Versoepeling van het immigratiebeleid

In januari van dit jaar hield het Vlaams Economisch Verbond, als een van de eerste organisaties in de Belgische sociaal-politieke wereld, een pleidooi voor het doorbreken van de immigratiestop zoals die in het begin van de jaren zeventig ingevoerd werd (1).
Concreet wees het VEV op twee grote problemen die de huidige reglementering van de arbeidsimmigratie met zich meebrengt: ten eerste, dat de arbeidsvergunning van hooggeschoolde buitenlandse werknemers na vier jaar tewerkstelling in ons land niet meer verlengbaar is, en ten tweede dat het quasi-onmogelijk is om van buiten de Europese Unie niet-hooggeschoolde werknemers aan te trekken om vacatures voor knelpuntberoepen zoals lasser of elektromonteur, in te vullen. Gevraagd werd, om binnen de huidige wetgeving alvast deze problemen te verhelpen, en om erover na denken of op langere termijn niet beter overgeschakeld wordt op een systeem van ‘green cards’ in de plaats van de huidige immigratiestop-met-uitzonderingen. Green cards geven kandidaat-immigranten het recht om zich in het land te vestigen en zich op de arbeidsmarkt aan te bieden, en geven uitzicht op een duurzaam verblijf. Tenslotte pleitte het VEV ervoor om Vlaanderen te profileren als een ‘talent valley’ – een regio die uitdrukkelijk openstaat voor kenniswerkers en onderzoekers uit heel de wereld.

Ondanks het feit dat het pleidooi van het VEV voor een positievere beleidsomgang met het fenomeen ‘immigratie’ erg genuanceerd geformuleerd was (er werd duidelijk bij gezegd dat dit slechts één van de in te zetten instrumenten is om iets te doen aan de toenemende spanningen op de arbeidsmarkt) konden sommigen het niet nalaten om met een aantal te eenvoudige slogans dit toch erg belangrijke debat meteen van de tafel te vegen. Onder meer Vlaams minister voor Werkgelegenheid Renaat Landuyt en zijn federale collega Laurette Onkelinx reageerden ronduit afwijzend en stelden omomwonden dat we “eerst onze ‘eigen’ werklozen aan werk moeten helpen vooraleer we nieuwe (arbeids)immigranten toelaten” (2).

Vooral van de kant van minister Landuyt verbaast deze afwijzende reactie. Enkele dagen eerder had de minister immers nog het volgende laten optekenen: “Ik ben principieel niet gekant tegen een nieuwe golf van arbeidsimmigratie. De geschiedenis heeft ons meer dan eens kunnen aantonen hoe verrijkend migratie is. Elke migratiegolf brengt een economische, sociale, culturele en intellectuele stimulans mee, die elke open maatschappij nodig heeft. Ik heb dan ook geen enkel probleem om arbeidskaarten toe te kennen, als bedrijven mij kunnen aantonen dat zij een welbepaalde werknemer met welbepaalde vaardigheden nodig hebben, die ze ondanks hun en onze inspanningen niet op de Vlaamse arbeidsmarkt kunnen vinden. Echter, ik weiger in de val te lopen waarbij wij onze arbeidsmarkt openstellen voor sociale dumping” (3). Sindsdien verduidelijkte de minister enkele malen voorstander te zijn van meer toegangsmogelijkheden voor buitenlandse werknemers … na het jaar 2010, als de vergrijzing volop toeslaat.

Inmiddels heeft de tijd niet stil gestaan, en hebben verschillende politieke partijen (in Vlaanderen Agalev en de VLD) duidelijk gemaakt, dat de migratiestop zijn tijd gehad heeft, dat er ruimte moet zijn voor het toelaten van beperkte aantallen of contingenten kandidaat-immigranten, en dat de behoeften van de arbeidsmarkt (hoewel wat Agalev betreft slechts gedeeltelijk) moeten meespelen als criterium bij het voeren van een toelatingsbeleid in de toekomst. Bovendien is in zowat alle landen van de Europese Unie het debat over de toekomst van het immigratiebeleid volop op gang gekomen. De nieuwe Britse minister van Binnenlandse Zaken, David Blunkett, verklaarde net na zijn aantreden dat hij het systeem van ‘work permits’ zal versoepelen, zodat meer hooggeschoolden in het Verenigd Koninkrijk aan de slag kunnen. In Nederland werden recent gelijkaardige beleidsvoornemens bekend gemaakt: de regering gaat zich in het najaar buigen over het toekomstige immigratiebeleid, maar minister-president Wim Kok liet al verstaan niet afkerig te zijn van een systeem van quota voor economische immigranten. In Zweden pleitte de adviesraad van het bureau dat instaat voor het aantrekken van buitenlandse investeringen, ervoor om het aantrekken van competenties uit het buitenland even grondig aan te pakken als het aantrekken van buitenlands kapitaal. Als Zweden zich wil blijven ontwikkelen als een land met een kennisgedreven economie en een sterke economische groei, is er een duidelijke nood aan méér immigratie van gekwalificeerde arbeidskrachten, aldus de raad (4).

Uiterst interessant om volgen zijn de ontwikkelingen in Duitsland. Vorig jaar werd daar, onder impuls van bondskanselier Schröder, een eigen systeem van ‘green cards’ gelanceerd om uit het buitenland (vooral India) 10.000 specialisten in de informatica- en communicatietechnologie (ICT) aan te trekken, en zo het tekort aan informatici te verhelpen en de Duitse ICT-sector een impuls te geven. Een jaar later ligt het rapport van de door de regering ingestelde commissie-Süssmuth op tafel, een sterk uitgewerkte blauwdruk voor een nieuw immigratiebeleid (5). Uitgangspunt van de commissie is, dat immigratie een fenomeen is dat eerder ‘gemanaged’ dan vermeden moet worden, en dat Duitsland nood heeft aan meer gekwalificeerde arbeidskrachten die naar het land immigreren. Gepleit wordt voor een jaarlijks contingent van toe te laten kandidaat-immigranten naar analogie met het Canadese puntensysteem (waarbij opleiding en beroepservaring belangrijke criteria zijn), en daarnaast nog voor specifieke contingenten voor de beoefenaars van knelpuntberoepen. Verder stelt de commissie voor om soepele toelatings- en verblijfsvoorwaarden te voorzien voor kenniswerkers, onderzoekers en studenten. De kans is groot dat deze voorstellen door de Duitse regering aanvaard worden en dat Duitsland het eerste Europese land wordt met een immigratiewetgeving naar het model van de traditionele immigratielanden (Verenigde Staten, Canada, Australië).

Gegeven het debat in eigen land en in zowat heel Europa, lijkt het dan ook ‘in de sterren geschreven’ te staan, dat de immigratiestop zoals we die bijna dertig jaar gekend hebben, geen lang leven meer beschoren is, en dat de behoefte van hoogontwikkelde samenlevingen als de onze om kenniswerkers en hooggeschoolden aan te trekken één van de uitgangspunten voor een nieuw immigratiebeleid wordt. In een sereen en grondig debat kan het uitspelen van meer soepelheid t.a.v. hoger opgeleide immigranten tegen de bij laaggeschoolden (waaronder relatief veel allochtonen) geconcentreerde werkloosheidsproblematiek, het niet halen van een visie die rekening houdt met een aantal maatschappelijke én economische realiteiten.

Minder simplistisch en meer genuanceerd te behandelen is de vraag of het toelaten of zelfs actief aantrekken van hooggetalenteerden en hooggeschoolden niet ten koste gaat van de landen waar deze immigranten vandaan komen, meer bepaald de landen van de Derde Wereld, en vooral de nieuwe geïndustrialiseerde landen in Azië en de landen van Oost-Europa. Zijn de kenniswerkers die onze knelpunten komen oplossen en onze economie komen versterken niet net degenen die in hun eigen land nodig zijn om daar welvaart tot stand te brengen? Met andere woorden: betekent de ‘brain gain’ die nieuwe immigratie voor ons kan opleveren, meteen ook niet een nefaste ‘brain drain’ voor andere landen?

Een (wat te) eenvoudig antwoord zou kunnen zijn, dat deze ‘brain drain’ hoe dan ook al aan de gang is, zij het in één welbepaalde richting, met name de Verenigde Staten. Met ingang van dit jaar loopt in de VS een programma dat erop gericht is om over een periode van drie jaar 600.000 hooggeschoolden aan te trekken. Naar schatting zullen meer dan een derde van hen uit India komen en de meeste anderen uit andere Aziatische landen als China, Maleisië en Korea (6). Vergeleken daarmee zijn de aantallen waarover we in Europa spreken klein bier: het versoepelen van het Europese immigratiebeleid zal op zichzelf zeker geen ontwrichting van de Aziatische economieën en samenlevingen met zich mee kunnen brengen. Alles wijst erop dat Europese landen als het Verenigd Koninkrijk en Duitsland zich volop voorbereiden om aan de ‘strijd om het talent’ mee te gaan doen en deze ‘markt’ niet alleen aan de VS over te laten; vraag is dan of het aangewezen en zinvol is dat ons land zich daarvan zou onthouden. Aangenomen mag worden dat grote aantallen hooggeschoolden in de betrokken landen hoe dan ook van plan zijn om in het buitenland werk en verblijf te zoeken, en dat ze zullen gaan naar de landen waar ze welkom zijn en onder gunstige voorwaarden hun beroep kunnen uitoefenen. Vandaag reeds stellen Vlaamse bedrijven vast dat hun buitenlandse medewerkers die als gevolg van de rigide Belgische reglementering (een verblijf van maximum vier jaar voor hooggeschoolden) geen arbeidsvergunning meer kunnen krijgen, niet teruggaan naar hun land van herkomst, maar doorreizen naar de Verenigde Staten waar ze met open armen ontvangen worden. Overigens vindt er ook een niet onaanzienlijke ‘brain drain’ plaats vanuit Vlaanderen naar de rest van de wereld – iets waar we ons merkwaardig genoeg weinig zorgen om lijken te maken en wat we eerder zien als een vorm van succes.

Maar de essentiële en moeilijk te beantwoorden vraag is of de landen waar veel hooggekwalificeerde arbeidskrachten vandaan komen inderdaad verlies lijden of zelfs in de problemen komen (of blijven) doordat ze sommige van hun beste krachten zien vertrekken. Vanuit de literatuur die hierover beschikbaar is, kan op deze vraag geen eenduidig antwoord gegeven worden, wat alleszins betekent dat voorzichtig en niet sloganmatig met het ‘brain drain’-argument omgesprongen moet worden (7). In sommige landen wordt de emigratie van hooggeschoolden als een aderlating ervaren, in andere juist niet. Vaak wordt ook verwezen naar het feit dat vele migranten aanzienlijke sommen geld sturen naar hun families, of zelfs na een aantal jaren met een surplus aan kennis en vaardigheden (vrijwillig!) terugkeren naar hun land van herkomst. Het interessants lijkt echter te zijn hoe de netwerken tussen hooggeschoolde immigranten en bedrijven in het land van herkomst, voor deze bedrijven een hefboom voor innovatie en groei kunnen betekenen. Een studie over de grote groepen bedrijfsleiders en kaderleden uit India en Taiwan die in de Californische high-tech-vallei Silicon Valley actief zijn, wijst sterk in die richting (8). Eerder dan een ‘brain drain’ ontstaat er een ‘brain circulation’, aangezien immigranten een cruciale rol spelen bij het openen van markten voor de bedrijven in hun landen van herkomst. Dit onderzoek wijst op een weldadige stroom van intellectueel en financieel kapitaal tussen Taiwan, India en Californië, waardoor immigratie een belangrijke bijdrage levert tot de innovatie en de economische expansie in elk van deze landen (9).

De auteur is adjunct-directeur van de studiedienst van het Vlaams Economisch Verbond.

NOTEN

1.VLAAMS ECONOMISCH VERBOND, Versoepeling van het immigratiebeleid: soelaas voor de Vlaamse arbeidsmarkt, VEV-nota, februari 2001

2.Minister ONKELINCKX in Gazet van Antwerpen, 5 maart 2001

3.RENAAT LANDUYT, Reizen door de toekomst. Een thematisch cahier van de Vlaamse minister van werkgelegenheid en toerisme over werken in de kennismaatschappij, 20 februari 2001

4.ISA COUNCIL OF ECONOMIC ADVISERS, Swedish open. The need for attracting foreign skills, Stockholm, mei 2001

5.UNABHANGINGE KOMMISSION ZUWANDERUNG, Zuwanderung gestalten - Integration fördern, Berlijn, juli 2001

6.Zie hierover NAYAN CHANDA, The tug of war for Asia’s best brains, Far Eastern Economic Review, 9 november 2000

7.Voor een overzicht, zie PATRICK LOOBUYCK, Vreemdelingen over de werkvloer. Het debat over arbeidsmigratie en de migratiestop in kaart gebracht, Gent, Academia Press, 2001 (met name hoofdstuk 6, Internationaal perspectief - gevolgen van migratie voor de landen van herkomst)

8.ANNALEE SAXENIAN, Silicon Valley’s new immigrant entrepreneurs, San Fransisco, Public Policy Institute of California, juni 1999

9.”A transnational community of engineers has fostered two-way flows of capital, skill and information. These long-distance sociale networks enhance economic opportunities for California and for emerging regions in Asia”

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3195   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift