Verwaarlozing dierengeneeskunde bedreigt spaarpot van de armen

Arme mensen in ontwikkelingslanden kijken nog altijd in hun stal als ze willen weten hoe rijk ze zijn. Maar er is veel te weinig aandacht voor de gezondheid van dat herkauwende kapitaal, schrijven onderzoekers in het toonaangevende wetenschapstijdschrift Science.
Dierenziekten decimeren de veestapel van keuterboertjes in Afrika en Azië. Grotere veetelers zien hun binnenlandse afzet en exportkansen gedwarsboomd door epidemieën als de gekkekoeienziekte BSE en mond- en klauwzeer.

“De gezondheid van het vee is van levensbelang in ontwikkelingslanden”, zegt Brian Perry, een dierenarts van het Internationaal Onderzoeksinstituut voor de Veestapel (ILRI) in Nairobi en een van de auteurs van de studie. Ongeveer 70 procent van de armste mensen in de wereld houdt dieren en bijna voor iedereen daarvan is het de enige serieuze belegging. “Dieren zijn wandelende spaarpotjes”, zegt Perry. Runderen en buffels doen dan ook nog eens dienst als tractor, terwijl de gedroogde mest van veel dieren als brandstof wordt gebruikt.

Dierenziekten zijn dan ook een ramp in ontwikkelingslanden. Sinds er in december vorig jaar een epidemie van Rift Valley fever, een ernstige runderziekte, uitbrak in de Hoorn van Afrika, is de export van levende runderen en vlees uit de regio in elkaar gezakt. De plaatselijke economie kreunt onder de gevolgen daarvan, zegt Perry.

Veel ontwikkelingslanden lijden nu erger dan vroeger onder epidemieën van dierenziekten. In de jaren 80 en 90 ging de kwaliteit en het bereik van de dierengeneeskunde er achteruit door mislukte privatiseringspogingen op aangeven van het International Monetair Fonds en de Wereldbank. Vooral in Afrika herstelde de dierengeneeskunde zich daar nog altijd niet van, schrijft Perry in zijn studie.

De internationale bedrijven die dierengeneesmiddelen produceren, investeren volgens Perry ook nauwelijks in onderzoek naar ziekten die alleen in ontwikkelingslanden woeden. Kleine boeren kunnen die geneesmiddelen immers niet kopen. Van de 12 miljard euro die de wereld in 2005 uitgaf aan vaccins en geneesmiddelen voor dieren, kwam maar drie procent uit Afrika en Azië.

Groot-Brittannië gaf de voorbije drie jaar 20 miljoen euro uit aan onderzoek rond BSE, terwijl er de laatste tien jaar amper 15,5 miljoen euro ging naar onderzoek naar dierenziekten in de ontwikkelingslanden. De oplossingen voor ziekten die over de hele wereld woeden, zijn vaak ook niet bruikbaar in ontwikkelingslanden. Vaccins die moeten gekoeld worden of waarvan de houdbaarheid beperkt is, zijn moeilijk in te zetten op afgelegen plaatsen in arme landen.

Er zijn wel initiatieven om verandering in te brengen in die situatie. Het Britse GALVmed, een samenwerking tussen openbare instellingen en privé-bedrijven, probeert bijvoorbeeld de toegang tot dierengeneesmiddelen, vaccins en tests te verbreden. En Canada financiert een nieuwe instelling in Nairobi die vanaf volgend jaar landbouwwetenschappelijk onderzoek gaat uitvoeren in Oost- en Centraal-Afrika – een manier om de uittocht van Afrikaanse dierenartsen te stoppen. Maar volgens Perry zijn het druppels op een gloeiende plaat. IPS MDG1 (PD)

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3184   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift