Voorpublicatie uit Poort van de zon

In de roman Poort van de zon vertelt Elias Khoury (62) het verhaal van Khaliel Ajjoeb, een verpleger in het noodhospitaal van het Palestijnse vluchtelingenkamp Shatila in Beiroet, die zijn dagen slijt aan het bed van de oud-verzetsstrijder Joenis. Zoals Sjahrazaad haar verhalen aan de sultan vertelt om zichzelf te redden, zo hoopt Khaliel met woorden een wedergeboorte van zijn leermeester en vriend te bewerkstelligen.
Khoury groeide op in een Grieks-orthodox middenklassemilieu in het christelijke Oost-Beiroet. Als jongen van negentien reisde hij naar Jordanië, waar hij voor het eerst van zijn leven een Palestijns vluchtelingenkamp bezocht. Dat maakte zo veel indruk op hem dat hij zich aanmeldde bij Yasser Arafats bevrijdingsbeweging Fatah. In 1972 werd hij lid van de redactieraad van het tijdschrift al-Mawakif (‘Standpunten’), waarin ook de dichters Adonis en Mahmoed Darwiesj zaten.
In 1975 raakte hij actief betrokken bij de Libanese Burgeroorlog (1975-1990). Zijn keuze om met linkse moslims en Palestijnen tegen de falangisten te vechten, heeft hem veel goodwill binnen zijn eigen gemeenschap gekost. In 2004 richtte hij samen met een aantal Libanese en Palestijnse intellectuelen de Democratische Linkse Beweging op.
In Poort van de zon loodst Khoury de lezer door ruim dertig jaar Palestijnse en Libanese geschiedenis: de stichting van de staat Israël in 1948, de zesdaagse oorlog van 1967, de verdrijving van de Palestijnen uit Jordanië in 1970, de Israëlische inval in Libanon, gevolgd door de bloedbaden van Sabra en Shatila in 1982, en de strijd tussen de sjiitische Amal-beweging en het Palestijnse verzet in 1985, algemeen bekend als de Kampenoorlog. Een fragment.
***
Ik lig in bed, open mijn ogen en staar in het donker. Ik kijk naar het plafond van de kamer en zie het naderen, alsof het elk moment kan neervallen en mij onder zijn gewicht kan verpletteren. Maar de duisternis is niet zwart. Ik zie nu pas de kleuren van de duisternis. Ik doof de lamp en ik zie de kleuren. Duisternis bestaat niet, maar is een mengeling van zachte, sluimerende kleuren, die we langzaam ontdekken.
Ik ben ze nu langzaam aan het ontdekken.
Ik zal niet beschrijven hoe de duisternis eruit ziet, want ik haat beschrijvingen. Sinds de lagere school heb ik er al een hekel aan. Dan gaf de leraar ons een opdracht, ‘Beschrijf een regenachtige dag’, en dan wist ik niet hoe dat moest. Ik heb het nooit leuk gevonden om dingen met elkaar te vergelijken. Dingen kunnen alleen op zichzelf worden beoordeeld. Als we ze gaan vergelijken, vergeten we ze. Het gezicht van een meisje lijkt op het gezicht van een meisje en niet op de maan. Het is ook wit en rond, maar op een andere manier, en verder lijkt het er helemaal niet op. Wanneer we zeggen dat het gezicht van een meisje op de maan lijkt, vergeten we het meisje. Metaforen zijn bedoeld om te vergeten en ik hou er niet van om te vergeten. Regen lijkt op regen, is dat niet voldoende? Is het niet voldoende dat het moet regenen om de winter te kunnen ruiken?
Ik ben niet goed in metaforen, hoewel ik veel pre-islamitische poëzie uit mijn hoofd ken. Niets is mooier dan de gedichten van Imroe’ al-Kais. Hij was een koning, een dichter, een minnaar, een drinker, een losbol en een halve profeet. Ik ben dol op zijn prachtige verzen, maar ik heb een probleem met zijn metaforen. Hoe kan hij de borst van een vrouw met een spiegel vergelijken? Dat deugt niet. Zegt hij er niet eigenlijk mee dat hij niet haar, maar alleen zichzelf ziet? Dat hij niet met haar, maar met zichzelf de liefde bedrijft? Dat voert ons naar een beangstigende hypothese ten aanzien van onze oude dichters. Natuurlijk was Imroe’ al-Kais noch Moetanabbi een sodomiet, maar het komt door die metaforen.
Toch hou ik van onze pre-islamitische dichters. En ik hou ook van Moetanabbi, ik hou van de melodieën die de woorden binnen hun eigen ritme en rijm laten ronddraaien. Ik ben verzot op ritme en harmonie, en op de klank van woorden. Wanneer ik hun poëzie reciteer, word ik bevangen door een extase die slechts kan worden geëvenaard door wat ik voel als ik naar Oem Kalsoem luister. Dat is wat we tarab, euforie, noemen. Wij zijn een volk van euforie, en euforie laat zich niet beschrijven. Hoe moet ik de dingen voor jou beschrijven als ik niet weet hoe ik dat moet doen? Ik slaap niet, ik gebruik geen metaforen, ik voel geen euforie en ik reciteer geen poëzie. Ik ben bang en bange mensen slapen niet.
Vertel me over de angst.
Ik weet dat jij dat woord liever niet gebruikt. Jij zult eerder zeggen dat je ‘je hebt teruggetrokken’, omdat je de gewoonte hebt om de waarheid met woorden te verbloemen. Dat is jouw spel met de herinneringen: je verzint listen en je zegt wat je wilt, zonder het te  benoemen.
Ik weet dat je wilt dat ik je verlaat na deze nacht van duisternis, slapeloosheid
en uitputting. Ik zal gaan, maar vertel me eerst hoe Ibrahiem is gestorven.
Nahiela had twee versies van het verhaal en jij geloofde ze allebei.
De eerste keer heeft ze tegen je gelogen, omdat ze vreesde dat je een fatale blunder zou begaan. Toen zei ze de waarheid, omdat ze aan je ogen zag dat je die blunder toch wel zou begaan en omdat ze liever had dat je dan ook echt iets doms zou doen.
Joenis kwam de grot binnen. De zon brandde in zijn door zweet en vermoeidheid omfloerste ogen. Toen zag hij haar. Ze stond als een roerloze schaduw achter in de grot. Ze had haar rug naar de ingang gekeerd en bewoog zich niet. Ze hoorde zijn voetstappen en rook de geur van reizen, maar ze draaide zich niet om. Joenis liep naar haar toe en zag haar wankelen, alsof
ze op hem had gewacht alvorens op de grond te vallen. Hij zag hoe haar schouders, getekend door de duisternis, schokten van het huilen. Hij naderde haar happend naar lucht, alsof alle afstanden die hij had afgelegd en die in zijn longen waren opgesloten, nu elk moment konden exploderen. Toen hij haar bij haar schouders wilde pakken, begon ze te kreunen, terwijl ze één enkele naam noemde.
Joenis vroeg haar om een verklaring, maar ze bleef steeds die ene naam herhalen, die een onderdeel van haar gekreun was geworden: Ibrahiem. Hij vroeg haar naar zijn vader, maar ze antwoordde niet en brak uit in een langdurige huilbui. Haar snikken werden steeds luider, tot ze werden gesmoord. Ze zei dat de jongen was gestorven omdat ze hem niet naar het ziekenhuis van Akko had kunnen brengen.
‘Hij zat te eten, toen zijn hoofd naar voren viel. Hij klaagde over een barstende hoofdpijn. Ik bond een lap stof om zijn voorhoofd en wreef zijn nek in met olie, maar de pijn ging niet over. Gekweld drukte hij zijn handen tegen zijn slapen, alsof hij zichzelf omhelsde. Toen besloot ik hem naar het ziekenhuis van Akko te brengen.’
Nahiela ging naar het hoofdkwartier van de militaire gouverneur om een uitgaansvergunning aan te vragen. Daar werd ze aan een lang verhoor onderworpen en toen ze zonder vergunning thuis kwam, was haar zoon al stervende. De blinde sjeik zat boven zijn hoofd gebeden te prevelen.
‘Ze hebben geen zak over mijn hoofd getrokken,’ zei ze, ‘maar ze hebben me wel in een verduisterde kamer gezet, waar ze me ruim drie uur hebben laten zitten. Daarna werd ik naar een kantoor gebracht waar ik werd ondervraagd door een klein mannetje met een Irakees accent. Ik zei dat mijn zoon ziek was, maar hij vroeg alleen naar jou. Ik begon te huilen en hij begon te dreigen. Ik zei dat de jongen dood zou gaan; hij wilde dat ik zou collaboreren en vroeg me naar namen van mensen die illegaal de grens waren overgestoken. Toen zei hij dat hij me geen vergunning kon geven als ik hem geen medische verklaring van mijn zoon kon overleggen. “Maar er is geen dokter in het dorp,” zei ik. “Dit zijn de instructies”, zei hij. “Als jullie ons niet helpen, helpen wij jullie niet.”’
Toen Nahiela klaar was met haar relaas, viel het haar op dat je niet meer hijgde en dat je gezicht rustig stond. Je keek haar argwanend aan, alsof je haar van iets beschuldigde. Ze zag de kalmte waarmee je je misdaad beraamde. Je ging op de grond zitten, stak een sigaret op, vroeg naar Salim en deelde haar mee dat je voor langere tijd weg zou blijven.
Ze begreep dat je nooit meer terug zou komen.
Je vroeg haar naar de nieuwe Israëlische nederzetting, die ze vlak bij Deir al-Asad hadden gebouwd. Toen stond je op, zei dat je wraak zou gaan nemen en liep naar buiten. Maar ze pakte je bij de hand, bracht je terug naar de grot en vertelde het verhaal nog een keer.
Ze zei dat Ibrahiem buiten had gespeeld met de andere kinderen. Ze zei dat de nieuwe nederzetting als onkruid uit de grond was geschoten en dat ze het land dat ze hadden geconfisqueerd met prikkeldraad hadden afgezet. De mensen hadden machteloos toegekeken hoe hun grond hun door de vingers was geglipt.
Ze vertelde: ‘Ze namen het land in beslag, terwijl wij erbij stonden te kijken als iemand die zijn eigen dood in de spiegel ziet.’
‘Je weet hoe kinderen zijn’, zei ze. ‘Ze speelden bij het prikkeldraad en spraken Hebreeuws tegen de Jemenitische immigranten. Onze kinderen spraken Hebreeuws en de immigranten antwoordden in een vreemd soort Arabisch. Onze kinderen kennen hun taal, terwijl zij hem zelf niet beheersen. Ibrahiem had dus met hen gespeeld, en toen brachten ze hem bij me. Ach, mijn jongen.
Hij had de stuiptrekkingen van een stervende. Ze zeiden dat hij onder een grote steen was gekomen. Hij was, hoe zal ik het beschrijven… Zijn hoofd was verbrijzeld en het bloed spoot eruit. Ik liet hem thuis achter en rende weg om toestemming te vragen hem naar het ziekenhuis van Akko te vervoeren. Op het hoofdkwartier van de militaire gouverneur arresteerden ze me. Ze hebben me meer dan drie uur in die verduisterde kamer laten wachten. Tijdens het verhoor dreigde de Irakees dat hij me in elkaar zou slaan. Hij zei dat ze wisten dat jij zou komen, dat hun mannen beter in je-weet-wel-wat waren dan jij en dat ze je zouden vermoorden en je als voorbeeld op het plein van Deir al-Asad zouden achterlaten. Hij vroeg mij informatie over jou en ik smeekte hem om die vergunning.
Toen ik thuiskwam, was Ibrahiem overleden. Je vader zat boven zijn hoofd gebeden te prevelen.’
Je ging zitten, stak een sigaret op en begon haar duizend en één vragen te stellen. Je wilde weten of hij was vermoord, of door een ongeluk was omgekomen. Hadden ze de steen moedwillig naar hem gegooid, of was hij op hem gevallen? Nahiela wist het niet.
Je stond op en zei dat je hun kinderen zou vermoorden, zoals zij jouw zoon hadden vermoord: ‘Morgen zul je het zien, morgen zul je vreugdekreten slaken, want we zullen wraak nemen.’
Drie nachten zwierf je rond het prikkeldraad. Je had je geweer en tien handgranaten bij je. Je besloot de handgranaten aan elkaar te binden en bij de werkplaats van de joodse nederzetting naar binnen te gooien. Op het moment van ontploffing zou je het vuur op de kolonisten openen.
Het was nacht. Het zoeklicht cirkelde om het prikkeldraad en Joenis verstopte zich in de nabijgelegen olijfboomgaard. Kruipend kwam hij naderbij. Hij reeg de granaten tot een ketting, bevestigde ze aan de ontsteker en besloot ze in de grote, bijna voltooide hal te gooien, waar een aantal joods-Jemenitische gezinnen opeengepakt lag te slapen. Hij wilde doden, dat was het enige wat hij wilde.
Toen je dokter Moe’ien later over het gebeurde vertelde, zei je dat je tijdens je derde verkenningstocht had gedroomd van de opgestapelde lijken en dat je hart eindelijk tot rust was gekomen.
‘Ik had dorst. Wraak is net als dorst; ik dronk en werd nog dorstiger. Toen
het moment was aangebroken en ik moest gaan kruipen, werd mijn hart aangenaam koel, en toen het ging gebeuren, verdween de dorst. Toch ben ik gegaan, niet uit wraak, maar omdat het moest, omdat ik het Nahiela had beloofd.’
Nooit zou Joenis de ware toedracht vertellen…
Hij zou zeggen dat hij tot het besef was gekomen dat de operatie niet met succes kon worden uitgevoerd, dat hij de enorme verliezen voorzag die de bewoners door de te verwachten Israëlische tegenactie zouden treffen.
Hij kroop naar het prikkeldraad en toen het zoeklicht een paar keer boven hem was gepasseerd, hoorde hij een geluid, een schot en hondengeblaf. Hij drukte zich plat op de grond en bleef roerloos liggen, zonder voor- of achteruit te bewegen. Toen besloot hij het licht te negeren en terug te rennen. Zo traag als hij erheen was gekropen, zo snel rende hij nu weer terug.
Op de heenweg had hij afgewacht tot het donker was, was ernaartoe gekropen en was bij het zien van het zoeklicht ter plekke verstijfd. Op de terugweg daarentegen had hij gerend, te midden van de rondvliegende kogels. Uiteindelijk was hij in de olijfboomgaard verdwenen, maar in plaats van zich daar tot de ochtend te verstoppen, was hij doorgelopen tot hij de Libanese grens had bereikt.
Later zou hij zeggen dat hij had besloten de operatie te stoppen omdat het om een individuele wraakactie ging, terwijl hij vreesde dat de Israëliërs zich op alle bewoners van de Arabische dorpen zouden wreken. Maar hij zou met geen woord reppen over de angst die hem had verlamd en hij zou niet vertellen waarom hij helemaal naar Libanon was gevlucht.
Nu ben ik het die het recht heeft om bang te zijn.
Maar Joenis… Nee, Joenis was niet bang, zijn hart beefde nooit van angst. Joenis had ‘zich teruggetrokken’, omdat hij een held was. Ik  daarentegen, ik verstop me in zijn kamer omdat ik een lafaard ben. Zie je hoe de betekenissen van de dingen kunnen veranderen? Toen was het een tijd van helden, nu leven we in een tijd zonder helden. Joenis was bang, dus werd hij een held. Ik ben bang, dus word ik een lafaard.
Toen Joenis naar Baab as-Sjams terugkeerde, vertelde hij Nahiela niets over de wraak die hij niet had genomen. Ik daarentegen word door de manke verpleegster met minachting bekeken, alsof ze van me verwacht dat ik verantwoording afleg voor mijn verblijf in het ziekenhuis. Zij hebben Sjams gedood en ik moet de prijs betalen voor een misdaad die ik niet heb begaan.
Ik kan niet slapen.
En jij, kon jij wel slapen na je uitgestelde wraak?
Poort van de zon door Elias Khoury is uitgegeven door Ambo|Anthos uitgevers. Vertaling: Djûke Poppinga. 534 blz. ISBN 978 90 414 1227 0. Verschijnt op 19 augustus.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift