de Verenigde Staten halen hun neus op: ‘a deal is a deal’ zeggen ze, ‘gegeven is gegeven’. De VS willen hoogstens een aantal gevallen op individuele basis bekijken en enkel dan welwillend zijn als blijkt dat het betrokken land zijn best heeft gedaan om de opgelegde verplichtingen na te komen. De Europese Unie is altijd wat meer flexibel geweest. Dat komt omdat ze ook altijd het meest geïnteresseerd geweest is in een nieuwe ronde. Al vóór Seattle was de EU bereid een soort hinkstapsprong te doen: een aantal verlengingen konden worden toegestaan in Seattle (als de ontwikkelingslanden akkoord zouden gaan met de ronde), een aantal voorstellen zouden een jaar lang van naderbij worden onderzocht en het merendeel zou gewoon doorgeschoven worden naar de ronde omdat ze eigenlijk een heronderhandeling vergen. Voor de ontwikkelingslanden is dit altijd onvoldoende geweest. Zij weigeren het implementatiedossier te laten afhangen van hun goedkeuring voor een nieuwe ronde. Voor de ontwikkelingslanden zijn hun voorstellen een kwestie van herstel voor de onevenwichtige akkoorden die uit de Uruguay Ronde zijn gekomen, voor hun geringe deelname aan de Uruguay-onderhandelingen, voor de geringe voordelen die ze uit de bestaande akkoorden hebben gehaald. En na Seattle, voor de vernederingen die ze er moesten ondergaan. Toonaangevende ontwikkelingslanden, zoals Pakistan, draaien de conditionaliteit gewoon om: geen vooruitgang in het implementatiedossier, geen ronde. En tot nu toe is er inderdaad geen vooruitgang geboekt, op een aantal toegevingen voor individuele landen na. De industrielanden blijven temporiseren, wellicht tot in Qatar om daar het dossier weer op hun manier te koppelen aan de ronde.

De ontwikkelingen rond institutionele hervormingen, technische bijstand, markttoegang en implementatie zijn niet erg vertrouwenwekkend geweest. Niet dat er helemaal niets gebeurd is - er is enige vooruitgang - maar wel dat het allemaal zo een martelgang lijkt te gaan. Bovendien maken de ontwikkelingslanden hun rekening niet alleen aan de hand van deze dossiers. Zij zien daarnaast eveneens dat de industrielanden in bijvoorbeeld de herziening van het TRIPS-akkoord (over intellectuele eigendomsrechten en octrooien) helemaal het been stijf houden en en bloc de voorstellen van de ontwikkelingslanden afhouden. Zij zien ook de beslissing die de Europese Unie in november 2000 genomen heeft in het kader van het Textielakkoord. De uitvoering van de derde fase van het Textielakkoord moest aangevat worden. In deze fase moet de EU een verdere 18 procent van haar textielquota liberaliseren. De EU slaagde erin om, zoals in de eerste en tweede fase, nog maar eens bitter weinig producten, die voor ontwikkelingslanden van belang zijn, in die 18 procent te stoppen. De reden voor die beslissing is duidelijk. De Unie onderhandelde ondertussen met meerdere landen afzonderlijk om hen toezeggingen te doen, in ruil voor meer markttoegang voor Europese textielproducten. Op die manier zal de EU er niet echt in slagen om de ontwikkelingslanden te doen geloven dat de Unie hun belangen ter harte zal nemen in een nieuwe ronde, die zogenaamd een ontwikkelingsronde zou moeten worden.

INGEBOUWDE AGENDA: LANDBOUW EN DIENSTEN

Ook de onderhandelingen over landbouw en diensten schieten niet echt op. De Europese Unie wou geen afzonderlijke heronderhandelingen over deze twee akkoorden. Met de mislukking van Seattle heeft zij geweigerd om zich te laten vastpinnen op een duidelijke kalender en op concrete streefdoelen. Het onderhandelingsproces heeft dus een open einde en is eigenlijk nog niet echt begonnen. In beide gevallen heeft men zich een jaar bezig gehouden om voorstellen in te zamelen en te bespreken, voorstellen waarover de onderhandelingen zouden moeten gaan, over hoe bepaalde aspecten aangepakt zouden kunnen worden. De Europese Unie heeft zich in dat proces zeer actief getoond en tal van papers ingediend om haar standpunten te verduidelijken. Maar ook de ontwikkelingslanden hebben belangrijke en interessante voorstellen geformuleerd, vaak en bloc.

Einde maart 2001 vonden in Genève belangrijke vergaderingen plaats om in beide dossiers een stand van zaken op te maken (‘stock-taking’) en te bekijken hoe de stap kon worden gezet naar echte onderhandelingen. In beide gevallen is afgesproken om opnieuw nog eens een heel jaar te gebruiken om al de ingediende voorstellen te onderzoeken en te bespreken.

De inzet van de landbouwonderhandelingen is bekend en sinds Seattle niet gewijzigd. Van de industrielanden wordt verwacht dat zij de steun aan hun landbouw verminderen en hun grenzen minder afschermen. De Europese Unie vooral ligt onder vuur omwille van haar protectionisme en de grote hoeveelheid exportsubsidies. De Unie verdedigt haar landbouw met het principe van de multifunctionaliteit: landbouw is meer dan een economische activiteit en vereist steun omwille van de zorg voor milieu, plattelandsontwikkeling, dierenwelzijn, enz. Vandaar dat volgens de EU landbouw niet aan de gewone WTO-regels onderworpen kan worden. Daar heeft de Unie ongetwijfeld gelijk in, maar enerzijds is de Europese landbouw niet echt gericht op milieuzorg en dierenwelzijn, zelfs niet op voedselveiligheid, en anderzijds brengt het Europese beleid schade toe aan de multifunctionaliteit en vooral de voedselzekerheid van derde landen. Bovendien koestert de Unie tegelijk met haar protectionisme nog sterke exportambities en is ze vragende partij voor marktliberalisering door anderen. In het gevecht tegen het Europese landbouwbeleid doen de Amerikanen dapper mee, hoewel zij hun landbouw eveneens van torenhoge subsidies voorzien.

De inzet van de onderhandelingen over de dienstensector (GATS, General Agreement on Trade in Services) was vóór Seattle minder bekend. Sindsdien hebben tal van ngo’s campagnes opgezet rond het GATS. Voor hen is de inzet het voortbestaan van de openbare diensten. Onder GATS kunnen inderdaad alle diensten vallen. Ook onderwijs, gezondheidszorg, water, elektriciteit, openbaar vervoer, enz. Voor de dienstenindustrie zijn de GATS-onderhandelingen het middel om toegang te krijgen tot deze sectoren.

Bovendien is het duidelijk dat de dienstensector in het Noorden veel meer ontwikkeld is dan in het Zuiden en dat het Zuiden in veel gevallen niet klaar zijn om de concurrentie aan te gaan. gaan. Tegelijk met het inzamelen van voorstellen over de verdere liberalisering van de dienstensector, zijn er binnen de GATS-Raad van de WTO werkgroepen aan de slag over regels voor de handel in diensten en over de richtlijnen voor de komende onderhandelingen. Noord en Zuid hebben maandenlang slag geleverd over de onderhandelingsrichtlijnen. De ontwikkelingslanden wilden duidelijke afspraken over wat en hoe er onderhandeld zal worden, en ze wilden sterke formuleringen over een aangepaste behandeling voor ontwikkelingslanden. Net op de valreep voor het begin van de “stock-taking”- vergaderingen van eind maart, werd uiteindelijk een consensus bereikt over een aangepaste vierde versie van de richtlijnen. Ontwikkelingslanden die eerdere versies hadden afgewezen omdat ze te weinig ontwikkelingsvriendelijke bepalingen bevatten, zijn er uiteindelijk in geslaagd redelijk goed aan hun trekken te komen. Zo is er voorwaar toch nog een echte vertrouwenwekkende stap gezet. Het valt nu af te wachten of de industrielanden zich tijdens de eigenlijke onderhandelingen even inschikkelijk zullen opstellen. Sommige ontevreden industrielanden zeggen nu plots dat de onderhandelingsrichtlijnen eigenlijk niet zo belangrijk zijn!

DE MILLENNIUMRONDE RAAKT NIET VAN DE GROND

Tussen al deze onderhandelingen door heeft Pascal Lamy, de Europese Commissaris voor Handel, heel de wereld afgereisd om de noodzaak van een nieuwe ronde te bepleiten. Daarbij werd hij geholpen door zijn diensten die her en der seminaries organiseerden om de Europese standpunten te verdedigen, en door ministers van de EU-lidstaten die bij elke buitenlands bezoek de ronde ter sprake brachten, met als kampioene wellicht de Britse minister voor ontwikkelingssamenwerking, Claire Short, die India in januari 2001 een half miljard Euro per jaar aan ontwikkelingshulp ging bieden als India de weg van de globalisering zou kiezen.

Lamy hanteert in zijn boodschappen aan de WTO-leden zowel ‘de wortel als de stok’. De wortel zijn de beloftes om de belangen van de ontwikkelingslanden ter harte te nemen, de vertrouwenwekkende maatregelen dus, waarvan het EBA momenteel de meest concrete is. De stok is de dreiging, zoals tijdens de Uruguay Ronde, dat als er geen nieuwe WTO-regels komen, de chaos dreigt. Dan zullen de lasten die het Noorden aan het Zuiden oplegt via bilaterale en regionale akkoorden nog zwaarder zijn; dan zullen de geschillenregelingsorganen van de WTO via eigen interpretaties van de akkoorden veel nadeligere verplichtingen opleggen, enz.

Maar wortel en stok ten spijt moet ook Lamy inzien (of vooral Lamy, omdat hij zoveel op het terrein geweest is) dat de Europese voorstellen voor een Millenniumronde maar weinig WTO-leden bekoren. In maart 2000 al polste Lamy daarom de 15 lidstaten of ze het EU standpunt inzake de Ronde niet wat konden versoepelen. Het voorstel werd afgeketst. In december was Lamy terug met zijn vraag naar flexibiteit. Op 13 december legde hij een uitgebreid voorstel voor aan Comité 133, het comité van handelsexperts van de lidstaten dat het Europese handelsbeleid mee stuurt. Het document maakt een juiste analyse van de weerstanden tegen Ronde, maar trekt helaas maar beperkte conclusies. De flexibiliteit heeft vooral betrekking op de Singapore issues: Lamy stelt voor om over investeringen en concurrentieregels niet multilateraal maar plurilateraal te onderhandelen, dat wil zeggen dat de WTO-leden de keuze gelaten wordt om mee te doen of niet. De beslissing van de EU-lidstaten is dubbelzinnig: Lamy mag de WTO-leden polsen naar hun reactie op dit idee, maar het Europese standpunt blijft ongewijzigd. Daaruit kan men twee conclusies trekken; ofwel zal het EU-standpunt later gewijzigd worden als blijkt dat de plurilaterale optie gevolgd wordt, ofwel dient de plurilaterale optie enkel om de onderhandelingen van de grond te krijgen om dan nadien de wegblijvers te pushen om zich toch aan te sluiten. Of deze tactiek zal lukken valt af te wachten. De meeste WTO-leden lijken alleszins de tweede conclusie te trekken en blijven investeringen en concurrentieregels afwijzen.

MOET ER NOG ZAND ZIJN?

Ondertussen bereidt de WTO zich voor op Qatar. De meeste WTO-leden willen er niet naartoe zonder een duidelijke agenda en zonder consensus over wat het resultaat van Qatar moet zijn. Directeur-Generaal Mike Moore heeft gezegd dat men hiermee tegen eind juli rond moet rond zijn. Maar Lamy wil zich daar niet op vast pinnen, en zijn nieuwe Amerikaanse collega, Robert Zoellick heeft laten weten dat de regering Bush ‘tegen juli nog niet klaar zal zijn om te beslissen of de tijd voor een nieuwe ronde rijp is’. Tussen de EU en de VS vallen er trouwens nog heel wat zaken uit te klaren. Beide handelsgrootmachten hebben nog een stuk of wat handelsgeschillen lopen en de VS hebben te kennen gegeven dat de EU er bijvoorbeeld niet moet aan denken om sancties te nemen tegen de VS in de zaak van de belastingskortingen voor Amerikaanse exportbedrijven. De VS bevestigden anderzijds wel hun dreiging om bijkomende sancties te nemen tegen de EU in het bananengeschil.

Amerikaanse steun voor de Ronde is met andere woorden nog niet binnen, zeker niet gezien de Amerikanen al heel wat van hun ambities ingelost zagen door de Chinese toetreding tot de WTO en verder vooral werk lijken te willen maken van de Pan-Amerikaanse Vrijhandelszone (FTAA).

Er zal dus in Qatar nog veel zand door de woestijn waaien eer de Millenniumronde er uit de startbokken komt.

Marc Maes is medewerker van de 11.11.11-studiedienst.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2643   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift