Vrijhandel en gender in Azië

Beslissingen over de internationale handel werden tot nu toe genomen op basis van macro-economische argumenten van de vrijhandelstheorie die door de grote bedrijven wordt gepromoot. Ook het onderzoek over wie wint en wie verliest bij de internationale maatregelen van handelsliberalisering wordt gevoerd in algemene macro-economische termen, bijvoorbeeld per land of per sector.
Zo berekende het secretariaat van GATT-WTO dat de jaarlijkse winst van 510 miljard dollar die de wereld zou halen als de besluiten van de Uraguay-ronde hun volledige toepassing kennen in 2005, voor 32% naar de Europese Unie zal gaan, voor 24% naar de VS, voor 5,2% naar Japan en voor slechts 22,7% naar de ontwikkelingslanden en de landen in transitie.(2) Die cijfers houden geen rekening met de verbintenissen tot markttoegang en met de handel in diensten. Ook wordt niet duidelijk gemaakt wie (bedrijven, arbeiders, consumenten, regeringen, families, arme mensen of landen) van die winststromen zal profiteren. Het blinde vertrouwen van de supporters van vrijhandel dat de voordelen naar beneden zullen doorsijpelen (trickle-down), vertrouwen dat door de meeste regeringen gedeeld wordt, belet dat er officiële analyses en beleidsbeslissingen gemaakt worden vanuit een perspectief op de lange termijn, op de sociale en duurzame ontwikkeling en op het microniveau, en zeker vanuit een genderperspectief.

De casestudy over de Filipijnen wil duidelijk maken hoe handelsovereenkomsten geanalyseerd kunnen worden vanuit een genderstandpunt. Deze bijdrage toont aan hoe vrouwen en hoe de verhouding tussen man en vrouw de gevolgen van de handelspolitiek ondergaan. Om een volledig beeld te krijgen is echter meer onderzoek nodig.

I. Handel en gender op de Filipijnen

Economie

De ontwikkelingsindex van het Human Development Report 1996, die ook met gender rekening houdt, plaatst de Filipijnen als 70ste van 137 landen, wat een idee geeft van de algemene situatie van de vrouwen. De cijfers van levensverwachting, volwassenenvorming en tewerkstelling van mannen en vrouwen verschillen niet veel, maar het inkomen uit betaalde arbeid was ongelijk verdeeld in 1993. Het inkomen van vrouwen werd op 30% van het totaal geschat, dat van mannen op 70%. In 1990 vormden vrouwen in de Filipijnen 37% van de beroepsbevolking boven de 15 jaar.(3)

Landbouw zorgde er voor 46% van de tewerkstelling, de industrie voor 15% en de dienstensector voor 39%. Het Bruto Binnenlands Product (BBP) kwam in 1994 voor 21% uit de landbouw, voor 31,5% uit de industriële sector en voor 43,5 uit de dienstensector. Het netto inkomen uit het buitenland bedroeg 3,6% van het BBP. Het bestaat voornamelijk uit geldzendingen van Filipijnse arbeiders in het buitenland, maar ook van enkele Filipijnse buitenlandse investeringen. Recente schattingen geven een verhouding aan van 5:1 tussen vrouwelijke en mannelijke migratie-arbeiders; in 1992 was de proportie nog 5:2. Het stijgende aantal vrouwelijke migratie-werkers duidt op een tekort aan lonende lokale werkgelegenheid voor vrouwen.

In het parlementair debat over de ratificatie van de Uraguay-ronde van de GATT gebruikten de regeringswoordvoerders een algemeen computermodel en trokken daaruit het besluit: ‘De Uraguay-ronde zal leiden tot een hogere productie (BBP), tot een grotere economische activiteit in landbouw, industrie en diensten, tot meer werkgelegenheid, tot lagere prijzen en rentevoeten, tot een kleiner begrotingsdeficit en tot een betere handelsbalans.’(5) Het departement Handel en Industrie preciseerde dat de industriesector alleen 291.000 tot 587.000 bijkomende banen zou scheppen en voorzag 500.000 nieuwe banen in de landbouw.

Maar het departement Arbeid en Tewerkstelling moest vaststellen dat de WTO-maatregelen sluitingen en inkrimpingen veroorzaakten die in 1995 tot ontslag leidden van 21.830 arbeiders en in het eerste kwartaal van 1996 van 9.629 arbeiders.(6)

De regering beweert dat de inflatie van consumptieprijzen onder controle blijft, maar de recente daling van de inflatie ging gepaard met een vermindering van de koopkracht van de Filipijnse verbruikers. Bovendien maken prijsstijgingen van basisproducten en van olie het de beheerders van het gezinsbudget – meestal vrouwen – behoorlijk lastig.

Voor het ogenblik bewegen het banenverlies en de hogere prijzen de Filipijnse regering niet tot het in vraag stellen van het vrijhandelsregime en van de impact van de Uruguay-ronde. Ze is blij om de macro-economische cijfers die een hoge economische groei aangeven (6% in 1995) en een exportstijging van 25% en stelt met genoegen vast dat openheid en concurrentiegeest goed scoren. Wat meer is, de regering wil met een versnelde invoering van de WTO-maatregelen haar ASEAN-buren voor zijn.

In 1992 ging 18% van de Filipijnse export naar de VS en kwam 12% van de invoer uit de VS. Daarmee zijn de VS de derde grootste handelspartner van de Filipijnen.

Zorgen over voedselveiligheid

Tijdens de onderhandelingen van de Uruguay-ronde voerden de volksorganisaties en vooral de vrouwenbeweging een breed debat met het publiek en met de regering. Een van hun grote bekommernissen was de impact van de handelsmaatregelen op de arme boeren en op de voedselveiligheid. De regering erkent nu dat de toepassing van de Uruguayronde pijnlijk was voor de landbouwsector.

Volgens Amihan, de nationale federatie van boerenvrouwen zijn er ongeveer acht miljoen boerinnen en landbouwarbeidsters boven de vijftien jaar. Hun werk- en levensomstandigheden hebben erg geleden door het wegvallen van de steun aan de landbouw voor voedselveiligheid die zij sedert vijftien jaar genoten. Door het ondertekenen van het Uruguay-ronde-akkoord was de regering verplicht de tol op landbouwproducten te verlagen. Zo opende ze de deur voor de invoer van heel wat buitenlandse landbouwproducten, ook als die in concurrentie kwamen met de traditionele landbouwproducten die vroeger door de wet beschermd werden. Kwantitatieve beperkingen voor graanimport en voor andere landbouwproducten vallen weg en moeten door tarieven worden vervangen, wat de opheffing betekent van de maatregel in de Magna Charta voor kleine boeren die bepaalde dat landbouwproducten zoals graan en rijst alleen ingevoerd mochten worden als er een tekort was. De vrouwen verloren dus een wettelijk instrument. Daardoor worden de boeren vlugger blootgesteld aan de concurrentie van de wereldmarkt. Boeren en boerinnen moeten nu optornen tegen de oneerlijke concurrentie van goedkopere, zwaar gesubsidieerde invoergoederen uit de Europese Unie en vooral uit de VS, waar de boeren hun indirecte subsidies wisten te behouden in de Uruguay-ronde.

Dat alles heeft de landbouwprijzen gekelderd. Boeren, boerinnen en vele arme landbouwersfamilies kunnen de concurrentie niet langer aan, door het wegvallen van de landbouwsubsidies onder druk van de structurele aanpassingsprogramma’s , door het uitblijven van de landhervorming, door de overblijfsels van feodale landbouw en daarbij nog door de kapitaalsinvesteringen in grote landbouwbedrijven. Die ingrepen hebben geleid tot grotere concentratie van de landeigendom en hebben de mogelijkheden van landbouwproductie door vrouwen en van gemakkelijke toegang tot rijst, het nationale basisvoedsel, fel verminderd. Indien de kleine landbouw kansen kreeg om zich te ontwikkelen, zouden meer mannen en vrouwen als partners in de productie kunnen werken.

Het feit dat de Amerikaanse ambassade in Manilla en het graanbedrijf Cargill nauwelijks verholen dreigementen met handelssancties hebben gebruikt in hun lobbywerk voor een wet op het afschaffen van toltarieven, toont aan hoe buitenlandse importeurs hun eigen profijt veilig stellen ten koste van de belangen van lokale (vrouwelijke) producenten. Gedurende de jongste jaren heeft de regering de maatregelen voor voedselveiligheid en zelfvoorziening afgebouwd en de invoer van goedkope voedingswaren in de steden aangemoedigd in plaats van de productie van het platteland te ondersteunen. Sommigen gebruiken het argument dat goedkoop, ingevoerd voedsel op de korte termijn de druk vermindert op de vrouwen die in de steden het familiebudget beheren.

De grillen van de wereldmarkt

Om de export te verhogen keurde de regering Ramos een ‘Landbouwontwikkelingsplan op middellange termijn’ goed dat het winnen van basisvoedselgewassen (rijst en graan, waaraan gebrek is) beperkte tot 65% van het landbouwareaal en het vrijgekomen land deed beplanten met ‘hoogwaardige exportgewassen’. Vrouwen en mannen moesten verhuizen wegens het Calabarzon-project, een deel van het ontwikkelingsplan dat rurale gemeenschappen met vruchtbaar land zou omvormen tot ‘rurale industriële centra’. Zij kwamen terecht in onzekere, zeer slecht betaalde banen en in werkomstandigheden die hen in een heel kwetsbare positie brengen (bv. het reinigen van frisdrankflessen, met betaling per stuk, werk als huis- of restaurantbediende of als caddie op golfterreinen).

Vrouwen die gaan werken in bedrijven voor exportgewassen, zoals de kokosnoot- of de suikerplantages lopen grote risico’s. Als antwoord op een sterke vraag van de internationale markt werden grote stukken landbouwland beplant met suikerriet en met kokosbomen. De eigenaars rijfden miljoenen binnen, maar die winst geraakte niet tot bij de landbouwfamilies en werd ook niet geïnvesteerd in verbetering of diversificatie van teelten. Toen begin jaren tachtig de wereldmarkt ineenstortte, werden de boeren en hun families in honger en armoede achtergelaten. Nu vraagt het nieuwe mondiale handelssysteem nieuwe landbouwproducten, bepaald door de wisselende smaken, voorkeuren en levensstijlen van de mensen in de rijke landen en door de behoeften van de multinationals aan grondstoffen.


Is industriële export voordelig voor vrouwen?

Klederen, stoffen en elektronica zijn de voornaamste exportproducten van de Filipijnen. De toegang voor stoffen en kleding tot de EU-markt wordt niet belemmerd door het multivezelakkoord, omdat de quota van de Filipijnen groter is dan de actuele export (8). De vraag is eerder of de textiel- en kledingindustrie zal kunnen blijven exporteren wanneer het multivezelakkoord geleidelijk zal ophouden te bestaan onder de WTO en de Filipijnse producten met al de andere landen zullen moeten concurreren. Hoeveel vrouwen zullen dan hun baan verliezen?

De meeste arbeiders in de kleding- en textielindustrie (meer dan 70%) en in de micro-elektronica (tot 90%) zijn vrouwen.(9 en 10) Jonge, ongetrouwde vrouwen die voor het eerst uit werken gaan, zijn het meest gegeerd in de exportbedrijven van het land. Multinationals (MNO’s) in die twee takken maken ook veel gebruik van het systeem van internationale onderaanneming. In de kledingindustrie bijvoorbeeld kunnen de bestellingen komen van een buitenlandse MNO in de VS, Japan, Australië of Europa. Om die leveringen te verzekeren gaat de in de Filipijnen gevestigde exporteur een toeleveringscontract sluiten met producenten of agenten op het platteland, die op hun beurt het werk verder verpachten tot bij de rurale gezinnen. Bij elke bijkomende trap slinken de lonen. Het stukwerk voor thuiswerkers en het uitbuitingssysteem van productiequota’s voor fabriekswerkers houden de lonen uiterst laag.

De vier ‘Export Processing Zones’ (EPZ’s) van Bataan, Mactan, Baguio City an Cavite hebben de groei en de diversificatie van exportartikelen fel in de hand gewerkt (11), maar staan slechts in voor een vijfde van de totale export van fabriekswaren. De exportinkomsten van EPZ’s zijn geleidelijk die van de traditionele mijn- en landbouwproducten gaan overtreffen. EPZ’s hebben weinig gedaan om de werkloosheid op nationaal vlak te verminderen (12), maar hebben wel de werkgelegenheid vergroot in de streken waar ze zijn gevestigd. In bijna alle EPZ’s maken vrouwen het grootste deel van de werkkracht uit, (tussen 73 en 82 percent) en zijn ze vooral productiearbeidsters. Onderzoek in EPZ’s (13) wijst uit dat naast de lage lonen, vrouwen allerhande inbreuken op hun rechten te verduren krijgen, zoals uitstel in de uitbetaling van het loon, onderbetaling, onredelijk hoge productiequota’s, gedwongen overwerk, onwettelijk tijdelijk ontslag, verplicht nachtwerk (zelfs voor zwangere vrouwen), ongezonde werkomstandigheden, seksuele pesterijen (14), afschaffing van vakbonden en negeren van het recht zich te verenigen. De multinationals zelf hebben collectieve onderhandelingen om de werkomstandigheden van arbeiders in de exportindustrie te verbeteren, sterk tegengewerkt.

De winsten zijn voor de kledingexportfirma’s, die altijd in de handen van enkele bedrijven geconcentreerd waren. Cijfers van 1986 leren dat de 20 grootste kledingfirma’s instonden voor 43% van de totale kledingexport en dat 11 ervan Amerikaans waren en 3 Europees.

Arbeidsverdeling volgens sekse

De EPZ’s vertonen een duidelijke tendens tot arbeidsverdeling volgens sekse: mannen krijgen de leidinggevende en best betaalde posten, vrouwen zijn vooral te vinden in de minder betaalde productie aan de lopende band.

Naarmate hogere technologie in het productieproces ingevoerd wordt, ontstaat er een opmerkelijke, gender-gebonden verdeling van taken en van lonen. Elizabeth Uy Eviota bestudeerde een multinationaal kledingbedrijf dat blue jeans produceert. Ongeveer 95% van de werkkrachten zijn vrouwen, de meesten ongetrouwd en met een diploma van middelbaar onderwijs. De werkleiders zijn soms vrouwen, maar het middenkader bestaat uitsluitend uit mannen. ‘Aan de lange lopende band hebben mannen en vrouwen specifieke taken: de mannen zijn snijders (‘die job is te moeilijk voor vrouwen’), persers (de best betaalde lopendebandwerkers), stikkers van de broekomslagen (want de mannen moeten de stapels broekspijpen aandragen, en dat werk is ‘te zwaar voor vrouwen’) en plaatsers van ritssluitingen (dat is het einde van het stukwerksysteem en een ‘te moeilijke taak voor vrouwen’). In de directie zijn het ook mannen die de werkmethodes ontwerpen en toepassen.(15)

In 1982 waren de loonverschillen duidelijk in het voordeel van de mannen. In 1993 vermelden sommige buitenlandse firma’s dat ze ook vrouwen op leidinggevende posten hebben benoemd.

Vérreikende invloeden

De liberalisering van de handel beïnvloedt veel andere aspecten van het leven van vrouwen en burgers. Zo heeft de stroom van buitenlandse consumptiegoederen en producenten nieuwe keuzes meegebracht van consumptie, van levensstijl en van cultuur. Die veranderingen hebben een weerslag op de familiale besteding: geld wordt uitgegeven aan niet-noodzakelijke voedings- en gebruikswaren. Vooral de vrouwen hebben daarmee te maken, omdat zij instaan voor het familiebudget, voor de nutritieve waarde van de voeding, voor de opvoeding en voor het doorgeven van de cultuur.

De WTO beheert ook de handel in diensten, waaronder toerisme. Dat toerisme wordt als een gewone economische sector behandeld en in de WTO is men zich niet bewust dat toerisme een rol speelt in de ontwikkeling van de prostitutie, van de commerciële sekshandel en van andere vormen van vrouwenexploitatie. Voor de WTO behoren die dingen tot de sociale politiek en tot justitie.

De handels- en samenwerkingsakkoorden bevorderen het vrije verkeer van goederen, diensten en kapitaal, maar maken uitzondering voor de vrije beweging van personen. De WTO-onderhandelingen over de vrijheid voor onafhankelijke dienstverleners om in het buitenland te werken zonder institutionele vestiging, schiep in 1995 een grotere bewegingsvrijheid uitsluitend voor deskundigen uit een beperkt aantal landen (India is daaronder het enige ontwikkelingsland). Dat betekent dat de vele vrouwelijke migranten die in de dienstensector werken en belangrijke sommen geld naar huis sturen, niet als handelaars in diensten erkend worden en verplicht zijn illegaal te werken.

II. Winst en verlies voor vrouwen bij vrijhandel en exportpromotie

Wat vrouwen als voordelig aanzien

* De exportgerichte industrieën in de Filipijnen hebben ongetwijfeld werkgelegenheid geschapen en ervoor gezorgd dat veel vrouwen in de beroepsbevolking werden opgenomen.

* De gesalarieerde arbeid weg van huis heeft sociale en financiële vrijheid en meer zelfvertrouwen meegebracht, wat hoog gewaardeerd wordt door vrouwen.

* De tewerkstelling van vrouwen in de EPZ’s en de concentratie van arbeidsters op één plaats heeft waarschijnlijk geleid tot collectieve militantenactie van vrouwen in de EPZ’s. Die strijdbaarheid heeft de vrouwen in conflict gebracht met de bedrijfsdirectie, maar ook met de vakbondsleiders die bijna altijd mannen zijn en de behoeften van vrouwen niet aanvoelen. De organisatie van de vrouwen en hun sterk gender-bewustzijn zijn belangrijke verworvenheden.

Waar vrouwen inboeten

* De negatieve kant van de zaak is dat de voordelen in zeer moeilijke omstandigheden verworven werden: heel lage lonen en harde werkcondities, terwijl de kosten van voeding en logement het grootste deel van hun loon opslokken.

* Vakbondsactiviteiten worden onderdrukt en bij de eerste gelegenheid afgestraft door ontslag.

* Gebrek aan opleidingskansen remt de groei af naar hogere beroepsbekwaamheid.

* Seksuele intimiteiten en werkzekerheid gaan soms hand in hand in de EPZ’s, waar vrouwen te horen krijgen: ‘neerliggen of buiten vliegen’. De gender-vooroordelen worden in de hand gewerkt door de mannelijke directiestructuur: mooi zijn is een selectiecriterium voor vrouwen en veel bedrijven richten schoonheidswedstrijden in.

* Handelsliberalisering kan de vrouwen van de landbouwsector marginaliseren, zoals blijkt uit de gevalstudie van de Filipijnen.

* Vrouwelijke ondernemers en managers hebben het moeilijk hun baan en hun voordelen als vrouw te behouden onder druk van de concurrentie.

Enkele conclusies over gender en handel in Azië

Onderzoek in heel Azië bevestigt de bovenvermelde feiten (17). De regionale arbeidsverdeling en de gezamenlijke effecten van WTO en van het economische regionalisme leiden tot volgende brede tendensen:

* Stijging van de vrouwelijke tewerkstelling in de exportgerichte fabricatie, maar ook in andere dienstensectoren;

* Seksuele discriminatie bij het toekennen van banen;

* Discriminatie tussen arbeidsters wegens hun leeftijd en burgerlijke staat;

* Verslechtering van de status van de werksters en gevaar voor een neerwaartse trend in de arbeidsomstandigheden;

* Verdere marginalisering van vele landbouwsters die niet in de fabrieks- of dienstensector binnen geraken;

* Werkloosheid en ondertewerkstelling van vrouwen;

* Niet-erkenning van de reproductieve taken en van de onbetaalde arbeid van vrouwen en genderdiscriminatie in de educatie en de voeding. (18)

Onbeantwoorde vragen

Verder onderzoek is nodig om een volledig inzicht te krijgen in wat vrouwen winnen of verliezen bij het neoliberale handelsbeleid. Volgende vragen zouden onder meer een antwoord moeten krijgen:

* Welke sectoren van de landbouw, van de industrie en van diensten konden de concurrentie met de import niet aan en zijn verdwenen; welke sectoren zijn er op vooruitgegaan, en welke weerslag heeft dat gehad op het inkomen, op de werkgelegenheid en op het ondernemerschap van de vrouwen in vergelijking met de mannen?

* Wat is de impact van de vrijhandel en van de exportproductie op de binnenlandse besluitvorming?

* Welke invloed heeft de toenemende handel op de opleidingskansen, op de kennisoverdracht en op de investering in menselijk kapitaal (vrouwen, kinderen)?

* Wat zijn de langetermijnvooruitzichten op blijvende of nieuwe werkgelegenheid voor vrouwen? Worden oudere vrouwen of vrouwen met gezondheidsproblemen gediscrimineerd in de tewerkstelling?

* Wordt het onbetaalde werk doorgeschoven naar andere vrouwen (dochters, moeders)?

* Vrouwen hebben minder toegang tot grond, tot eigendom, tot kapitaal en krediet, tot opleiding en vorming. Vermindert dat alles de kansen van vrouwen om te delen in de vruchten van vrijhandel, van export en van concurrentie op de wereldmarkt?

* Hoeveel verlies aan inkomen lijden de regeringen door de verminderde toltarieven en door de hogere uitgaven die de toepassing van de WTO-regels meebrengt? (Voor Bangladesh wordt dat verlies op 2 miljoen US$ geschat) Heeft dat invloed op de diensten die vrouwen ondersteunen in hun traditionele taken? Doen de mannen iets om deze nieuwe kloof te overbruggen?

* Op welke wijze zijn de problemen van vrouwen en gender opgenomen in de besluitvorming voor het handelsbeleid? Betekent de internationale handel niet dat vrouwen nog verder verwijderd gehouden worden van de problemen waarover zij mee moeten kunnen beslissen?

* Opent de handelsliberalisering niet de weg voor een tomeloze commercialisering zodat het veel gemakkelijker wordt handel te drijven in mensen (vooral trafiek in vrouwen voor de prostitutie), kinderen seksueel uit te buiten, porno op de markt te brengen enz? Zijn er buiten de grenscontroles nog andere maatregelen voorzien?

* Herleidt de geest van commercialisering de meeste activiteiten niet tot hun geldwaarde? Gaat het respect niet verloren voor wat niet in geld uitgedrukt kan worden?

* Hoe duurzaam zijn de wereldwijde vrijhandel en concurrentie die bedrijven ertoe aanzetten te verhuizen naar waar de meeste winst te rapen valt en de producenten (o.m. vrouwen) en consumenten overlaten aan de willekeur van de markt?

Noten:

1. Gender is het mechanisme waardoor aan mannen en vrouwen door de maatschappij een rol opgelegd krijgen.

2. ICDA, An Alternative Report on Trade, Brussel, 1955, p.99.

3. United Nations, Human Development Report 1996.

4. The 1995 Philippine Statistical Yearbook.

5. Philippine Senate, Report of the Committee on the Whole, 1994.

6. Manila Bulletin, 25 August 1996.

7. Transnational Institute, Asia’s Wake-up Call to Europe; the Perspectives for the Philippines (unpublished preparatory document), 1995.

8. Ibiden.

9. Rosalinda MINEDA OFRENEO, The Philippines Garments Industry, Los Angeles, 1992.

10. Cornelia ALDANA, A Contract for Underdevelopment, Philippines (IBON Databank Phils.), 1989.

11. Elisabeth M. TEMEDIO, ILO Working Paper of the Multinational Enterprises Programme, , n° 77, Geneva, 1996, p.8.

12. Ibidem, p.42.

13. Ibidem.

14. Cornelia ALDANA, o.c., p.78-81.

15. Elizabeth UY EVIOTA, The Political Economy of Gender; Women and the Sexual Division of Labour in the Philippines, London and New Jersey, 1992.

16. WEIDINGER, Advisory Assistance to Industry in Export Promotion - Gender Issues (draft mission report for UNIDO).

17. Jayati GHOSH, Gender, Trade and the WTO: Issues and Evidence from Developing Asia (unpublished paper for ESCAP/UNCTAD/UNDP meeting in preparation of the first WTO Ministerial Conference), Jakarta, 4-6 September 1996, p.7.

18. Nilufer CAGATAY, Gender, Trade and WTO, (unpublished paper for ESCAP/UNCTAD/UNDP meeting in preparation of the first WTO Ministerial Conference), Jakarta, 4-6 September 1996, p.17.


Deze bijdrage verscheen in een WIDE Briefing Paper van einde 1996 en is uit het Engels vertaald door Bob Hendrickx.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift