Vijf jaar crisis in de EU: de kloof neemt toe

Van Lapland tot de Algarve, van Cork tot Nicosia, het oude continent laat alweer een winter achter zich. Toch heerst niet overal een lentegevoel. Sinds 2008 heet het Avondland in crisis te zijn, maar wat betekent dit?

De kloof tussen de lidstaten groeit weer

Zeker is dat de crisis een abrupt einde heeft gemaakt aan een lange periode waarin de inkomens in de rijkere lidstaten in het noorden van de Europese Unie en die in de armere lidstaten in het zuiden naar elkaar toegroeiden.


Bron: Eurostat

De ongelijkheden tussen de regio’s van de EU nemen dus weer toe. Die waren al aanzienlijk. De Amerikaanse econoom James Galbraith noemt de ongelijkheid in de EU groter dan in de Verenigde Staten (VS). ‘Het soort ongelijkheid dat je nu tussen Duitsland en Portugal hebt, had je tot de jaren dertig tussen Mississippi en Californië. Wij hebben die bestreden met federale solidariteitsmechanismen zoals een federale werkloosheidsverzekering.’

Om een idee te geven van de verschillen: het hoogste minimumloon is, na correctie voor de kosten van levensonderhoud, dat van Luxemburg, 1477 euro per maand; het laagste is het Bulgaarse minimumloon van 270 euro.

Binnenlandse ongelijkheid: divers beeld

Leidt de crisis ook tot een toename van de inkomensongelijkheid binnen de lidstaten? Het antwoord op die vraag is minder eenduidig. In sommige landen is de Gini-coëfficient, maatstaf van inkomensongelijkheid, toegenomen tussen 2005 en 2011: Bulgarije en Duitsland lopen daar voorop. In Polen, Portugal maar ook België daalde de inkomensongelijkheid lichtjes. Wel zeker is dat de inkomensongelijkheid sinds 1990 in bijna alle lidstaten is toegenomen – dat is het gevolg van globalisering, technologie en deregulering op allerlei niveaus.


Bron: Eurostat, SILC

Ook het risico om slachtoffer te worden van armoede en uitsluiting is in sommige landen toegenomen, erkent de Europese Commissie in haar rapport over werkgelegenheid en sociale ontwikkelingen in Europa van november 2012.

Armoede wordt gedefinieerd als een inkomen dat onder de zestig procent van het middelste of mediane inkomen ligt. Het ietwat moeilijke begrip uitsluiting benadert de Commissie van twee zijden: leven in een huishouden met weinig of geen werk en lijden onder ernstige materiële tekorten. Dat laatste betekent dat je niet die dingen kunt kopen die nodig zijn om erbij te horen in Europa: telefoon, wasmachine, tv, auto, eiwitrijk voedsel, in staat zijn huur of leningen te betalen.

In Bulgarije steeg dat risico van 38 procent naar bijna de helft van de bevolking. Maar ook in Letland, Litouwen, Hongarije, Griekenland, Ierland en Spanje nam het risico op armoede en uitsluiting sterk toe. In heel wat landen bleef het risico min of meer stabiel, terwijl het in Polen afnam.


Bron: Eurostat, SILC

De zogenaamde armoedekloof – hoe arm zijn de armen? – werd in de meeste landen wijder: gemiddeld ligt het inkomen van diegenen die als arm worden bestempeld nu 23 procent onder het middelste inkomen, een toename met 1,2 procent sinds 2008.

In twee derde van de lidstaten is het gemiddelde gezinsinkomen gedaald. Tussen 2007 en 2009 wisten overheden door middel van sociale uitkeringen en belastinghervormingen de inkomensdaling nog goeddeels tegen te gaan. Tussen 2009 en 2011 gebeurt in een aantal staten het omgekeerde: door de besparingen op sociale uitkeringen en/of de hogere belastingen daalde het gezinsinkomen nog meer.


Veranderingen in beschikbaar gezinsinkomen en de invloed van het veranderende belastings- en uitkeringsbeleid daarin voor enkele Europese landen. Bron: AMECO

Omdat de crisis aanhoudt, neemt onder aan de inkomenspiramide de financiële stress toe: het aantal mensen dat toegeeft zich in de schulden te moeten steken, dan wel op zijn spaargeld te moeten teren, nam het voorbije jaar toe in de meeste lidstaten.

De werkloosheid is gestegen tot het in de EU nooit geziene niveau van bijna 11 procent van de beroepsbevolking. Langdurige werkloosheid (meer dan een jaar werkloos) is tijdens de crisis in de EU van 2008 tot 2012 haast verdubbeld van 2,5 naar 4,6 procent van de actieve bevolking: van 13,5 naar 25 miljoen mensen. Meer dan tien miljoen mensen zijn langer dan twee jaar werkloos. Het aantal mensen dat ontmoedigd is en het zoeken naar werk heeft opgegeven, steeg van 7,3 naar 8,6 miljoen. Gezinnen met lager geschoolde ouders, alleenstaande moeders of immigranten worden meer getroffen door langdurige werkloosheid. Ook inzake werkloosheid zijn er grote verschillen: in Duitsland nam de werkloosheid af, in Spanje en Griekenland ging ze door het dak (meer dan twintig procent).

Cijfers, veel cijfers die niet altijd in staat zijn om het lijden dat met deze crisis gepaard gaat weer te geven. Commissaris voor Sociale Zaken László Andor kwam al wat dichter in de buurt toen hij erkende dat elke dag 400.000 mensen buiten slapen in de EU, een cijfer dat hoger ligt dan ooit.

Zeker in de zuidelijke landen is de toename van de dakloosheid direct aan de crisis te wijten, volgens FEANTSA, de Europese Federatie van Nationale Organisaties die werken met Daklozen. ‘In Spanje en Portugal is de vraag naar de diensten voor daklozen sinds 2008 met een kwart tot dertig procent gestegen’, zegt FEANTSA in een rapport van eind 2012. In Griekenland was het niet anders: daar heeft het verschijnsel zich verspreid van de twee grote steden Piraeus en Athene naar kleinere steden. Verder ook in het rapport: ‘Door de besparingen moest de daklozenstichting van Athene 61 van zijn 85 personeelsleden ontslaan. Een nieuw tehuis dat de twee bestaande en overbelaste nachtverblijven van Athene moest ontlasten, kon daardoor niet geopend word.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur