Vijf na twaalf voor europese welvaartsstaat

De Europese regels werken oneerlijke concurrentie en sociale fraude in de hand, zeggen werkgevers, vakbonden én sociale inspecteurs. De best uitgebouwde sociale beschermingssystemen zijn daarvan de dupe. Alleen door samenwerking tussen sociale inspecties kan het probleem aangepakt worden. De inspecties van de rijke lidstaten roepen om een Europees initiatief. De Europese Unie blijkt echter doof aan die kant. Er wachten mooie tijden voor malafide ondernemers.

De Europese regelgeving zorgt voor oneerlijke concurrentie en ondergraaft het Belgische sociale model, daarover zijn de mensen op het terrein –werkgevers, vakbonden en sociale inspectie- het eens. Door het vrije verkeer van werknemers in de Unie te stimuleren zonder tegelijk de controle op de naleving van sociale regels te organiseren, schept de Europese Unie twee categorieën bedrijven.
Enerzijds zijn er de ondernemingen met een vestiging in België die de Belgische loon-en arbeidsvoorwaarden moeten volgen en bij wie dat relatief makkelijk controleerbaar is. Anderzijds zijn er de ondernemingen met enkel vestigingen in het buitenland die hier mensen tijdelijk tewerkstellen en dus hun administratie in het buitenland hebben. Ook die bedrijven horen onze minimumlonen en arbeidstijden te respecteren, maar bij gebrek aan samenwerking tussen fiscale en sociale inspecties van de lidstaten is het quasi onmogelijk dat te verifiëren. Wie het toch probeert komt, vaak letterlijk, in een doolhof terecht.

Verdwaald in Europa


Op een regenachtige maandag rijd ik samen met arbeidsinspecteur Rik Saerens en zijn collega Werner Van der Veken de Antwerpse chemiehaven binnen. Complexe buizenconstructies en de namen van de grote chemieconcerns van deze wereld glijden voorbij: Total, Bayer, Basf, Esso, Fina. Fakkelvuren branden uit hoge schouwen. De chemiemultinationals stralen macht uit alleen al door de omvang van hun installaties. ‘Zo’n bedrijf is eigenlijk een stad op zich’, zegt Saerens.
‘Wij vinden in zo’n uitgestrekte site onze weg niet zonder hulp van het bedrijf zelf.’ Een sociaal inspecteur loopt bij zo’n chemieconcern dus niet binnen zoals hij bij de bakker afstapt.. Hij moet toegang tot de site vragen en krijgt een badge. De chemiereus die we bezoeken wil liever niet bij naam genoemd worden. Momenteel werken hier pakweg 1000 onderaannemers, in een complex web van uitbesteding dat soms vijf, zes of zeven lagen telt. In chemiebedrijven heeft de sociale inspectie het voordeel dat de concerns, omwille van de veiligheid, uur van aankomst en vertrek van elke werknemer noteren aan de ingang van het bedrijf. ‘We kunnen die uren dan vergelijken met de loonpapieren die de onderaannemer opstelt. Op een gewone bouwwerf kan je dat niet doen.’
Het Portugese bedrijf waar Saerens en Van der Veken naar zoeken, is hier niet aanwezig. Maar als we Portugezen zoeken, moeten we naar Zandvliet Power, de site waar een krachtcentrale wordt gebouwd, zegt een bereidwillige poortwachter. Iemand van de chemiereus rijdt ons voor tussen de wirwar van installaties op het bedrijfsterrein, naar een werf waarop wat tijdelijke kantoortjes -type veredelde container- staan. We worden ontvangen door een man van het Italiaanse bedrijf Ansalmo dat een deel uitvoert van een project dat geleid wordt door Siemens.
Ansalmo besteedt zijn deel van het werk uit aan een hele rist andere bedrijven: het laswerk gaat naar een ander Italiaans bedrijf, Somi, dat blijkt te werken met Portugezen. Die worden in Portugal geworven door het Nederlandse bedrijf Euroservice. Volgt u nog? Hoe complex ook de ketting ook is, in principe moeten deze Portugezen de Belgische loon- en arbeidsvoorwaarden naleven. De Belgische werkweek van 38 uur bijvoorbeeld. Saerens en Vander Veken vragen naar de gepresteerde uren. Blijkt dat de vijftigurige werkweek hier de norm is. Sommigen werken hier van zeven uur ‘s morgens tot halftien ‘s avonds, zien we. Saerens: ‘We kunnen nu proberen uit te zoeken of de vele overuren op zijn Belgisch worden betaald en welke lonen hier überhaupt worden betaald.’
Doordat de vakbonden in de vele buitenlandse bedrijven geen poot aan de grond hebben, is er bij de buitenlandse onderaannemers eigenlijk niemand die maalt om die Belgische loon- en arbeidsvoorwaarden: de buitenlandse werkers zijn al lang blij dat ze een pak meer verdienen dan in hun vaderland. Saerens maakt zich dan ook weinig illusies: ‘Als we echt de regels willen doen respecteren, moeten we hier een kantoortje hebben. Anders kan je gewoon niet volgen wat er gebeurt.’ Je krijgt inderdaad het gevoel dat dit gigantische bedrijfsterrein een vrijzone is, die niet geheel tot België behoort, of althans waar het bijzonder moeilijk is de Belgische regels te doen volgen. “Ketenaansprakelijkheid” waardoor de verantwoordelijkheid altijd bij de bouwheer ligt, is politiek niet haalbaar, vernemen we.
Ondertussen is ook de werfleider van Somi het kantoortje binnengekomen. Ik vraag hem waarom een Italiaans bedrijf hier in België met Portugese werknemers aan de slag gaat. ‘Omdat ze goedkoper zijn’, zegt hij heel eerlijk. Als ik opmerk dat hier hoe dan ook de Belgische loon- en arbeidsvoorwaarden gelden, snapt hij me niet. ‘Nee,nee, ze zijn goedkoper, hier en in Italië.’

De E101, highway to heaven?


Burgers uit de vijftien oude lidstaten mogen in de hele Unie werken en zijn dan onderworpen aan de loon- en arbeidsvoorwaarden van het land waar ze werken. Een Fransman die in een Belgisch bedrijf werkt, kan dan worden gecontroleerd zoals alle Belgische werknemers. Veel buitenlandse werknemers werken hier echter in het statuut van gedetacheerde -voor burgers uit de nieuwe lidstaten is detachering overigens de enige wettelijke manier om in België en de meeste oude lidstaten te werken.
Detachering wordt geregeld door twee Europese richtlijnen, uit 1971 en 1996. Die leggen, om kort te gaan, vast dat werknemers die hier tijdelijk aan het werk zijn, de sociale zekerheid van hun land van oorsprong kunnen behouden om onnodig papierwerk te vermijden, terwijl ze voor de rest de Belgische loon en -arbeidsvoorwaarden moeten naleven. Om die te respecteren, moet je ze kennen natuurlijk. Daarom bepaalt de detacheringsrichtlijn van 1996 dat alle lidstaten verbindingsbureau’s moeten oprichten waar buitenlandse bedrijven kunnen vragen wat de lokale arbeidsvoorwaarden precies zijn. ‘Die bureau’s werken echter amper’, stelt Filip Van Overmeiren, vorser aan de Universiteit Gent.
‘Op het Belgische bureau zijn er in al die jaren zo’n twintig telefoontjes binnengekomen.’ Werner Buelen, politiek secretaris van de Europese bouwvakbond liet de slagkracht van de bureau’s onderzoeken: ‘Negen van de tien antwoorden die ze gaven, waren onjuist!’ Bernard Lantin van dat Belgische verbindingsbureau zegt dat bedrijven die echt de Belgische regels willen volgen, een sociaal secretariaat moeten contacteren.
De controle op de regelgeving rond detachering rust bij de landen die werkers uitsturen. Aanvankelijk verwierp de Belgische sociale inspectie heel wat detacheringen omdat ze vaststelde dat de betrokken werknemers onder gezag van een Belgisch bedrijf werkten, en dus niet in aanmerking kwamen voor het statuut van detachering via een buitenlands bedrijf. Op 13 december 2000 ontzegde de administratieve commissie van de EU voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers de “ontvangende” landen het recht om detacheringen ongeldig te verklaren. Sindsdien is het is aan de “uitzendende” landen om dat te doen.
Het belangrijkste document dat een gedetacheerde nodig heeft, is het beruchte formulier E101. Dat wordt uitgevaardigd door een sociale zekerheidskas in het uitzendende land en is in principe het bewijs dat de gedetacheerde sociale bijdragen betaalt in dat land. ‘Probleem is dat zo’n E101 gewoon van het internet kan worden gedownload en dat de uitsturende landen, Nederland en Duitsland inbegrepen, maar node een E101 intrekken omdat ze dan bijdragen moeten terugbetalen’, noteert Jona Ceuppens, die bij de Belgische rijksdienst voor Sociale Zekerheid het dossier beheert.
‘Onlangs troffen we iemand van Portugese origine, die in België een werkloosheidsuitkering geniet, aan met een Portugese E101. Dat kan natuurlijk niet. Wie in België een werkloosheidsuitkering krijgt, is onderworpen aan de Belgische sociale zekerheid. Toch weigert Portugal om zijn E101 in te trekken.’ Voor armere lidstaten met veel werklozen is de verleiding groot om niet al te nauw toe te zien op de detacheringsvoorwaarden of te controleren of de gedetacheerde landgenoot zich wel aan de sociale en fiscale regels houdt.

De Commissie doet niets


Met haar regelgeving organiseert de EU de economische verstrengeling van de lidstaten. Omdat een gedetacheerde werknemer werkt in een lidstaat en betaald wordt in een andere, kan de controle niet door één staat gebeuren. De staat waar gewerkt wordt, kan eventueel nagaan hoeveel er wordt gewerkt, maar het is de uitzendende staat die de betaling van lonen, belastingen en sociale bijdragen moet controleren. Pas als de twee landen samenwerken, weten we dus of de regels worden geëerbiedigd.
In de detacheringsrichtlijn staat dan ook dat de lidstaten ‘voorzieningen moeten treffen om samen te werken’ en ‘moeten reageren op vragen om informatie in verband met het transnationaal verhuren van werkers’. Dat reageren lukt niet al te goed. Zo stootte sociale inspectie in Antwerpen vorig jaar op een Grieks bedrijf dat met Kazakse werknemers de Antwerpse secundaire scholen schoonmaakt aan onwaarschijnlijk lage prijzen.
 Op 30 september 2004 verstuurde inspecteur Jef Heynen een brief naar de Griekse sociale zekerheidinstelling IKA met de vraag om na te gaan of het betrokken bedrijf in Griekenland actief is en personeel tewerkstelt. Kwestie van de geldigheid van de detachering te controleren. Vijf maanden later heeft IKA nog steeds niet geantwoord. MO* nam zelf contact op met IKA. Vasiliki Saranti aan de telefoon: ‘We hebben ontdekt dat uw brief is doorgestuurd naar de lokale IKA-afdeling in Athene. U hebt twee mogelijkheden: ofwel stuurt u ons een herinneringsbrief die wij dan naar hen doorsturen ofwel stuurt u hen rechtstreeks zo’n brief.’ Na enig aandringen krijg ik het telefoonnummer van de bewuste IKA-afdeling, weliswaar met de waarschuwing dat niemand daar Engels spreekt. Wat inderdaad het geval blijkt te zijn.
Filip Van Overmeiren, vorser aan de Universiteit Gent ‘De Europese Commissie stelt wel dat er samenwerking moet zijn, maar ze nam geen enkel initiatief.’ De Europese Commissie blijkt niet eens zicht te hebben op de slagkracht van de inspecties die moeten toezien op de naleving van de sociale wetten. Voor de inspectie van veiligheid en gezondheid heeft de Commissie in 1995 al een Comité van Hoge Arbeidsinspecteurs (SLIC) opgericht. In het SLIC ontmoeten hoge inspecteurs elkaar tweemaal per jaar en proberen ze gemeenschappelijke principes af te spreken. Maar als het gaat om toezicht op sociale wetten bestaat er eigenlijk niets op Europees niveau.

Spontane nationale initiatieven


De uitbouw van samenwerking wordt dus aan de nationale inspectiediensten en aan de dynamiek van sommige inspecteurs overgelaten. In België groeit vooral in de grensstreken enige samenwerking. De Belgische inspectie is versnipperd over vier verschillende diensten. Frank Vandenbroucke probeerde er als minister van Sociale Zaken één dienst van te maken maar stootte op institutionele inertie. Met veel moeite is er men er wel in geslaagd het Federaal Coördinatiecomité ter bestrijding van de illegale arbeid en de sociale fraude op te richten. Dat moet voortaan de internationale samenwerking stimuleren en coördineren.
Didier Verbeke leidt het comité: ‘Met collega’s in Nederland, Frankrijk en Duitsland zijn er al contacten. Elders staan we nog nergens. Ik zal ter plaatse gaan, ook in de nieuwe lidstaten. Desnoods ga ik daar drie dagen kamperen tot ik de juiste persoon gevonden heb.’
Duitsland heeft onlangs de Finanzkontrolle Schwarzarbeit opgericht, die grotendeels wordt bemand door vroegere douaniers. Tegen eind dit jaar zouden er 7000 mensen in dienst zijn. Woordvoerder Peter Aulman beaamt dat de samenwerking in de EU sterker en beter kan. ‘Soms duurt het heel lang voor je antwoord krijgt, toch lukt het soms zelfs met Oost-Europa. Om de samenwerking vooruit te helpen, is er nood aan een Europese regelgeving.’
De Poolse arbeidsinspectie wenste niet in te gaan op onze vraag om een gesprek. In haar eigen jaarverslag zegt ze wel dat onregelmatigheden in de betaling van salarissen en andere voordelen aan werknemers ‘haast pathologische vormen’ aanneemt. In 2003 ontvingen 170.000 werknemers dankzij het optreden van de arbeidsinspectie 16 miljoen euro waar ze recht op hadden. Off the record wil iemand in Warschau wel kwijt dat het de werkloosheid is die werkers bereid maakt lagere lonen te aanvaarden. ‘Zelfs met 3000 in plaats van 1500 inspecteurs kan je de plaag niet bannen.’
Nederland heeft sinds vijf jaar een Internationaal Bureau Fraude Informatie dat internationale dossiers van sociale fraude dat moet aanpakken. Marloes Kolthof spreekt uit ervaring: ‘Als ik per brief om informatie vraag in Praag, reken ik er niet op dat ik daar antwoord op krijg. Telefoneren is een minimum. Het beste is ernaartoe gaan. Het onderhouden van persoonlijke contacten, daar staat of valt alles mee.’
Frank Ashford van het ministerie van Werk en Pensioenen in het Verenigd Koninkrijk zegt dat de overheid heel goed beseft dat de uitkeringssystemen beter beschermd moeten worden tegen internationale fraude: ‘De sociale zekerheid kan teveel betalen omdat er door het goedkope reizen meer kans is dat mensen uitkeringen vragen in twee landen. Daarom hebben wij akkoorden met Ierland en Nederland om dat te bestrijden. De sociale zekerheid verliest dan weer inkomsten als Letten of Litouwers hier het werk van Britten afnemen omdat het Belgische bedrijf dat hen uitstuurt niet eens de minimumlonen betaalt. Dat kunnen we echter alleen bewijzen als onze Belgische collega’s ons helpen. Een initiatief op Europees niveau zou echt ideaal zijn.’

Het mysterie van het Europese onvermogen


Zowat alle sociale inspecties zijn er van overtuigd dat landen als Polen of Portugal blij zijn dat hun werkloosheid afneemt als een deel van hun bevolking in het buitenland aan de slag kan. Ook als dat betekent dat ze hun sociale bijdragen of belastingen niet correct betalen.
Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat de meeste lidstaten onlangs hun kat stuurden naar een bijeenkomst in Rome over betere samenwerking. Didier Verbeke: ‘Alleen de zes stichtende EU-landen waren er.’ Eric Karman hoorde het in Dresden zelfs uit de mond van een lokale ambtenaar, die zei: ‘De werkloosheid bedraagt bij ons 35 procent. Je moet ons in die omstandigheden niet vragen om de wet correct toe te passen.’ Maar als landen onder druk van de werkloosheid liever een oogje dicht knijpen voor overtredingen, worden landen die wel goed samenwerken gestraft met relatief meer werklozen. Die nefaste dynamiek maakt een initiatief op Europees niveau des te noodzakelijker.
Vraag is waarom de overtuiging onder de ambtenaren zich niet vertaalt in een politiek initiatief. Werner Buelen, politiek secretaris van de Europese Federatie van Bouw- en Houtarbeiders, walgt stilaan van de houding van de Europese Commissie: ‘Mijn besluit is dat de Commissie geen betere inspectie wil. Naar aanleiding van de Bolkesteinrichtlijn hebben we vorig jaar samen met de Europese bouwwerkgevers maandenlang gepraat met de diensten van Interne Markt, ook over betere inspectie. Ik denk dat we daar onderhand iedereen kennen, maar het leidde tot niets.’ Alle sociale inspecteurs die we spraken, vrezen “Bolkestein” omdat de ontvangende landen dan nog meer afhankelijk worden van informatie uit uitzendende landen.
Ook Vincent Vandenameele op het kabinet van de minister van Werk Freya Van den Bossche is pessimistisch: ‘België wil best een Sociopol, een Europees georganiseerde sociale inspectie. Maar over sociale zaken wordt in de Europese Raad nog altijd met unanimiteit beslist en zo’n Sociopol krijgt nooit de vereiste 25 stemmen achter zich. Dus rest er ons niets anders dan met Nederland, Duitsland, Frankrijk en nog enkele landen een samenwerkingsverband uit te bouwen tussen de inspecties. Meer acht ik niet haalbaar. Als de nieuwe lidstaten al een inspectie hebben, zijn ze volgens mij politiek niet geïnteresseerd om met ons samen te werken. Dit dossier is de perfecte illustratie van het feit dat de EU vooral in het economische is geïnteresseerd en veel minder in het sociale.’

Nadelig voor integratie

‘Bij Hertel betalen wij ons personeel minimaal 29 euro per uur, maar bedrijven krijgen mensen aangeboden aan 17 euro per uur voor hetzelfde werk. De Belgische inspectie kan ons als Belgische onderneming perfect controleren, maar kan niet over de grenzen kijken of buitenlandse bedrijven minimumlonen of overuren betalen. De prijzen voor nieuwbouwprojecten zijn daardoor de voorbije jaren met 30 procent gedaald. Vermits de arbeidskosten in België niet zijn gedaald, is er maar één conclusie mogelijk: hier worden niet langer Belgische lonen betaald.

Het gevolg is dat wij geen nieuwbouwprojecten meer binnen halen, we doen alleen nog onderhoud van de bestaande installaties omdat daarvoor kennis van het Nederlands en snelle aanwezigheid belangrijk zijn. De meerderheid van ons personeel bestaat uit allochtone laaggeschoolden. Zij worden van de markt verdrongen door goedkopere buitenlanders die de wet niet eerbiedigen. Dit is slecht voor de integratie. Om ons te verdedigen hebben we, net als anderen in de sector, ook een filiaal opgericht in Polen. Daar werken nog maar acht mensen maar als er niets verandert, zal dat aantal snel toenemen. Ik vraag me af hoe we ons sociaal systeem overeind kunnen houden als er steeds minder mensen toe bijdragen. Het is niet fair tegenover mensen die hun hele leven hebben bijgedragen en die, als ze met pensioen gaan, zullen vaststellen dat hun pensioen niet al te veel meer voorstelt.’

Eric Karman is voorzitter van de Federatie van Industriële Servicebedrijven -bouwbedrijven die metaalbewerking, schilder- en isolatiewerken, stellingbouw en allerlei andere diensten leveren aan de bedrijven in de haven en die vooral flexibel inzetbaar moeten zijn- en tevens baas van Hertel dat zo’n 1000 mensen, in meerderheid allochtone mannen, in die branche tewerkstelt.

Eric Karman is voorzitter van de Federatie van Industriële Servicebedrijven en baas van Hertel dat zo’n 1000 mensen, in meerderheid allochtone mannen, in die branche tewerkstelt.



Koppelbazen werken openlijk

‘Buitenlandse bedrijven leggen dikwijls correcte loonbrieven voor, maar een overschrijving krijg je niet te zien. De sociale inspectie kan eigenlijk niets doen en het internationale fraudecircuit weet dat. De koppelbazen komen tegenwoordig openlijk hun diensten aanbieden aan prijzen waarmee ze onmogelijk de Belgische regels kunnen naleven. Het gaat om de industriële servicebedrijven, de metaalbewerkers zoals lassers, en ook al een deel van de gewone bouw. Uit een onderzoek bleek dat de helft van onze leden de goedkope buitenlandse concurrentie al op werven heeft ontmoet, een vierde verloor er al werk aan, 4 tot 5 procent besteedde zelf al werk uit aan buitenlandse onderaannemers en 10 procent denkt dat op korte termijn te doen. Over twee jaar is de hele sector overwoekerd. Meer sociale inspecteurs inschakelen helpt niet. Wat baten meer flitspalen als de auto’s met valse nummerplaten rijden?’

Joris De Fré is directeur van de Confederatie Bouw in Antwerpen.


De kar voor het paard

‘Wij hebben een aantal aanbestedingen in de schoonmaaksector bestudeerd. Uit de prijzen die werden geboden, konden we besluiten dat 40 procent van de betrokken bedrijven het minimumloon niet kan respecteren. De druk op de bedrijven die wel nog de wet naleven, wordt zeer groot. Als we nu niets doen, zal iedereen die praktijken moeten toepassen en dus ook moeten werken met buitenlandse onderaannemers of schijnzelfstandigen. Europa spant de kar voor het paard: men wil vrij verkeer, maar de middelen om te garanderen dat iedereen aan dezelfde voorwaarden werkt, zijn er niet.’

Hilde Engels, secretaris-generaal van de Belgische schoonmaakunie, een beroepsorganisatie die 200 van de 1400 schoonmaakbedrijven groepeert.


Twee maten en twee gewichten

‘Onlangs ontdekten we dat Soframi, een Portugees bedrijf, zijn laswerkers maar 2,41 euro per uur betaalde terwijl het minimum in de haven 9 euro is. Soframi erkende zijn fout en liet berekenen dat het per werknemer 4126 euro moet bijbetalen voor een werkperiode van 6 maand. Maar of het dat ook effectief zal doen, weten we niet. Zelfs als we stortingsbewijzen van Portugese banken te zien krijgen, weten we uit ervaring dat het best mogelijk is dat de betrokken werknemers achteraf een deel daarvan cash terugbetalen. Omdat onze inspecties toch ook iets moeten opbrengen en je als inspecteur makkelijker resultaat boekt bij een Belgisch bedrijf, zijn sommige inspecteurs geneigd die buitenlandse ondernemingen te mijden. Ik begin die twee maten en twee gewichten gênant te vinden tegenover de Belgische bedrijven.’

Hendrik Saerens van de inspectie toezicht sociale wetten in Antwerpen, met dertig 30 jaar ervaring in de materie.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur