Voorrang voor links in Latijns-Amerika

De nationalisering van de Boliviaanse gas- en petroleuminstallaties is het jongste voorbeeld van een nieuw-links beleid dat in Latijns-Amerika opgeld maakt. De VS lijken hun greep op het subcontinent te verliezen, terwijl het revolutionaire gedachtegoed van Hugo Chávez steeds meer aanhang krijgt ten zuiden van de Rio Grande. Is dit een simpele recyclage van een oude, populistische politiek of is er toch sprake van een nieuwe dageraad?
Links zit in de lift in het subcontinent, al zijn er heel wat punten van verschil tussen Hugo Chávez in Venezuela, Inácio Lula da Silva in Brazilië, Néstor Kirchner in Argentinië, Michelle Bachelet in Chili, Tabaré Vázquez in Uruguay en Evo Morales in Bolivia. Wat deze nieuw-linkse leiders delen, zijn hun krachtige beloftes om tegemoet te komen aan de decennia oude verzuchtingen van het volk. Populistische politiek, heet dat. Die trend schijnt in steeds meer landen aan te slaan. Dat blijkt uit het feit dat Ollanta Humala de grootste kanshebber is bij de tweede ronde van Peru’s presidentsverkiezingen op 4 juni en uit de vaststelling in de peilingen dat López Obrador de populairste kandidaat is voor de Mexicaanse presidentsverkiezingen van 2 juli.
De nieuwe generatie leiders wordt wel eens vergeleken met de caudillos die Latijns-Amerika tussen 1920 en 1960 bestuurden, met legendarische redenaars als Getulio Vargas in Brazilië, Juan Perón in Argentinië en Velasco Ibarra in Ecuador, van wie de legendarische uitspraak is: ‘Geef me een balkon en ik word president!’ Het balkon is vandaag vervangen door de communicatiemedia, die maximaal bespeeld worden om met begrijpbare, simpele taal de armen te bereiken. ‘Ik ben niet links of niet rechts, ik ben van de onderkant en ik beloof te regeren met die onderkant’, proclameert Ollanta Humala in Peru. En de Mexicaanse presidentskandidaat López Obrador verkondigt trots dat hij in een eenvoudig appartement woont en rondrijdt in een bescheiden autootje, om zich te distantiëren van de rijke families die verantwoordelijk zijn voor de politiek die in het verleden werd gevoerd. Tegenover de symbolen van de neoliberale globalisering plaatsen de nieuwe leiders hun eigen nationale helden, met Simón Bolívar op kop.

Meer democratie zorgt voor een betere economie


De terugkeer van het populisme heeft volgens analisten heel veel te maken met de diepe kloof tussen arm en rijk en met het verlangen van de grote massa naar messianistische figuren die deze gapende ongelijkheid ongedaan zullen maken. Lula, Bachelet, Oscar Arias (Costa Rica) en Tabaré Vázquez zijn gematigde centrum-linkse presidenten. Chávez, Kirchner, López Obrador (presidentskandidaat Mexico), Ollanta Humala en Alan García (allebei presidentskandidaat in Peru) zijn eerder radicale populisten. Evo Morales neemt als inheemse leider en cocaboer nog een aparte positie in. Het beleid van de populistische leiders uit het verleden zorgde meer dan eens voor instabiliteit, economische risico’s en een slecht investeringsklimaat. Hyperinflatie was vaak het eindsaldo van hun mandaat. In het verleden zwoeren die populistische leiders ook bij nationalisme, anti-Amerikanisme en protectionisme, alles wat in tijden van globalisering klinkt als een vloek. Valt hetzelfde scenario te vrezen voor de huidige golf van presidenten?
Rebeca Grynspan is niet verontrust door de nieuwe leiders. Zij is ex-vicepresidente van Costa Rica en recent benoemd tot verantwoordelijke voor de regio Latijns-Amerika bij het VN-Ontwikkelingsagentschap UNDP. Onlangs was ze in Brussel, ter voorbereiding van de Europees-Latijns-Amerikaanse Top (11 en 13 mei) in Wenen. ‘Er zijn geen zware onevenwichten op de betalingsbalans, er is geen hyperinflatie, de macro-economische situatie ziet er vrij stabiel uit.’
Wat daarbij van groot belang is, benadrukt Grynspan, is dat deze belangrijke verschuivingen zich voltrekken op een volledig democratische manier. De Latijns-Amerikaanse samenleving leert volop haar problemen op te lossen langs democratische weg en niet op een autoritaire manier zoals in het verleden.
weken voor Evo Morales de nationalisering van het Boliviaanse gas en petroleum aankondigde, schreef ontwikkelingseconoom Jeffrey Sachs in de Spaanse krant El Pais dat zulke maatregelen misschien wel voor wat commotie kunnen zorgen, maar uiteindelijk van secundair belang zijn. De overwinning van Morales als eerste indiaanse president in een land waar de meerderheid van de bevolking indiaans is, is volgens Sachs een stap vooruit op het vlak van de democratisering van Latijns-Amerika, wat een positieve impact kan hebben op de sociale en economische ontwikkeling in de regio op langere termijn.’
Sachs: ‘De grote ongelijkheid en het feit dat grote groepen mensen leven in armoede, zonder grond en zonder toegang tot onderwijs, maakt de regio bijzonder vatbaar voor revoluties en populistische politiek, waarbij de leiders snelle tegemoetkomingen beloven aan de noden van de armen door de bezittingen van de rijken in beslag te nemen. En die rijken hebben zich altijd geweerd, vaak op een heel gewelddadige, dictatoriale manier.’ Vandaag brengen de nieuwe leiders de politiek terug bij de mensen. ‘Het perspectief op korte termijn is onzeker’, besluit Sachs. ‘Maar op lange termijn moet er in Latijns-Amerika gewed worden op de economische voordelen die door méér democratie gegenereerd kunnen worden.’ Alleen al daarom moet Morales volgens hem een kans krijgen.
De groei naar meer democratisering is zowel reëel als relatief. De Latijns-Amerikaanse legers blijven in hun barakken en de burgers kiezen hun regeringen. Toch blijkt uit de Latinobarometro, een periodieke peiling naar de standpunten van de Latijns-Amerikanen, dat de democratie niet zo hoog ingeschat wordt. Grynspan verklaart dit door de ontgoocheling over het gevoerde beleid. ‘Het sociaal burgerschap is achtergebleven op het politiek burgerschap: er zijn meer burgerlijke vrijheden en er is meer respect voor de mensenrechten, maar op sociaal vlak is er een groot deficit. Er is geen sociale mobiliteit en er is een gigantische ongelijkheid. Vandaag wordt de sociale agenda, die men in de jaren tachtig en negentig uit het oog heeft verloren, opnieuw in het centrum geplaatst.’ De manier waarop die sociale agenda wordt aangebracht, kan blijkbaar vele kanten op: van de niet zo transparante stijl van Kirchner over de personalistische stijl van Chávez tot de etno-nationalistische van Humala.

Het neoliberale project heeft gefaald


Economisch gezien gaat het Latijns-Amerika voor de wind. In 2005 groeide het BNP van de regio met 4,3 procent, zegt het jaarrapport van de Economische Commissie voor Latijns-Amerika en de Caraïben, CEPAL. Koplopers zijn Venezuela (9 procent) en Argentinië (8,6 procent), gevolgd door Uruguay, Chili, Peru en Panama, elk met 6 procent groei. Bovendien wordt die groei op het subcontinent nu al drie jaar na elkaar aangehouden. Ondanks die rooskleurige economische cijfers leeft vandaag 40,6 procent van de bevolking in armoede, waarvan 16 procent in uiterste armoede. In die cijfers is er bovendien weinig vooruitgang. In 1990 leefde in Latijns-Amerika 41 procent van de gezinnen in armoede en 13 procent in extreme armoede, in 2002 waren die cijfers zelfs gestegen tot 43,4 en 18,8 procent. De neoliberale hervormingen van de jaren 1990, die de bedoeling hadden de zieke economieën van de jaren tachtig te saneren, hebben de armoede in het continent vergroot. Het trickle down-effect heeft in Latijns-Amerika niet gewerkt.
De sociale ongelijkheid is in Latijns-Amerika groter dan in Afrika of Azië, al hebben vele Afrikaanse landen een lager gemiddeld inkomen per gezin. De grootste economieën -Mexico en Brazilië- kennen ook de grootste ongelijkheid. Het Wereldbankrapport van 2003, Desigualdad en America Latina y el Caribe, brengt de ongelijkheid in kaart en stelt vast dat die in Latijns-Amerika in de jaren negentig groter was dan in subsahara-Afrika. De tien procent armsten in Brazilië zijn ook armer dan de tien procent armsten in Vietnam, ook al staat Brazilië in op de Human Development Index op plaats 63 en Vietnam op 103.
Samen met de armoede is ook de ongelijkheid de afgelopen drie decennia toegenomen, zo blijkt nog uit dat Wereldbankrapport. Deze cijfers betekenen dat de millenniumdoelen niet gehaald zullen worden, tenzij er grondige veranderingen komen op macro-economisch vlak. Zoals de zaken er vandaag voorstaan, zullen slechts 7 van de 18 Latijns-Amerikaanse landen hun armoede kunnen halveren tegen 2015, stelt het jaarrapport van de CEPAL.

Opengebroken en gespleten


Bertha Vallejo, een Mexicaanse economiste verbonden aan de Universiteit van Tilburg, bevestigt dat de kloof tussen arm en rijk in Mexico een alles overheersende realiteit geworden is. Vóór de toetreding tot Nafta (North American Free Trade Association, met Mexico, Canada en de VS, in werking sinds januari 1994) had Mexico een brede basis armen, een smalle middenklasse en een bovenlaag van 20 tot 30 procent rijken. Vandaag is die 20 procent geëvolueerd naar een uiterst smalle top van enkele tientallen invloedrijke families, met een breed uitwaaierende basis van 70 tot 80 procent armen, terwijl de middenklasse een onbeduidend kleine groep is geworden.
Een recent onderzoek van het Mexicaanse Ministerie van Financiën dat in maart werd gepubliceerd, stelt dat de ongelijkheid de afgelopen jaren is gegroeid en dat vandaag de tien procent rijksten 39,6 procent van de middelen opslokken tegenover 1,1 procent voor de tien procent armsten. Vallejo: ‘Nafta zou Mexico overhevelen naar de eerste wereld, maar dat is enkel gebeurd voor een zeer kleine bovenlaag die de middelen had om bij de privatisering de staatsbedrijven op te kopen. Een zestiental families bepalen vandaag het zakenleven in Mexico.’
De nieuwe sociale piramide is een tastbare realiteit in de wijken van Mexico Stad. Vallejo: ‘Vroeger leefden de armen in gemarginaliseerde buurten aan de rand van de stad. Vandaag is de stad ingenomen door de massa’s armen, de echte rijken wonen buiten de stad in chique, geïsoleerde wijken. En de echte arme wijken van vroeger, zoals Lagunilla en Tepito, zijn van de informaliteit afgegleden naar de illegaliteit. De drugshandel is spectaculair toegenomen. De populairste liedjes op de radio zijn de narcocorridos, over de avonturen van de drugshandelaars, en de biografieën van drugsbaronnen verkopen als warme broodjes.’
De armoede en de uitsluiting hebben ook gezorgd voor een normvervaging. Vaak gebeurt het dat een drugshandelaar een heel dorp uitrust met sociale voorzieningen die de staat nooit heeft gegeven. ‘Als die “weldoener” gevangen gezet wordt, stort het hele netwerk van voorzieningen in elkaar. Deze armen voelen zich niet meer verbonden met de formele samenleving.’ Veel meer nog geldt dit gevoel van uitsluiting uit het formele machtssysteem voor de indiaanse bevolking in achtergebleven deelstaten als Guerrero, Oaxaca en Chiapas. De ongelijkheid is niet alleen een economisch probleem. Het is een sociaal en een cultureel probleem en daarom zo moeilijk om aan te pakken.

Drie cruciale uitdagingen


De impact van Nafta op Mexico is vergelijkbaar met wat neoliberale hervormingen (de “Washington Consensus”) deden in Argentinië, Venezuela, Peru of Bolivia. De Structurele Aanpassingsprogramma’s van de jaren tachtig en de neoliberale politiek van de jaren negentig hebben tienduizenden hun baan, hun toekomstperspectief en hun geloof in de traditionele politieke partijen ontnomen. Voor de nieuwe lichting presidenten en presidentskandidaten is het dan ook niet moeilijk die gefrustreerde massa met beloftevolle programma’s achter zich te krijgen. Maar beloftes volstaan vandaag niet langer: in Ecuador werden drie presidenten de laan uitgestuurd, in Bolivia twee.
Volgens Rebeca Grynspan van UNDP zijn er drie grote uitdagingen voor al wie de kloof wil dichten: onderwijs, werk en racisme. Het meest prangende probleem is het onderwijs. De ongelijkheid die zich ook scherp doet voelen in het onderwijs resulteert in een achterstand voor Latijns-Amerika in de geglobaliseerde kennismaatschappij. Wie geboren is in de armste twintig procent van de bevolking, heeft zo goed als geen kans op een diploma hoger onderwijs. En geen diploma of een slecht diploma betekent een minderwaardige job en een lager inkomen. In 2001 verdienden hooggeschoolden in Brazilië 6,5 keer meer dan laaggeschoolden. In Chili is een hooggeschoolde 5, 2 keer meer waard, in Colombia en Nicaragua 4,7 keer. Cuba munt uit in onderwijs op hoog niveau en is op dat vlak zeker klaar voor de kennismaatschappij. Venezuela kreeg enkele maanden geleden een pluim van de Unesco voor het uitroeien van het analfabetisme. In Brazilië zijn nog steeds 14,7 miljoen mensen ouder dan 15 analfabeet, maar de regering Lula heeft de afgelopen jaren wel uitzonderlijke inspanningen gedaan om de armste gezinnen te betrekken bij onderwijsprogramma’s via studiebeurzen. Die beurzen mikken zowel op meer basisonderwijs voor kinderen uit arme gezinnen als op de doorstroom naar universitair of hoger onderwijs voor armen, zwarten en inheemsen.
Zeven op de tien jobs in Latijns-Amerika zijn informele jobs. Dat heeft volgens Grynspan te maken met het soort economische groei dat het neoliberale model in Latijns-Amerika heeft meegebracht en de plaats die Latijns-Amerika in de geglobaliseerde wereld inneemt. Grynspan: ‘Wat Latijns-Amerika nodig heeft, is meer regionale integratie en hoger gekwalificeerde jobs.’ De meeste mensen die werkloos werden door de privatiseringen, kwamen echter in de informele economie terecht. Bovendien draait ook de formele economie voor een groot deel op laaggeschoolde jobs, zoals in de assemblagebedrijfjes -de beruchte maquilas- of bij de exploitatie van natuurlijke rijkdommen. Er is in Latijns-Amerika een manifest gebrek aan verwerking van de eigen grondstoffen en het beheren van de hele productieketen. Dat is waar Bolivia van droomt: een exploitatie van de gasvoorraden met inbegrip van de verwerking, zodat de toegevoegde waarde ten goede komt van de Bolivianen.
De regering Lula creëerde 4 miljoen nieuwe jobs sinds januari 2003, waaronder een groot deel formele maar laagbetaalde jobs. Intussen wordt gewerkt aan het optrekken van het minimumloon boven de inflatie, wat een reële verhoging van de koopkracht betekent met 10 procent. Dat heeft er voor gezorgd dat de ongelijkheid afneemt. Volgens het Braziliaanse instituut voor Geografie en Statistiek vertoonde Brazilië in 2004 het beste profiel in 23 jaar wat de herverdeling van het inkomen betreft.
In Venezuela heeft de petroleumboom voor een bijzonder gunstige economische conjunctuur gezorgd en die meeropbrengst is effectief geïnvesteerd in sociale uitgaven. Volgens cijfers van het Nationaal Bureau voor Begroting zijn de sociale uitgaven gestegen van 8,96 procent van het BNP in 1999 tot 12,29 procent in 2004. De informele economie daalde in 2005 met 1,5 procent maar is nog steeds goed voor 46,8 procent, terwijl de formele tewerkstelling met 1,5 procent steeg tot 53,2 procent. Cijfers van het bedrijf Datos wijzen er ook op dat het inkomen van de laagste groepen stijgt door de sociale programma’s in de armenwijken.
Het derde probleem waar Grynspan naar verwijst heeft te maken met etniciteit en ras, de eeuwenlange marginalisering van de inheemse bevolking die in veel landen gezorgd heeft voor gespleten samenlevingen. De gerenommeerde Boliviaanse journalist Humberto Vacaflor omschreef dat probleem tijdens een gesprek bij hem thuis heel cynisch: ‘Ons probleem is dat de inheemsen in dit land niet zijn uitgemoord door de kolonisatie. Vandaag, vijf eeuwen later, moeten we eindelijk leren met hen samen te leven.’ Terwijl Vacaflor dit zei, woedden in de straten van de Boliviaanse hoofdstad volop de gasprotesten. Ook in Ecuador was de inheemse beweging de motor voor het sociale protest tegen de neoliberale hervormingen. Welke regering er ook gekozen wordt in oktober, ze zal moeten rekening houden met die 40 procent van de bevolking.

Een nieuwe dageraad


De impasse, veroorzaakt door die diepe breuklijnen in de samenleving, heeft er ook voor gezorgd dat Latijns-Amerika in het globaliseringsproces achtergebleven is ten aanzien van Azië. Gaan de populistische leiders, met hun neiging naar nationalisme en hun voorkeur voor oude helden, een beleid voeren tegen de globalisering in? Of werken ze aan een andere globalisering? Zullen zij met hun beleid Latijns-Amerika op nieuwe sporen zetten?
Al voert Chávez het anti-imperialisme hoog in het Bolivariaanse vaandel en fulmineert de Peruviaanse presidentskandidaat Humala tegen de globalisering omdat die de rijken rijker maakt, toch plooit de nieuw linkse stroming niet terug binnen de nationale grenzen. De integratie binnen Latijns-Amerika groeit, ook al gaat dat met horten en stoten. Eind 2004 werd de Zuid-Amerikaanse Gemeenschap opgericht onder impuls van Brazilië en Venezuela.
Enkele weken geleden kondigde Chávez wel aan dat hij uit de Andesgemeenschap stapt omdat Peru en Colombia beslisten een vrijhandelsverdrag met de VS te ondertekenen. Maar intussen onderhandelde hij al wel over de toenadering tot de Mercosur (het handelsblok van Argentinië, Brazilië, Uruguay en Paraguay). Dat Chávez geen isolationistische politiek voert, blijkt ook uit de oprichting van de petroleumconsortia Petrosur en Petrocaribe -in samenwerking met respectievelijk Zuid-Amerikaanse en Caribische landen- en uit de oprichting van de televisiezender van het Zuiden, Telesur. Begin mei werden ook de definitieve plannen voor de aanleg van een gaspijplijn van Venezuela over Brazilië tot Argentinië ondertekend. In die plannen is ook ruimte voorzien voor Boliviaans gas. Chávez lanceerde recent ook plannen voor de oprichting van een Bank van het Zuiden (Banco del Sur) en een Zuid-Amerikaanse Defensieraad (Consejo de Defensa de América del Sur).
Met al die projecten probeert Chávez, samen met de andere presidenten, de ALBA stap voor stap gestalte te geven. Alba is het Spaanse woord voor dageraad, maar het letterwoord staat ook voor Alternativa Bolivariana. Met dit Handelsverdrag van de Volkeren willen Venezuela en Cuba een socialisme van de 21ste eeuw lanceren, een samenwerkingsproject op basis van gelijke kansen en solidariteit in plaats van op concurrentie, met veel ruimte voor overheidsinitiatieven en veel regels voor multinationale bedrijven. Bolivia ondertekende eind april een “volkshandelsakkoord” met Cuba en Venezuela, waardoor Bolivia tolvrij kan exporteren naar die twee landen.
Het ALBA moet op die manier uitgroeien tot een alternatief voor de ALCA, het Noord-Amerikaanse project dat zou moeten leiden tot een ééngemaakte Amerikaanse vrijhandelszone van Alaska tot Vuurland. De weerstand van de Latijns-Amerikaanse massa’s tegen dit project zorgde de afgelopen jaren in nagenoeg elk land voor hevige protesten en op de Top in Mar del Plata in november is de ALCA door de meeste landen formeel afgewezen.
Enkele landen hebben ook heel duidelijk hun autonomie verstevigd door zich vrij te kopen van het IMF. Argentinië en Brazilië betaalden hun schulden vervroegd terug, zodat ze ook geen maatregelen meer opgelegd kunnen krijgen door het muntfonds. Ook Bolivia besliste geen nieuw programma met het IMF te ondertekenen, waardoor het IMF ook geen specifiek beleid meer kan opleggen aan het land. Bolivia heeft weliswaar niet de middelen om zijn schulden vervroegd terug te betalen, maar kreeg in maart van de Wereldbank wel een kwijtschelding van 1,5 miljard dollar, op een totale schuld van 5 miljard.

Bolívar de Tweede


Het Colombiaanse weekblad Semana riep eind 2005 Hugo Chávez uit tot man van het jaar. ‘Omdat hij de kaart van Latijns-Amerika grondig gewijzigd heeft, de petroleumrijkdom van zijn land heeft uitgedeeld naar de vier windstreken, de VS heeft durven uitdagen en omdat hij zijn imago van een “tropische clown” wist te ruilen voor dat van een Latijns-Amerikaanse leider met wereldwijde uitstraling.’ Carlos Blanco, een Venezolaans analist van de oppositie, geeft toe dat Chávez de grote groep armen op wie hij zijn macht bouwt, omvormt tot een sociale kracht.
Voor velen in Latijns-Amerika is Chávez de reïncarnatie van Simón Bolívar. Het staat zo goed als vast dat hij bij de presidentsverkiezingen van december herverkozen zal worden, want een bedreigend alternatief is er niet. Op een heel democratische manier is Chávez erin geslaagd zich te ontpoppen tot een autocratisch dirigent, die zichzelf en het Venezolaanse oliegeld tot het speerpunt heeft gemaakt van een hele omwenteling. Zijn strategie is kwetsbaar, maar houdt nu wel al enkele jaren stand, versterkt door de hoge olieprijzen, en ze begint haar vruchten af te werpen, niet allen voor de arme Venezolanen maar ook voor het opstarten van nieuwe internationale allianties.
Intussen lijken de VS, in beslag genomen door de strijd tegen het terrorisme, de oorlog in Irak en het aanzwellende conflict met Iran, hun greep op het continent te verliezen. Washington maakt zich wellicht zorgen om de populistische presidenten en hun alternatieve economische modellen. Maar wat de regering Bush echt hoofdpijn bezorgt, is de groeiende impact van China in het subcontinent. China investeert vandaag in Latijns-Amerika in infrastructuurprojecten, transport, energie en defensieprojecten. Anderzijds is Latijns-Amerika China’s belangrijkste leverancier van grondstoffen. ‘Dit is een historische kans voor het subcontinent’, stelde Graciela Chichilnisky, directeur van het Center for Risk Management aan de Universiteit van Columbia, op het Economisch Forum voor Latijns-Amerika. ‘Maar tegelijk is het voor Latijns-Amerika van cruciaal belang dat de landen stoppen met exporteren van natuurlijke rijkdommen en dat ze zich klaarmaken voor de kennismaatschappij.’ Er is dus meer nodig dan de export van Venezolaanse olie, Boliviaans gas, Braziliaanse soja of Chileens koper, wil het continent echt duurzaam ontwikkelen.

Reageer via info@mo.be

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Latijns-Amerika & ecologie
    Alma De Walsche schrijft over ecologische thema’s, van klimaat- en energiebeleid, over landbouw- en voedsel tot transitie-initiatieven en baanbrekers. Ze volgt al enkele decennia Latijns-Amerika, met een speciale focus op de Andeslanden.