Vastgeroest of losgeritst?

Heeft Vredeseilanden-Coopibo tijdig en correct bijgestuurd om een betekenisvolle rol te blijven spelen in de internationale solidariteit?
Een poging tot antwoord in 4 luiken: algemeen; iets over de versmelting van Noord en Zuid tot één wereld; de werking in het Noorden, snel en algemeen; vervolgens meer gedetailleerd de Zuidwerking.

Dalende impact van de ‘structurele’ club

Sinds de jaren ‘90 hebben de Belgische NGO’s die structureel ontwikkelingswerk verrichten geen vuist kunnen maken. Zij hebben niet het verschil gemaakt in de problemen van Centraal-Afrika, niet in de nefaste landbouwpolitiek van GATT en WTO; niet in het Belgisch en Europees Afrika-beleid. Dat waren 3 grote politieke items de jongste 5 jaar en België heeft hier spijtig genoeg nergens het verschil gemaakt… De redenen waarom de NGO’s tekort schoten zijn genoegzaam bekend en werden aangeduid door Dirk Barrez, door de Ekstermolengroep en anderen: overlevingsnoodzaak, versnippering, gebrek aan professionaliteit en specialisatie, gebrek aan globale complementariteit tussen alle actoren, afhankelijkheid van overheden enz. Zowel vanuit Vredeseilanden als vanuit Coopibo hebben wij mee kabaal gemaakt om te komen tot een slagvaardige solidariteitsbeweging. We hebben onze nek uitgestoken in het Rwanda-debat; we hebben geïnvesteerd in de Honger-campagne en in Vierkant voor Afrika en dit steeds vanuit onze specificiteit. We zijn een heuse fusie aangegaan tussen beide complementaire clubs en we hebben het Consortium WAAW op de rails gezet, dat veel meer tracht te zijn dan een louter financieringskanaal.

Vanwaar dan deze dalende impact? Een analyse uit 1993 ‘Onbekend, Onbemind’ onder leiding van South Research wees uit: alle NGO’s willen overleven door groei. Dus: ze blijven op zichzelf gekeerd in plaats van op zoek te gaan naar een noodzakelijke complementariteit, onder elkaar, met de media en andere sociale bewegingen, met universiteiten en andere actoren.

Misschien zelfgenoegzaamheid?

Toen Coopibo begin 1996 werd ‘uitgeloot’ om voor de derdewereldbeweging de kastanjes uit het vuur te halen in de financiële audit van het Hoog Comité van Toezicht, was er geen echt solidariteitsgevoel in de sector, enkel een ‘oef, niet bij ons’. Toen de fusie tussen Vredeseilanden en Coopibo echt rond was voelden we geen echte bevraging bij de andere NGO’s rond hun schaaloptimalisatie, wel aanzetten voor subsidieoptimalisatie. En hier zien we duidelijk breukvlakken tussen de top van de NGO’s en de bredere basis – de brede sympathisantenkring - die kordatere veranderingen voor ogen heeft.

Zit de remming bij enkele grote ‘personnalités incontournables’, bv. van het francofone NGO-circuit, of leidt institutionalisering tot vastgeroeste posities en dus tot institutionele inertie?

In elk geval: we weten met zijn allen dat de NGO-wereld drastisch herschikt moet worden in complementaire gehelen, met NCOS en COPROGRAM als sterke hefbomen en met een structurele, Europese en internationale verankering. Waar wachten we dan nog op?

Eerste besluit: zowel Vredeseilanden als Coopibo deden en doen in de algemene constellatie van de Vlaamse NGO’s hun deel van het werk. Misschien niet steeds verstandig of efficiënt, wel heel kordaat en luidkeels. En de bereidheid tot ‘meer’ blijft leven, ondanks de ontgoochelende respons in de sector.

Van derdewereldbeweging naar wereldbeweging

Vredeseilanden-Coopibo heeft geregeld haar visie aangepast ten aanzien van een snel veranderende context. Een ‘glokaal’ antwoord zoeken op globale tendensen, dat is de uitdaging. Reflexie is één zaak; de praktijk omgooien is wat anders. De aanzetten zijn nog jong en schoorvoetend. Soms nog te veel gestimuleerd vanuit het Noorden: wij ‘gebruiken’ onze partners nog te dikwijls voor internationale thema’s zoals voedselzekerheid, kunst in West-Afrika enz. Of de lijn loopt nog te zeer van Noord naar Zuid, zoals met ons scholen-e-mailproject. Zo ook met Alterfin: een garantiesysteem vanuit het Noorden voor onze partners in het Zuiden. Heel zelden loopt het al eens omgekeerd: de grote foto- en verhalenwedstrijd ‘Boerinnen in Zicht’ vertrok vanuit Ecuador om nu Afrika, Europa en Azië te veroveren; zoals ook de solidariteitsconcerten in Dakar voor vrede in Centraal-Afrika er kwamen op vraag van onze partners.

Tweede besluit: de globalisering neemt ons in snelheid. Onze antwoorden rond een wereldbeweging zijn nog piepjong en o zo kwetsbaar.

Hoe strop zitten we in het Noorden?

‘Nogal’ stelden we in ons eerste deel. Onze gemeenschappelijke vuist is eerder een slap Antwerps handje. Ja, we zitten strop met de scholenwerking. Ja, we investeren veel te weinig naar jongeren toe. Ja, we hebben nog steeds niet geleerd sterke allianties aan te gaan met de pers. Ja, we zitten nog steeds in een steriel opbod aan niet-gevraagde informatie, in een concurrentiestrijd om de caritas van de donoren, in een gebrek aan aansluiting met andere sociale bewegingen. Moeilijke puzzels, en we geraken niet echt verder.

Waar hebben we gezocht en al een beetje gevonden?

Coopibo zette in 1993 een dubbelluik op rond ‘duurzame landbouw in Vlaanderen’. Daaraan werken we nu in samenwerking met meerdere operationele Vlaamse partners, o.a. VAC (Vlaams Agrarisch Centrum), Elcker-ik en Waals-Europese netwerken, vijf mensen voltijds. Voedselteams, kwaliteitslabels, onderzoek naar sociale economie, gedragscode ‘Recht op Voedsel’ en politiek landbouwlobbywerk zijn het resultaat. Dit werk is een effectieve meerwaarde en een spin-off van onze Zuidwerking. Op zijn beurt voedt dit operationele werk het mondiale vraagstuk: hoe een leefbaar platteland bereiken via een leefbare landbouw. Stippen we wel aan dat dit dubbelproject moeilijk te financieren valt. Zowel overheid als publiek aarzelen nog omdat ze nog in Noord-Zuid-termen denken.

Vredeseilanden bouwt sinds 1994 gestaag aan een uitgesproken beleid voor ‘culturele expressie als hefboom voor zelfontwikkeling’. De interculturele dialoog die door dit beleid op gang wordt gebracht in netwerken en uitwisselingen heeft een belangrijke spin-off zowel in Noord als Zuid. Wisselwerking met culturele centra geeft bredere aansluiting bij onze maatschappij. Het ‘Recht op Communicatie en Culturele Expressie’ heeft ook een rechtstreekse impact op onze operationele Zuidwerking: communautaire radio in Benin, audiocentrum in Senegal… Andere creatieve aanzetten met Kauri (allianties met bedrijfsleven) zijn nog in opbouw, maar veelbelovend. Ook hier mogen we aanstippen dat deze vernieuwende aspecten moeilijk te financieren vallen. Zowel overheden als publiek aarzelen nog omdat het omgaan met deze wederkerige verrijking minder duidelijk de hulpgedachte oproept.

Derde Besluit: de Vlaamse derdewereldbeweging trappelt ter plaatse in haar Noordwerking. Aansluiting met andere sociale vraagstukken en met andere sociale bewegingen is nauwelijks gevonden. Vredeseilanden-Coopibo zit hier wel op een interessante piste met een sterke operationele ‘landbouw’-werking in Vlaanderen en goede aanzetten rond bedrijfsleven en cultuur.


Relatief optimisme over onze Zuidwerking

Terecht zijn we met zijn allen bescheidener geworden over onze impact in het Zuiden. Ontwikkelingssamenwerking is een marginale tegenstroom in vergelijking met financiële speculatie en economische globalisering. Ontwikkelingssamenwerking bleek nog meer marginaal wat betreft oorlog en volkerenmoord. Onze bescheidenheid gaat over onze bijdragen tot oplossingen. Maar tegelijk beseffen we beter dat we met bescheiden middelen voor hefbomen, versnellingen en katalysatoren kunnen zorgen. En dat geeft kracht in plaats van ontmoediging.

In de jaren ‘80 heeft Coopibo (en impliciet ook Vredeseilanden) voor zich (en voor andere NGO’s), een aantal hypothesen gesteld om tot effectieve meerwaarde te komen. Ik herneem ze:

behoefte aan professionalisering (vakkennis + goede communicatie + juiste houding + ervaringsopbouw) op alle vlakken;
behoefte aan specialisatie (door beperking van concentratielanden, van doelgroepen, van methodologieën en sectoren);
geen interventieprojecten meer, maar zoeken naar een programmatische aanpak met een goede mix van experimenteren, operationeel zijn, onderzoek doen, aan organisatieversterking werken, kapitalisatie van de ervaringen, netwerking, beleidsbeïnvloeding; de goede mix is verschillend van context tot context;
investeren in de genderpoblematiek;
organisatorische vertaling om deze hypothesen hard te maken op een efficiënte en participatieve manier door decentralisatie en door het opzetten van landbureaus;
de beste vorming is uitwisseling;
aanboren van lokale middelen en hulpbronnen, vooral sparen in functie van productief krediet.
De hypothesen zijn overeind gebleven, ook al zijn de contextveranderingen ondertussen zeer groot en verlopen ze heel snel.

Vooraleer hierop in te gaan, vermelden we wel in alle bescheidenheid dat onze operationele steun niet efficiënt bleek in crisissituaties zoals die van Rwanda en van Zaïre/Congo. Langetermijnprocessen vereisen een stabiele omgeving, en een specialisatie in conflictaanpak bouw je niet zomaar op.

Het failliet van de sterk regulerende staten heeft in heel Afrika en Latijns-Amerika ruimte gegeven aan de civiele maatschappij. Lokale NGO’s zien massaal het licht en nationale deskundigheid komt beschikbaar. Maar tegelijk heeft de globaliserende economie boeren en boerinnen massaal in onzekerheid gebracht. Niemand garandeert nog een goede prijs over een langere periode. Dat leidt tot dualisering van de maatschappij.

Hoe hebben wij ons aangepast in onze Zuidwerking ten aanzien van meer en sterkere lokale NGO’s, van meer beschikbare nationale kaders, van vrijemarktmechanismen in de landbouw, van het wegvallen van alle subsidies in de landbouw en het terugtrekken van de vulgarisatiediensten van de overheid?

Het was voor Vredeseilanden en Coopibo meestal niet moeilijk om over te stappen van een project- naar een programmalogica (cf. boven). Dit vereiste wel een sterke specialisatie (beperking van landen, van sectoren, doelgroepen, van soorten activiteiten, van methodologie) en een aansluitend organisatiemodel. Wij konden dit maar waarmaken door het opzetten van landbureaus. In die landbureaus verenigden we een complementair team van begeleiders op gebied van planning, opvolging, evaluatie en van technische en methodologische steun voor alle acties in een bepaald land. En natuurlijk hadden we hiervoor een soepele financiering nodig zoals de ABOS-programmafinanciering. Een programmabenadering laat toe enkel te focussen op de lacunes bij de lokale NGO’s, boerengroepen of boerinnenassociaties. Het wordt zo een procesbegeleiding, zonder tussen te komen in de interne keuken en in het ritme van de partners. De programmalogica liet ook toe bepaalde accenten te leggen, zonder deze evenwel te verbinden met een financiële afhankelijkheid. Zo kan een centraal team dat gevoelig is voor de genderproblematiek en op dat vlak kwaliteitsdiensten levert, een stevige impact krijgen op de benadering, op de vorming en de uitbouw van deze problematiek in een land.

Eens de programmabenadering een feit is, wordt de identificatie van nieuwe partners en initiatieven veel eenvoudiger. Door seminaries, uitwisselingen, kapitalisaties van ervaringen en netwerking leert men heel het scala van benaderingen en mogelijkheden in de landbouwsector kennen. Binnen het programma kan dan eerst kleinschalig en laagdrempelig een samenwerkingsverband groeien vooraleer het tot een meer diepgaande partnerrelatie komt.

En komt er dan netwerking en beleidsbeïnvloeding? Ook dit valt niet zomaar uit de lucht en vraagt een specifiek beleid en een specifieke strategie om hier naartoe te werken. Maar het lukt rond ecologische landbouw in Costa Rica, rond herbebossing in Zimbabwe, rond sparen en krediet in Togo en rond communautaire radio’s in Benin.

Misschien klinkt dat laatste wel te mooi om veralgemeend te worden. In Tanzania en Zimbabwe moest er een overgang gemaakt worden door eerst de zware interventieprojecten tot autonome projecten om te vormen en vervolgens over te schakelen op acties van lokale NGO’s en van boerenorganisaties. Een heel zware klus die lijkt te lukken. En dit met enkele interessante spin-offs: zo leverde de kaderpolitiek in Tanzania een uitwisselingssysteem op van methodologische deskundigheid dat nu al sedert enkel jaren uitmondt in het tijdelijk ter beschikking stellen van experts van hoog niveau. Projectkaders worden tijdelijk ‘uitgeleend’ aan andere NGO’s, circuits en organisaties. Hieruit groeide het netwerk TRACE.

Een aantal van de hypothesen werd niet echt hard gemaakt door eigen onkunde, door gebrek aan continuïteit of aan flexibele middelen, of nog door het slecht inschatten van de contextfactoren. Zo zijn we er niet in geslaagd het gigantische potentieel van lokaal sparen om te zetten in een ontwikkelingshefboom van herverdeling naar boeren en boerinnen toe via krediet. Toch waren de voorbeelden en werkschema’s voorhanden: Grameen, Banques Populaires en sinds 5 jaar Alterfin. Dikwijls zijn we blijven steken in kredietverlening vanuit interventiestructuren, met alle gebrek aan impact en continuïteit van dien. Gelukkig waren er enkele positieve uitzonderingen, zoals de 500 spaargroepen in Noord-Togo. Maar hier is nog veel werk aan de winkel!

Zo bleek ook dat voor effectieve ondersteuning van grotere organisaties (regionale of nationale boerensyndicaten, nationale netwerken, enz.) Vredeseilanden-Coopibo te weinig expertise in huis had om tot organisatieversterking te komen rond items als representativiteit, zelffinanciering, interne democratie, enz.

Vierde besluit: een sterke specialisatie, een volgehouden methodologische inbreng, een doorgedreven programmalogica, een goede mix van activiteiten aangepast aan de context en ondersteuning door landbureaus hebben onze impact in het Zuiden aanzienlijk versterkt. Als zwakke punten vermelden we onze ontoereikendheid bij zware conflictsituaties, het ontbreken van een aantal noodzakelijke tussenschakels wat betreft kredietverlening en een tekort aan hefbomen voor organisatieversterking.

Stellen dat onze impact in het Zuiden aanzienlijk verbeterd is in de jaren ‘90 in vergelijking met de jaren ‘80 is natuurlijk een relatieve affirmatie. Om maar terug te komen op de kernvraag: waar en wanneer en met wie maken wij het verschil, en zo ja, hoe wordt dit verschil zichtbaar en meetbaar?

De auteur is landbouwingenieur. Hij is algemeen directeur van de NGO Vredeseilanden-Coopibo.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3181   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift