"Veel gesjoemel met Indiase emissiekredieten"

Indiase bedrijven sjoemelen met emissiereductie-kredieten, zeggen Indiase deskundigen. India verwacht 1,97 miljard euro te verdienen aan de verkoop van koolstofkredieten aan geïndustrialiseerde landen die hun emissielimiet moeten halen. Daarmee is het de grootste verkoper van koolstofkredieten.
India heeft die emissiereductie-kredieten (CER) bijeengesprokkeld uit 252 Schone Ontwikkelingsmechanisme-projecten (CDM), zegt het ministerie van Milieu en Bosbeheer. Het Schone Ontwikkelingsmechanisme (CDM) is één van de drie mechanismen van het Kyoto Protocol. Het zorgt ervoor dat geïndustrialiseerde landen emissiereductie-eenheden kunnen kopen van ontwikkelingslanden. Rijke landen mogen die kredieten gebruiken om hun emissielimiet te halen wat betreft de uitstoot van broeikasgas. Het systeem is bedoeld om de kosten voor rijke landen te beperken in het nastreven van hun emissielimiet van 2012, terwijl ze de klimaatverandering vertragen en ontwikkelingslanden helpen.

Maar volgens het Milieuprogramma van de Verenigde Naties doet geen enkele van die CDM-projecten iets aan bebossing, aan landbouwontwikkeling of zelfs maar aan plattelandsontwikkeling. De meeste projecten zijn energie-efficiënte projecten uit de industrie. Sinds hernieuwbare energietechnologie door de Indiase overheid gestimuleerd wordt met belastingverminderingen, speelt de industrie snel in op het dubbele voordeel van een CDM-project.

Het probleem is dat veel van die projecten in de vuilnisbak belanden zodra de belastingvermindering is geïncasseerd. Wat tot de vraag leidt hoe groot de bijdrage van CDM’s voor de ontwikkeling van India echt is. Ook het toezicht op die projecten blijft onvoldoende.

Dat is niet alles, zegt CDM-consultant S.C. Rajshekar van de in Bangalore gevestigde Symbiotic Research Association. “Het Protocol zegt dat de rijke landen moeten investeren in de duurzame energietechnologie van armere landen als ze hun CO2-uitstoot willen compenseren. Maar dat gebeurt niet, noch bestaat er een mechanisme om hen daartoe te dwingen.”

Verder was het CDM bedoeld als een mechanisme tussen partijen van rijke landen en ontwikkelingslanden. Maar ook de overheden van die rijke landen bemoeien zich ermee: ze gebruiken hun politieke macht, wat het voor de kleine bedrijven in de arme landen onmogelijk maakt om over de prijs te onderhandelen met hun veel grotere partners.

“We verkopen onze aandelen zonder een fatsoenlijke prijs te plakken op onze CO2-tonnen, en zonder te controleren of we echt wel duurzaam aan het ontwikkelen zijn”, vindt Rajshekar. “De rijke landen houden de touwtjes strak in handen.”

Minister van Milieu Prodipto Ghosh denkt niet zo zwartgallig. “De prijzen zijn het gevolg van vraag en aanbod. Gezien het feit dat er andere grote verkopers op de markt zijn, zoals Brazilië en China, geloof ik niet dat de overheid met succes kan interveniëren.”

Gosh geeft wel toe dat kleine gemeenschaps- en plattelandsontwikkelingprojecten momenteel uit de boot vallen, omdat ze hun kleine koolstofkredieten niet verkocht krijgen. “Op dit moment zijn we opleidingen aan het geven om die kleine projecten te bundelen. Als dat gedaan is zullen we ons richten op de vaardigheden van de mensen in de sector.”

Nog een fenomeen is het toenemende aantal CDM-akkoorden van het Type 2, tussen partijen die niet onder de doelgroep vallen. Deze akkoorden zijn vergeven van de onregelmatigheden en povere uitvoering, in zoverre dat zelfs de Wereldbank er zijn bezorgdheid over heeft uitgesproken.

“De vrije markt mist een internationaal overeengekomen, gestandaardiseerd protocol voor verbintenissen. Daardoor zijn investeerders, kopers, projectontwikkelaars, controleurs en anderen verplicht om te improviseren”, schrijft Mahua Acharya van de Wereldbank, afdeling Koolstofkrediet.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3148   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift