Veel meer geld nodig voor genenbanken

De Consultative Group on International Agricultural Research (CGIAR) hoopt tegen de zomer met een aantal partners een Global Conservation Trust te kunnen oprichten, een fonds van 290 miljoen euro waarmee genenbanken en andere projecten voor het behoud van diversiteit van landbouwgewassen beter gefinancierd kunnen worden. Die extra kapitaalsinjectie zou broodnodig zijn om de beperkte collecties van bestaande genenbanken aan te vullen. Vraag is wel van waar dat geld moet komen.

Samen met het International Plant Genetic Resources Institute (IPGRI) trekt de CGIAR al een tijdje aan de alarmbel. Duizenden lokale soorten van landbouwgewassen zijn de laatste vijftig jaar vervangen door een paar nieuwe gewassen die overal in grote hoeveelheden geproduceerd worden. Die uniformiteit maakt de nieuwe gewassen steeds kwetsbaarder voor ziekten, klimaatwijzigingen en andere omgevingsfactoren, waardoor onze voedselveiligheid meer en meer in het gedrang komt. Elk jaar verdwijnt vijftien miljoen hectare regenwoud, en dus ook een groot aantal plantensoorten. Experts schatten dat zowat 8 procent van de huidige plantenrijkdom over vijfentwintig jaar verdwenen zal zijn.

Geoffrey Hawtin, directeur-generaal van het IPGRI, breekt dan ook een lans voor het behoud van de verscheidenheid: de wereldwijde diversiteit van gewassen vormt een van de belangrijkste instrumenten in de strijd tegen armoede en honger; wanneer de voedselhulp opdroogt, zijn het de zaden en het potentieel tot hernieuwing die een land economisch terug op de sporen kunnen krijgen. Door een grotere diversiteit aan gewassen zouden landbouwers beschikken over zaden die een hogere opbrengst bieden en dus de voedselproductie verhogen. En dat is nodig: volgens de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN (FAO) moet die voedselproductie de volgende vijftig jaar met driekwart omhoog.

Genenbanken kunnen daarbij helpen. Ze bewaren levende ‘stalen’ van planten in verschillende vormen: zaden of planten. Conventionele variëteiten zoals graan, rijst en maïs worden op een temperatuur van -18 tot -20 graden Celsius tot honderd jaar bewaard. Zaadloze planten zoals aardappelen, bananen of maniok gaan in hun geheel de superdiepvries in, of als kiemen in proefbuizen. Nog andere planten worden dan weer in vloeibare stikstof (van -196 graden Celsius) bewaard.

Maar volgens de CGIAR zijn in de bestaande genenbanken slechts twee miljoen plantenstalen opgeslagen, waarvan een deel in de ‘echte’ wereld al is uitgestorven of met uitsterving is bedreigd. Van de momenteel levende soorten is een derde opgeslagen in de vijftien grootste nationale genenbanken. Een van de meest waardevolle genenbanken, die van Sint-Petersburg, is volgens Hatwin zelf met verdwijnen bedreigd.

Volgens Hatwin zal het fonds dat genenbanken over heel de wereld meer armslag moet geven, iedereen ten goede komen: van landbouwers in arme landen over bioboeren tot biotechnologische bedrijven. De Global Conservation Trust zou gespijsd moeten worden door regeringen, instellingen, stichtingen en grote bedrijven. De initiatiefnemers hopen tegen de zomer alvast 65 to 85 miljoen dollar bijeen te krijgen.

De inbreng van de bedrijfswereld is echter behoorlijk controversieel. Veel critici zijn bang dat de bedrijven iets terug zullen willen voor hun geld, en bijvoorbeeld patenten zullen willen nemen op de genetische samenstelling van bepaalde planten. Hatwin tracht hen gerust te stellen: volgens hem krijgen de bedrijven geen voorkeursbehandeling. Wel krijgen ze, zoals iedereen, vrije toegang tot de genenbanken. In de voorwaarden om bij te dragen aan het fonds wordt evenwel duidelijk gesteld dat bedrijven die commerciële producten ontwikkelen op basis van genetisch materiaal uit de genenbank, verplicht zijn een deel van hun winst aan het fonds af te staan.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift