VN-conferentie over racisme

De eenentwintigste eeuw heeft er straks een jaar opzitten, maar de nieuwe tijden laten voorlopig op zich wachten. Het dagelijkse nieuws zit vol oude verhalen en in heel wat gevallen gaan die over een van de oudste menselijke kwalen: racisme. De Verenigde Naties organiseren daarom in Zuid-Afrika een World Conference against Racism, Racial Discrimination, Xenophobia and Related Intolerance.
De Zuid-Afrikaanse schrijver Achmad Dangor schreef voor die gelegenheid voor Wereldwijd Magazine een essay waarin hij zijn persoonlijke verleden koppelt aan de pijnlijke geschiedenis van zijn geboorteland. Hij waarschuwt tegen een al te makkelijk geloof in mirakels, ook al worden ze verricht door halve heiligen.


Het wezen van racisme is al ontelbare keren onderzocht en ontleed door onderzoekers die over veel meer analytische capaciteiten beschikken dan ik, een simpele romanschrijver. Ondanks al die inspanningen blijft racisme ongrijpbaar. We weten nog steeds niet wat het is en welke invloed het heeft op individuen of samenlevingen . We beseffen niet welke verwoestende passies het kan losmaken, zelfs in de meest vreedzame mensen. Racisme, in de vorm van vooroordelen op basis van huidskleur, religieuze afkeer, etnische vernederingen of taalchauvinisme, blijkt de meest ontkenbare menselijke stommiteit te zijn.

EEN ZUIVER RAS

Ik was net achttien en beschikte nog niet over een identiteitsbewijs, twee jaar nadat ik er volgens de wet een moest hebben. Je moest een foto-identiteitsbewijs kunnen tonen waarop je ras vermeld werd. Dat ras werd met een cijfercode in je identiteitsnummer ingewerkt. Zonder dat nummer was het onmogelijk om een rijbewijs te bekomen of een bankrekening te open. Wie geen nummer had en toch een kind op de wereld zette, zorgde er meteen voor dat de nieuwgeborene een niet-bestaan zou moeten leiden. Je kon zelfs niet sterven zonder nummer, tenzij je de overlevende familieleden voor onoverkoombare problemen wou plaatsen. Dat ik nog altijd geen identificatiebewijs bezat, had verschillende redenen. Eén reden was apathie. Ik had net mijn eerste roman voltooid en leed nog onder het trauma dat schrijvers overkomt als ze de wereld moeten loslaten die ze zelf gecreëerd en gecontroleerd hebben. Daarnaast was er het probleem dat mijn geboortecertificaat aangaf dat ik van gemengde afkomst was. Mijn vader was ingedeeld bij de categorie Kaapse Maleier (Ras 021), ook al was zijn vader Indiaas en zijn moeder Hollands. “Gemengd” zijn volstond echter niet of was in elk geval niet precies genoeg voor de apartheidsstaat.

Om het statuut van mijn ras uit te klaren, moest ik voor een classificatieambtenaar in Pretoria verschijnen. Ik had geen zin om te gaan. Niet omwille van een of andere idealistisch bezwaar tegen het taxeren van de lengte van mijn haar en de relatieve zwartheid van mijn huid of tegen het feit dat mijn menselijkheid geschat zou worden op basis van de manier waarop ik sprak. Dat alles zou achteraf komen, maar het bepaalde mijn terughoudendheid niet. Het was de loutere absurditeit van de oefenening die me weerhield. Op een of andere manier werkte het altijd op mijn lachspieren, deze poging om een ras te creëren voor hybriden. Stel je voor: een zuivere mengeling. Mijn vader haalde het echter op mijn weerzin. Hij wou dat ik mijn onderwijs afmaakte, dat ik slimmer zou zijn dan “hen”, dat ik hen zou verslaan in hun eigen spel. Om dat te bereiken, moest ik eerst een gepaste identiteit hebben, moest ik ingedeeld worden bij de KaapseMaleiers, zoals de rest van de familie. Mijn vader was de ultieme pragmaticus.

‘Ga,’ zei hij, ‘laat je haar kort knippen, draag een hemd zonder kraag en een simpele katoenen broek. Ga en geef hen hun beeld van een KaapseMaleier. Ga en ga alleen.’ ‘Maar Maleiers zijn exact het tegenovergestelde’, wierp ik tegen. ‘Ze hebben lang haar en dragen exotische kleren. En waarom zou ik in godsnaam alleen moeten gaan?’ Mijn vader antwoordde: ‘Zelfredzaamheid. Toon hen je zelfredzaamheid.’

Ik herinner me hoe ik -op mijn aandringen van mijn vader- de Rapport Ekstra van die ochtend onder mijn arm plooide. Rapport Ekstra was de “gekleurde” versie van een Afrikaner krant. Die dag ervaarde ik, voor het eerst, de vernedering van het ontkennen van mijn eigen, aangeboren menselijkheid. Onder normale omstandigheden was mijn menselijkheid niet te onderscheiden van die van de jonge, blanke Afrikaner die me ondervroeg, die zijn blik over mijn kleren liet gaan, die de krant bekeek die ik onopvallend voor hem legde. Enkele uren later was ik een KaapseMaleier en was het veilig om thuis te wonen bij mijn Maleise familie, kon ik een rijbewijs aanvragen en kon ik naar de universiteit gaan.

Ik wandelde terug naar Pretoria station, ging de trappen af naar het non-white stuk van het perron, wachtte op het non-white compartiment van de trein. Er was nergens een bordje op de trein dat de raciale verdeling van de trein aangaf, maar iedereen wist dat eerste klas whites only was. Ik dacht: ‘Ja, ik ben anders dan al die blanken die ik zie, in hun exclusieve maar zichtbare deel van het station.’ Stuk voor stuk leken de Afrikaners gemaakt naar het model van de zwijgzame jonge ambtenaar die mijn documenten afstempelde en me een wettelijk bestaan gaf. Het maakte niet meer uit dat ik een blanke grootmoeder had en dat ik bij haar opgegroeid was. Ik was zwart en zij waren wit. Ik verwierp de idee dat ik non-white was. Ik wou geen negatieve identiteit. Dat was mijn eerste moment van rassenbewustzijn en het zou me jaren kosten vooraleer ik mijn zwart-zijn kon verrijken met een gevoel van aangeboren waarde. De behoefte om trots te zijn op mijn zwart-zijn en de bijbehorende behoefte om wit Zuid-Afrika te verplichten om me als dusdanig te erkennen, was de drijfveer die mij maakte tot wie ik geworden ben. Ze kleurde mijn politieke engagement, dreef me naar de Black Consciousness movement, radicaliseerde mijn literaire productie, bepaalde mijn studierichting, deed me uiteindelijk enkele keren in de gevangenis belanden en resulteerde in een banning order die me vijf jaar lang uitsloot van het openbare leven.

HET GROTE VERGETEN

Racisme is doorheen de eeuwen altijd een probleem geweest dat alleen bestond in de ervaring van de slachtoffers. Niemand geeft ooit toe dat hij of zij een racist is. De enige uitzondering op deze historische regel is wellicht het korte interval van nazi-duidelijkheid, toen de soevereine staat zelf het uitroeien van een ras tot beleid verklaarde. Zelfs de apartheid in Zuid-Afrika rechtvaardigde de discriminatie van de zwarten als een welwillende poging om raciale harmonie te scheppen: iedereen was wel gelijk, maar anders en zwart moest dus van wit gescheiden worden.

Vandaag is er niemand in dit land die zal toegeven dat hij de de apartheid steunde. Je zal niemand horen zeggen dat hij nog steeds diep gewortelde vooroordelen koestert tegen mensen die “anders” zijn. Het lijkt wel alsof we er op minder dan tien jaar tijd in geslaagd zijn om het bewustzijn van miljoenen Zuid-Afrikanen te zuiveren van proces van raciale overheersing dat zich drie eeuwen lang ontwikkeld heeft.

In feite worden we in Zuid-Afrika geconfronteerd met een grootse, historische weigering om te aanvaarden dat racisme een voortdurende zorg was, is en blijft in ons land. De maatschappelijke debatten verbergen zich achter de onschuldige sluiers van taalrechten, moedertaalonderwijs, de behoefte om inheemse muziek en nationale literatuur te promoten, maar eigenlijk gaat het debat over racisme. De weigering om dit simpele feit in ons nationale bestaan te erkennen zal blijven zorgen voor een impasse waarin de overgrote meerderheid van de zwarte Zuid-Afrikanen er van uit gaat dat de huidige sociale en economische relaties bepaald worden door raciale elementen, terwijl de meeste blanken het hele raciale gegeven zien als een overblijfsel van een tijdperk de voorbij is en best vergeten wordt.

De huidige problemen zijn ontstaan door ons onstuitbare verlangen om elkaar te vergeven. Oude vijanden omhelsden elkaar en eeuwenoude tegenstellingen werden van de onderhandelingstafel geveegd in het belang van de verzoening, om een snelle vrede mogelijk te maken en om het land te redden van een scenario dat ‘te gruwelijk was om in overweging te nemen’. We moesten vooruit, herhaalde iedereen, ondanks alle onopgeloste moeilijkheden. De Truth and Reconciliation Commission klaarde enkele van die uitstaande problemen uit, maar het hele onderwerp ras viel buiten haar mandaat. We vergaten dat de oorsprong van alle problemen in Zuid-Afrika niet gelegen was in een loutere botsing tussen ideologieën, geen kwestie was van kapitalisme contra communisme of van vrije markt versus staatsgeleid socialisme. In de diepste lagen van onze natie bevonden zich integendeel ras en rassenbewustzijn. We hadden echter geen tijd, zelfs niet om stil te staan bij de psychologie van de slachtoffers van systematisch racisme. We waren volledig verblind door de bereidheid van de veroveraar om zijn greep op de macht te lossen, ook al werd die bereidheid ingegeven door economische imperatieven en politiek verzet.

Het feit dat de Meester bereid was om aan tafel te gaan zitten met de Dienaar voor een gezamenlijk kopje thee, was een zodanig grootmoedig gebaar dat geen haar op ons hoofd eraan dacht het te weigeren. Niemand sprak nog hardop over zwarten met dikke lippen en lepe gezichten, stuk voor stuk potentiële verkrachters en moordenaars. Toch bleef Zuid-Afrika een gespleten en gescheiden maatschappij, waarin de sociale gewoontes versterkt werden door economische omstandigheden. Welke gemiddelde zwarte burger kon het zich bijvoorbeeld permitteren om te gaan eten in de chique restaurants die toegankelijk werden voor hen na de raciale glasnost die op het einde van de jaren tachtig stilaan opgang maakte?

DE KAMPIOEN VAN DE ZWARTE OPGANG

Enkele jaren nadat ik stevig in de rassencategorieën van de apartheidsstaat ingedeeld werd, kreeg ik een werkaanbieding van een Amerikaans bedrijf. Daar telde, op papier alvast, niet je ras, maar je competentie. Ik stond op dat moment nog onder mijn banning order en mijn leven werd geregeld door de Veiligheidspolitie. De Amerikanen waren bereid -en ze hadden er de macht voor- om daarover met de overheid in discussie te gaan. Ik was belangrijk voor hen, want door mij aan te werven konden ze hun aandeelhouders in New York ervan overtuigen hun investeringen niet terug te trekken. Ik werkte hard, kon opklimmen op de bedrijfsladder en werd een kampioen van de opgang van zwarten in de bedrijfswereld. Ik was gelukkig want ik werkte in een omgeving die me toeliet zowel een deftig inkomen te verdienen als mijn politieke principes in praktijk om te zetten.

Dertien jaar lang vocht ik voor mijn rechten als mens en was ik trots op mezelf omwille van wat ik kon verwezenlijken. Ik zorgde ervoor dat de scheiding tussen witte en zwarte toiletten opgeheven werd. De verschillende bekertjes en ingangen werden afgeschaft. Maar ik was zo druk bezig dat ik een zaak niet meer zag: de blanken in het bedrijf klommen nog steeds sneller en hoger op de bedrijfsladder dan de zwarten. Ze verkregen makkelijker promotie, ook al waren vele blanken eerder middelmatig tegenover hun zwarte collega’s, die vaak beter opgeleid waren en hongeriger naar succes. Dertien jaar duurde het voor ik opnieuw nuchter werd.

Blanken -en zij alleen- bleven het bedrijf leiden. De ouderen bereidden de jongeren voor op hun toekomstige, leidende rol, in ononderbroken cycli van dominantie, tot in de eeuwigheid. Na al die tijd besefte ik dat de bedrijfsleiding zich niet bewust was van wat er gebeurde. Het was, daarvan was ik overtuigd, geen bewuste strategie, maar een traditie, een manier van doen die overgeleverd werd. Toen ik hem met mijn inzichten confronteerde, was de algemeen directeur geaffronteerd: ‘Hee, we voelen ons op ons gemak bij zwarte mensen!’ En inderdaad, ze hadden er geen probleem mee om zwarten als hun gelijken te behandelen, elkaars huizen te bezoeken, samen te drinken en te dansen. Het bedrijf leiden, echter, dat konden zwarten niet. Zo ver ging hun anti-racistische geloof niet. Ik vertrok uit het bedrijf, teleurgesteld maar gehard. Voortaan zou ik elk goedbedoeld gebaar kritisch benaderen. Ik zou elke opening in de sociale muur wantrouwen, omdat ik daarachter een val vermoedde -of ze daar nu bewust geplaatst was of er door de gewone gang van zaken toevallig terechtgekomen, dat maakt niet uit.

De pointe van dit meanderende verhaal over mezelf is dat het racisme waartegen zwarte mensen gedurende decennia en eeuwen reageerden, neerkomt op de simpele discriminatie op basis van fysieke verschijning. Kroezelhaar, zwarte huid, dikke lippen, zware oogleden: meer was er niet nodig om iemands minderwaardigheid te bepalen. Die discriminatie werd zo lang en zo systematisch volgehouden dat de realiteit ook nog vaak bleek te kloppen met de vooroordelen. Het beeld van wat het betekende zwart te zijn, baadde bovendien in een alles omvattende sfeer van onreinheid, een geur van zwart-zijn waarop de waakhonden afgericht werden om haar ‘s nachts te ruiken. De gedachte dat de anderen ons als minderwaardig konden beschouwen, was zo overweldigend, dat al onze energie opging in het bestrijden van die interne natuur van het racisme. Op het moment dat al de beledigende uiterlijkheden van de ideologie van het superieure ras naar de prullenmand verwezen werden, vielen we ten prooi aan een euforie waarvoor we nog duur zullen betalen, blank én zwart.

DE BIJKLANK VAN ARMOEDE

Het onderhandelingsproces dat in 1994 uitmondde in een echt democratische vorm van beleid, geschraagd door een van de meest vooruitstrevende grondwetten in de wereld, voorkwam een verschrikkelijk bloedbad. Het verzekerde ons echter niet van een waarachtige en duurzame vrede. We bedriegen onszelf als we dat zouden geloven. Het basisprobleem van Zuid-Afrika is en blijft het raciale probleem.

Spreek het woord armoede uit, en het heeft een raciale bijklank. De overgrote meerderheid van de werklozen is zwart -en degenen die het meeste lijden zijn vrouwen en kinderen. Dertig procent van de bevolking bezit nog steeds tachtig procent van de grond. Deze grootgrondbezitters zijn meestal blank, terwijl de landloze meerderheid overwegend zwart is. Hetzelfde beeld tref je doorheen de hele Zuid-Afrikaanse samenleving aan. Wie bezit de kranten, de privé-scholen met hun superieure onderwijs, wie staat er aan de top van de grote bedrijven? Het antwoord heeft altijd dezelfde kleur.

Wit Zuid-Afrika bezit nog steeds de middelen om het beste van zichzelf te reproduceren, terwijl zwarten nog altijd proberen uit de oude patronen van overleving te breken. Wit Zuid-Afrika -de term dekt inderdaad nog steeds een lading- is er tot vandaag niet in geslaagd de belegeringsmentaliteit van het verleden af te leggen. De blanken handelen nog altijd vanuit de behoefte om verdedigen “wat zij opgebouwd hebben”. Werden de verwezenlijkingen van de minderheid gebouwd op de rug van de meerderheid? Is dat de onontkoombare realiteit of is het een simpele illusie? Het antwoord op die vraag doet er zelfs niet meer toe. De meerderheid heeft intussen de hefbomen van de macht in handen en het is onrealistisch om te verwachten dat ze die niet zou gebruiken om haar eigen bestaan te verbeteren. De roep om herstel van het oude en voortdurende onrecht wordt luider naarmate het contrast tussen bezitters (gezien als blanken) en bezitslozen (gezien als zwarten) zowel in steden als op het platteland zo zichtbaar en brutaal aanwezig blijft.

Het is hoog tijd voor een georganiseerde vorm van welvaartsherverdeling. Het programma voor herverdeling van het land moet versneld worden. Er moet een weeldetaks geheven worden op inkomens boven de 500.000 Rand (87.500 euro) per jaar. Er moet een programma komen waardoor jonge zwarten sneller terechtkomen in technische opleidingen, noem het maar positieve discriminatie. En de politieke structuren die ontstonden na de onderhandelingen van 1994 moeten afgeslankt worden. Ja, dat betekent dat de blanken grotere offers zullen moeten brengen dan de kleine zwarte elite. En, ja, dat betekent ook dat ze wat vruchten zullen moeten opgeven van de economische macht die doorheen de jaren opgebouwd werd en misschien dat de machtsmachine zelf uit handen gegeven moet worden.

De armoede in ons land is zo enorm dat er nieuwe welvaart gecreëerd moet worden en dat zal een inspanning vragen van alle Zuid-Afrikanen, niet enkel van de blanken of van een kleine groep zwarten. Maar de manier waarop deze inspanningen gerealiseerd worden, moet iedereen een gevoel van trots geven en dat kan alleen als iedereen er tenvolle bij betrokken wordt. Ja, dat vraagt meer dan het ophouden van de schijn en het uitdelen van toevallige gunsten.

Zuid-Afrika staat voor de keuze: het kan zijn politieke mirakel uitbreiden tot een economisch wonder of het kan ten onder gaan. We moeten werk maken van een volgende fase in onze geschiedenis en overgaan van een rassenmaatschappij naar een niet-raciale samenleving. Om dat te kunnen doen, hebben we wellicht eerst een gezonde dosis anti-racisme nodig. Dat laatste meten we op dit moment niet meer aan het aantal restaurants dat zwarten toelaat, maar aan de vraag wie er in die restaurants kan eten -en zelfs aan de vraag hoeveel mensen er sowieso te eten hebben.



Achmat Dangor schreef onder andere Kafka’s vloek (ISBN 90-5515-499-7) en De Z-Town trilogie (ISBN 90-263-1266-0).
Racisme. Oude kwaal, nieuwe remedies is een uitgave in de serie NoordZuid Cahier. Dertien auteurs verduidelijken de problematiek en de mogelijke strategieën tegen racisme. 136 blz, 24,79 euro (999 frank). Te bestellen bij Wereldwijd Mediahuis, Hoogstraat 139, 1000 Brussel.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3195   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift