Virtuele realiteit

De boeken die ik de jongste jaren lees, hebben inhoudstafels. Overzichtelijke opsommingen van thema’s en auteurs vooraan, pagina’s vol voetnoten en literatuurlijsten achteraan. Vroeger was dat anders.
Toen graasde ik wei na wei de vertaalde literatuur af. Eerst de Latijns-Amerikanen, dan de Afrikanen, de Britse Aziaten, de zwarte Noord-Amerikaanse vrouwen, de middeleeuwse Centraal-Aziaten, de Europese allochtonen, de postcommunistische Midden-Europeanen. Maar op een dag ben ik het spoor bijster geraakt en sindsdien is het al non-fictie wat de klok slaat. Tot ik enkele maanden geleden Dakruiters kreeg, de jongste poëziebundel van Esther Jansma. Er zit geen saharazand in haar taal, je hoort geen bamboegefluister in haar woorden en niemand in haar gedichten stelt een vraag waarmee verzet begint. Waarom wil ik zo’n gedichtenbundel dan per se in Wereldwijd Magazine? Sjaantje geeft het antwoord.

Ik heb een huis zegt Sjaantje
zoals je bijna nooit aan huizen denkt, geen
besloten en heel bekend iets waar je in kan
nee een gat is het, naar alle kanten open

de plek in een bruine schets (krijt)
waar niks zit. De wind giert erdoorheen
maar het is de wind niet, het is willen
dat je daar bent. Ik ben daar niet alleen

misschien is dat wat ik bedoel misschien
is het helemaal geen huis maar een nieuwe plek, vet
gekrijt lentebed van gekeerde aarde en wij
dun nog van zoveel winter erin, pentekening.

Sjaantje moest in Wereldwijd Magazine, omdat ze niet past in de wereld daarbuiten. Zij woont niet in een huis, maar op een nieuwe plek. Een vet gekrijt lentebed van gekeerde aarde. Wie in zoveel poëzie kan wonen, die is onaangepast, marginaal en wellicht bedreigd. Welkom dus in dit blad. Sjaantje is ook onzeker: haar huis is geen huis maar een gat, de wind die eromheen waait, is de wind niet, maar een verlangen, en haar wij is dun en misschien. Zoveel onzekerheid en verschuivende betekenissen in drie verzen en twaalf regels, daarvoor moet de wereld even stilstaan. Of beter nog, daarvoor moet een lezer stilzitten, lezen, denken en herkauwen. Poëzie vraagt vier magen en veel geduld. ‘Wat geen moeite kost, is vaak de moeite ook niet waard’, schreef Herman de Coninck meer dan tien jaar geleden in Een pleidooi voor moeite.

Poëzie is in eerste instantie niet bedoeld als maatschappelijke stellingname. Esther Jansma is Pablo Neruda niet en zelfs die keizer van de geëngageerde poëzie was meer bezig met taal en menselijke schoonheid dan met politiek. De politieke betekenis van twijfel en kwetsbaarheid is de jongste jaren echter enorm toegenomen. De wereld grossiert momenteel in suiker en glijmiddelen, in winst en verkoopbaarheid. Gedichten weigeren de gemakkelijke collaboratie met die commercie. Dat is hopeloos tegen de tijdgeest, natuurlijk. Daarom zijn wij ervoor.

Gedichten zijn niet elitair, net zomin als luit en schilderkunst dat zijn. Aandelen zijn elitair, evenals opgeklopte internetcongressen, business seats en andere hoog geprijsde netwerken. Daar vind je dan ook niemand die een licht winters wij vormt in een pentekening. Dat soort virtuele samenhorigheid vind je alleen in poëzie en hopelijk, zo nu en dan, in Wereldwijd Magazine.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3195   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift

Over de auteur