Vlaamse ontwikkelingssamenwerking in Mozambique

In 2007 gaf Vlaanderen 5,57 miljoen euro ontwikkelingshulp aan Mozambique. Daarmee is het zuidelijk Afrikaanse land de numero uno van de Vlaamse partnerlanden. Ook de Belgische ontwikkelingssamenwerking is in Mozambique actief, maar van enige afstemming tussen beide weldoeners is geen sprake. MO* trok naar Tete, de heetste provincie in Mozambique, en bezocht er verschillende Vlaamse projecten.
  • Stefaan Anrys De organisaties die van Vlaanderen geld ontvangen, schijnen er niet om te malen of Belgi Stefaan Anrys
Een poetsvrouw met haarnetje, blauwe kiel en plastic handschoenen is druk in de weer in het ziekenhuis van Tete, een provinciehoofdstad in Mozambique. Tussen de volle bedden liggen matrassen op de grond, met daarop nog meer patiënten. Ze hebben aids. Dit ziekenhuis is hun eindstation. In Mozambique is maar liefst een op zes volwassenen besmet met hiv. In het zuiden loopt de besmettingsgraad zelfs op tot een op vijf. De strijd tegen het killervirus is voor buitenlandse donoren één van de prioriteiten in hun ontwikkelingssamenwerking. Ook voor Vlaanderen, dat sinds 2002 actief is in Mozambique.
Éen van de begunstigden van het Vlaamse geld is het provinciaal ziekenhuis in Tete. ‘Tien jaar geleden lag het hier halfvol’, zegt Dirk Van der Roost van het Instituut voor Tropische Geneeskunde (ITG), dat er met Vlaams geld aan kwaliteitsverbetering werkt. ‘Vandaag is dit ziekenhuis door de toename van de aidspatiënten tot de nok gevuld.’
Mozambique is vijfentwintig keer zo groot als België maar heeft slechts zeshonderd eigen artsen. Een paar honderd buitenlanders, waaronder Cubanen en Russen, vullen het korps aan. Ook de gezondheidsinfrastructuur schiet tekort. Chiuta bijvoorbeeld, een district in het noorden van de provincie Tete, is groter dan Oost- en West-Vlaanderen samen maar telt slechts vier gezondheidscentra.
Aidspatiënten, die normaliter elke maand een nieuw voorschrift voor aidsremmers moeten halen, leggen al gauw vijftig kilometer af tot aan het dichtstbijzijnde gezondheidscentrum. Het aantal Mozambikanen dat de aidsbehandeling vroegtijdig afbreekt, ligt dan ook erg hoog. ‘In ieder geval hoger dan de tien procent die de Wereldgezondheidsorganisatie vooropstelt’, weet Esther Casas. Ze werkt namens het ITG als arts in het provinciaal ziekenhuis van Tete. ‘Het aantal afvallers is een groot probleem, want wie afhaakt of zijn pillen onregelmatig neemt, kweekt resistentie tegen de pillen.’ Maar de therapie volhouden, is niet simpel. Casas: ‘Ik heb het zelf geprobeerd, met caramelos. Elke dag probeerde ik plichtsgetrouw om zeven uur ’s morgens en ’s avonds een snoepje te eten. Het is mij niet gelukt. En dan moet je weten dat Mozambikanen meestal geen horloge hebben.’

Hoertjes en truckers


Met een 4x4 is het ruim één uur rijden naar Chiuta. Het regenseizoen is achter de rug, de berghellingen zijn groen bebost en langs de weg staan ronde hutten met rieten daken te blinken in de zon. Stromend water is er niet en het is bloedheet. Langs de vlekkeloze asfaltweg lopen vrouwen en kinderen met bundels vracht en gele waterbidons op het hoofd. Het zijn dezelfde gele bidons die in Tete liggen opgestapeld, in de hangars van de VN-Vluchtelingenorganisatie. De Verenigde Naties hebben eerder dit jaar noodhulp geleverd, toen Mozambique –alweer– geteisterd werd door overstromingen. In de schaarse gezondheidscentra van Chiuta zijn de naweeën nog te merken.
In een plastic tentenkamp worden de laatste cholerapatiënten hermetisch afgescheiden van hun gezonde medeburgers. Een toilet om de diarree te laten weglopen, een emmer om in te braken en een infuusfles, die om de haverklap vervangen moet worden. Quarantaine bij een temperatuur van veertig graden. Wie hier tijdens de epidemie dit voorjaar terechtkwam, mocht nog van geluk spreken. Tientallen anderen uit dit district stierven de uitdrogingsdood.
Behalve noodhulp bij overstromingen en epidemieën krijgt Mozambique vooral steun voor zijn strijd tegen aids. Maar daarmee is niet iedereen tevreden. ‘Minha grande tristeza’, zegt Luisa Cumba, chef van de gezondheidszorg in de provincie Tete, ‘is dat we moeilijk donorgeld krijgen voor andere ziekten. En dat terwijl de primaire doodsoorzaak niet aids is, maar malaria, ondervoeding en tuberculose.’
Aan de grote baan die Tete verbindt met buurland Malawi staan twee containers opgesteld,  een nachtkliniek voor hoertjes en truckers. Sinds buurland Zimbabwe in het slop is geraakt, zakken ook Zimbabwaanse vrouwen af om tegen een hongerloon van vijftig metical –grofweg hetzelfde bedrag in oude Belgische franken– de chauffeurs te bevredigen. Tete’s locatie als doorgangsprovincie van en naar Malawi en Zimbabwe, alsook het mijnbouwverleden van de provincie, hebben gezorgd voor een relatief hoge besmettingsgraad.
Het International Centre for Reproductive Health van de Universiteit Gent, die de nachtkliniek in 2004 met Vlaams geld heeft overgenomen van de Duitse organisatie GTZ, wil de hoogrisicogroep van prostituees en truckers in kaart te brengen, zegt Diederike Geelhoed (Universiteit Gent). De kliniek doet ook aan preventie en voorlichting, voornamelijk omtrent contraceptie, hiv en seksueel overdraagbare aandoeningen.
Aan de muur van de container hangen geplastificeerde plakkaten met foto’s van een druiper en zweren op schaamlippen en penis. In het broeierige lokaaltje –de elektriciteit en dus ook de airco zijn net uitgevallen– suggereert Geelhoed aan een ambtenaar van Volksgezondheid om malariatesten van de overheid te gebruiken in de nachtkliniek, want daar is blijkbaar vraag naar. ‘De truckers komen naar de kliniek, omdat ze hier snel bediend zijn. Met malariatesten kunnen we meer cliënten aantrekken en zo gelijk meer aidstests aanbieden.’ Malaria als glijmiddel voor de aidsbestrijding.

Meertalige verpleegsters


‘Op het terrein werken het Rode Kruis, Artsen Zonder Grenzen België, het Tropisch Instituut en de Universiteit Gent goed samen met de lokale administraties. Vlaanderen is op dat vlak redelijk uniek’, zegt Katarina Planckaert, de vertegenwoordiger van het Vlaams Agentschap voor Internationale Samenwerking (VAIS), dat het Vlaams ontwikkelingsbeleid uitvoert. Volgens Planckaert worden in ontwikkelingssamenwerking de lokale autoriteiten vaak over het hoofd gezien. ‘Sommige donoren, zoals de Japanners, laten hun eigen bouwfirma’s aanrukken om projecten uit te voeren.
De Fransen hebben hun architecten zitten in Parijs, die vaak tussenbeide komen als een bouwproject van de Franse coöperatie plots gewijzigd wordt. “Waarom heeft u die deur links en niet rechts gezet?”, klinkt het dan.’ Maar niet zo met het Vlaamse ontwikkelingsgeld. De nachtkliniek in Tete wordt gerund door de gezondheidsdirectie van het district, die daarvoor steun krijgt van de Gentse universiteit.
Een project van het Tropisch Instituut voor de opleiding van vroedvrouwen heeft dan weer de zegen gekregen van de nationale gezondheidsminister. Een uniek project trouwens, want voor het eerst worden verpleegsters opgeleid uit eenzelfde provincie, met het vooruitzicht dat ze ook in hun eigen provincie werk zullen krijgen. Dat motiveert, zeggen de 33 blauwwitte verpleegsters in koor. ‘Ik zal tenminste de taal spreken van mijn patiënten,’ zegt een verpleegster, ‘want het merendeel van de bewoners uit mijn district spreken geen Portugees, maar Nsenga. Ik kan dan ook zorgen voor mijn familie, als ik dicht bij huis kan werken.’
Alle meisjes lijken het nieuwe systeem motiverender te vinden dan het huidige. Doorgaans krijgen verplegers immers een nationaal ingangsexamen voorgelegd en worden zij na hun opleiding in de verschillende verpleegscholen over het hele land uitgestuurd, ongeacht waar ze vandaan kwamen. Dankzij hulp van datzelfde Tropisch Instituut hebben in 2007 1.300 werknemers uit de gezondheidssector in de provincie Tete een promotie gekregen. Het dossier zat al jaren strop door corruptie en onwil vanwege de provinciale chef Human Resources. ‘Mede dankzij onze druk is de man ontslagen en vervangen door zijn voormalige assistente’, zegt Van der Roost.

Donor darling


Donoren lopen al sinds het einde van de burgeroorlog in Mozambique storm voor het zuidelijk Afrikaanse land. De politieke situatie is relatief stabiel en de corruptie blijft ogenschijnlijk binnen de perken. Mozambique is wat men noemt een donor darling, zoals blijkt uit de cijfers (zie kader). Ik ondervind het ook aan den lijve, tijdens mijn eerste avond uit in Maputo. Daar loop ik liefst vijftien coöperanten en VN-medewerkers tegen het lijf, uit tien verschillende landen. De expats treffen elkaar in het weekend op privéfeestjes en in uitgaansgelegenheden als de Gil Vicente Bar, de Nucleo de Arte en Coconuts.
Maar de tijd lijkt voorbij dat agentschappen en niet-gouvernementele organisaties in de gezondheidszorg ongestoord hun gang kunnen gaan. Dat is misschien ook te danken aan de nieuwe minister van Gezondheid, Paulo Ivo Garrido. In de Mozambikaanse oppositiekrant Savana wordt hij steevast omschreven als ‘Tsunami 1’, vanwege zijn impulsief en doortastend karakter. Garrido heeft het niet echt begrepen op ngo’s en heeft zowat alle buitenlandse experts op de gezondheidsadministratie de laan uitgestuurd.
Eind februari liet Garrido opnieuw van zich horen. ‘Alle daghospitalen moeten dicht,’ zei hij aan een journalist van de krant Noticias, ‘en ze moeten geïntegreerd worden in de poliklinieken’. Daghospitalen zijn gespecialiseerde centra waar de eigenlijke aidsbestrijding is ontstaan. Artsen Zonder Grenzen heeft er her en der in Mozambique uit de grond gestampt. In deze centra werden voor het eerst aidsremmers voorgeschreven en afgeleverd, meestal door buitenlandse artsen van AZG en andere ngo’s. Het was een eerste stap naar een nationaal aidsbeleid, maar vandaag staat het land zover dat er ook in de ziekenhuizen van de overheid aidsremmers worden voorgeschreven.
Omdat de daghospitalen alleen aidspatiënten behandelen, werken zij discriminatie in de hand. Niemand loopt immers graag te koop met zijn ziekte. Het ziekenhuisje in Moatize is een sprekend voorbeeld. Het witte gebouw ligt wat afgelegen in het stoffige zand en op de witgekalkte muur prijkt in zwarte letters ‘Gabinete de Aconselhamento e Testagem Voluntária’. Iedereen denkt er meteen bij: voor aidspatiënten. Onder het afdak wacht een tiental hiv-positieven zijn beurt af. Tiago Dal Molin, een Braziliaanse arts, doet de consultaties: ‘Iedereen die naar hier komt, heeft aids en dat weten ook de buurtbewoners. Daarom komen ze zelfs van heinde en verre, liever dan naar een daghospitaal te gaan dichter bij huis.’
Nog voor minister Garrido’s beslissing om de daghospitalen te sluiten, had Artsen Zonder Grenzen er in Tete al voor gekozen zijn medische diensten van Moatize over te hevelen naar een gezondheidscentrum van de overheid. Erg uitzonderlijk, want AZG staat erom bekend nogal eigengereid en onafhankelijk tewerk te gaan. Op drie kilometer van Moatize bouwt de ngo nu een nieuwe vleugel aan het staatsgezondheidscentrum van Carbomoc. Zodra die vleugel opgeleverd is, gaat het daghospitaal dicht en zal dokter Tiago zijn patiënten in Carbomoc ontvangen. De nieuwe ziekenhuisvleugel, betaald met Vlaams ontwikkelingsgeld, moet ook dienst doen voor patiënten met andere aandoeningen. Op die manier wordt het minder zichtbaar wie al dan niet met hiv komt aanzetten. ‘De gezondheidszorg in zo’n centrum is niet van hetzelfde niveau, maar mordicus vasthouden aan ons eigen daghospitaal is niet duurzaam’, vindt AZG-medewerkster Therese Morgren.

Administratieve overlast


Voor de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking is Mozambique een voor de hand liggend partnerland. Vlaanderen was sinds 1994 aanwezig in Zuid-Afrika en Mozambique ligt net als Malawi –sinds vorig jaar het derde vaste partnerland van de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking– vlakbij Zuid-Afrika. Op de koop toe waren Belgische organisaties, zoals Artsen Zonder Grenzen, reeds op het terrein actief. Daardoor moest de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking in het land niet vanaf nul beginnen.
Critici wijzen erop dat de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking voor Mozambique nog maar eens een donor extra is om verantwoording aan af te leggen. Met andere woorden: meer administratieve overlast. Dat argument klopt maar voor een stuk. Nog voor VAIS voet aan wal zette in Maputo was in de gezondheidszorgsector immers al een aanzet gegeven om de veelheid aan donoren te coördineren. Vlaanderen is in die “gezondheidsswap” ingestapt (swap staat voor sector wide approach). Het gaat om een overlegorgaan waarin donoren hun projecten proberen af te stemmen op nationale plannen.
De donoren kunnen geld storten in drie fondsen waaruit het ministerie kan putten, bijvoorbeeld om geneesmiddelen te kopen. Volgens een beurtrol neemt telkens één van de grote donoren het voorzitterschap van de gezondheidsswap waar en fungeert als aanspreekpunt voor de Mozambikaanse overheid. ‘Wij gaan als Vlamingen bijna nooit rechtstreeks met het ministerie van Gezondheid praten’, zegt Katarina Planckaert van VAIS. ‘Dat doet de “voorzitter” van de gezondheidsswap. Vandaag is dat de Europese Commissie. Vroeger waren dat de Zwitsers, straks worden dat de Britten. Alleen als er iets niet in orde is met de betaling, neem ik wel eens rechtstreeks contact op.’
Af en toe gebeurt het wel eens dat Vlaanderen rechtstreeks samen zit met een ministerie, in een tête-à-tête of met een derde partij erbij. Maar zelfs ondanks die overlegmomenten is de administratieve overlast die Vlaanderen teweegbrengt klein bier in vergelijking met die van Amerikaanse kolossen als Pepfar of initiatieven zoals het Wereldfonds voor de Bestrijding van Aids, Tuberculose en Malaria. ‘Wij zetten ook wel parallelle controlesystemen op voor de aanwending van ons geld,’ zegt Planckaert, ‘maar niet in dezelfde mate als Pepfar of Global Fund. Vlaanderen legt van bij de aanvang evenmin talloze voorwaarden op, zoals andere coöperaties wel doen.’

Handen tekort


Het is overigens maar de vraag of Vlaanderen zelf al die administratieve rompslomp de baas zou kunnen. Katarina Planckaert is in Mozambique immers als enige verantwoordelijk voor de coördinatie van de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking. Ze staat niet alleen in voor het dagelijkse beheer van het kantoor maar bereidt ook de swapvergaderingen voor én volgt de projecten op van partnerorganisaties zoals Artsen Zonder Grenzen. Planckaert is zowel het lokale aanspreekpunt als oog en oor van de beleidsmakers in Brussel. De hardwerkende dame is duidelijk overbelast.
Planckaert: ‘Veel meer dan luisteren naar de swappartners kan ik niet. Om inhoudelijke inbreng te hebben tijdens zo een werkvergadering moet je er fulltime mee bezig zijn.’ Planckaert is bovendien nog maar een half jaar in dienst. Toen haar voorgangster ontslagen werd, ging alle institutioneel geheugen verloren omdat er geen mogelijkheid was om de twee korte tijd te laten dubbellopen. Slechts één persoon heeft vandaag min of meer zicht heeft op de historiek van de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking in Mozambique en die man zit in Brussel.
De prille leeftijd van VAIS en de onderbezetting van het kantoor in Maputo verklaren misschien waarom zoveel gewicht gegeven wordt aan de swap, waarin grote donoren het mooie weer maken, en aan indirecte samenwerking met ervaren ngo’s, Vlaamse instituten en universiteiten. In ieder geval onderzoekt Vlaanderen momenteel of dat de beste werkwijze is. Tijdens mijn verblijf in Tete loop ik een consultant tegen het lijf van het Instituut voor Ontwikkelingsbeleid (IOB) van de Universiteit Antwerpen. Hij moet in opdracht van Vlaanderen de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking in Zuid-Afrika, Mozambique en Malawi doorlichten en na afloop een advies formuleren. Vlaanderen is duidelijk op zoek naar de beste manier om zijn ontwikkelingssteun te organiseren.

Beter met denen


Werkt Vlaanderen eigenlijk samen met de Belgisch Technische Coöperatie (BTC), die in Maputo het ontwikkelingsbeleid van België uitvoert? Dat zou misschien soelaas bieden voor de onderbestaffing? ‘Uitgesloten’, zegt Planckaert beslist.
‘Er zijn in Mozambique weinig raakpunten met de Belgische ontwikkelingssamenwerking. Wij zijn actief in de provincie Tete, zij niet. Wij zitten in de swap, zij niet. Wij focussen op hiv en human resources, zij op algemene budgetsteun en het beheer van openbare financiën.’ Behalve als het gaat om de constructie van gebouwen –zowel Vlaanderen als België hebben ziekenhuizen gebouwd of hersteld– zijn de BTC en VAIS dus met andere zaken bezig. Planckaert: ‘We hebben meer gemeen met de Catalanen of de Denen dan met de Belgen.’ Vlaanderen heeft dan ook een overeenkomst afgesloten met de Deense ambassade. Die houdt ondermeer in dat Planckaert en haar Deense tegenhangers informatie uitwisselen van vergaderingen. À la limite kunnen beide elkaar zelfs vertegenwoordigen, wat totnogtoe evenwel niet gebeurd is.
Leven Vlaanderen en België in Maputo in onmin? Allerminst. VAIS en de BTC zitten trouwens op een boogscheut van elkaar verwijderd en het personeel ontmoet elkaar wel eens op feestjes, op internet of bij pot en pint. Toch is de interactie niet structureel en wordt ze afgeremd door “Brussel”, weet Leen Verstraelen, attaché Ontwikkelingssamenwerking op het Belgische ere-consulaat in Maputo. ‘Bij officiële bezoeken komen onze Belgische ambassadeurs uit Zimbabwe en Zuid-Afrika vaak over naar Maputo, maar tijdens een bezoek van Vlaamse ministers zijn ze niet welkom. Of ze worden opzij geschoven, omdat de Vlamingen hun eigen vertegenwoordiger hebben. Ik ben het er mee eens dat het een goed recht is van de Vlamingen om hun eigen ontwikkelingssamenwerking op poten te zetten, en sommige Vlaamse pilootprojecten vind ik heel interessant. Maar het blijft jammer dat ondanks de Verklaring van Parijs, die pleit voor meer donorcoördinatie en samenwerking, juist meer versplintering ontstaat in ons klein Belgenlandje.’
In Mozambique, dat een streng communistisch verleden heeft en al jaren de eenheid tussen de verschillende etnieën tracht te bewaren, moet het Vlaamse autonomiestreven verwondering wekken. Of het gaat gewoon voorbij aan de Mozambikanen. De organisaties die van Vlaanderen geld ontvangen, schijnen er alvast niet om te malen of België dan wel Vlaanderen de rekening spijst. Het lokale Rode Kruis of Cruz Vermelha heeft het steevast over ontwikkelingsgeld ‘uit België’, wanneer ze mij rondleiden langs Vlaamse projecten in Tete.
Vlaanderen komt niet eens voor in hun vocabularium. Ook amper in dat van de Mozambikaanse overheid, zegt Wim Ulens van BTC. ‘Het ministerie van Gezondheid weet nu wel dat VAIS voor Vlaanderen staat, maar als het ministerie van Plan of Financiën jaarlijks de donoren aanschrijft voor de opmaak van de Mozambikaanse begroting, dan worden enkel wij gecontacteerd. Ik neem dan zelf het initiatief om VAIS te verwittigen en de Vlaamse en Belgische cijfers te verzamelen. Anders zien ze Vlaanderen over het hoofd.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2643   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift