Vrouwen verslaan armoede

Arme vrouwen zijn in Vlaanderen vaak onzichtbaar. Toch zijn het deze vrouwen die met kracht en een grote dosis moed en trots elke dag strijd leveren. Ze vechten om hun gekortwiekte bestaan leefbaar te houden. Ze vechten voor het recht op een gezin en kinderen.
‘Ik loop nu al twee weken rond zonder geld. Met mijn drie kinderen probeer ik zoveel mogelijk buiten te komen, zodat zij genoeg ontspanning hebben. De bus of de tram nemen gaat niet maar ach, wandelen is gezond.’ Carine vertelt haar verhaal rustig en gelaten, maar in haar ogen merk ik de angst. We zitten met een vijftal vrouwen rond de tafel in een buurthuis in Gent. ‘Ik zie het op dit moment echt niet meer zitten. Bovendien zijn die eerste schooldagen enorm duur: waar moet ik dat geld halen? Het is allemaal zo vernederend.’ De andere vrouwen steunen Carine met troostende woorden en ik luister naar hun verhalen. Verhalen van gemiste kansen; over de dagelijkse strijd en de vernederingen. Kansarme vrouwen blijven meestal onzichtbaar voor ons. De aandacht van media en beleidsmensen wordt alleen gewonnen met details over de misère. Nochtans zijn er ook andere verhalen te vertellen. Verhalen van hoop, moed en creativiteit. Wereldwijd bleef niet stilstaan bij wat deze vrouwen niet kregen en wat ze niet geworden zijn, maar bij wat zij wél kunnen. Een verhaal van sterke vrouwen dus.

WERK HEBBEN WERKT

Arm zijn betekent dat je een aantal kansen in het leven hebt gemist: de kans om naar school te gaan, de kans om verder te studeren, de kans om een goede job te vinden, de kans om je gezin te kunnen onderhouden. Vrouw-zijn betekent in onze maatschappij nog steeds een groter risico op het missen van deze kansen. Meer dan 60% van de bestaansminimumtrekkers is een vrouw. Vrouwen dragen ook vaker de last van armoede. Armoede betekent dan veel meer dan een tekort aan geld. Het gaat om sociale uitsluiting, een verminderd zelfwaardegevoel en algemene achterstand. Hogere uitkeringen en speciale bonussen voor alleenstaande moeders zijn dus niet meer dan een pleister op de wonde. Werk hebben betekent voor vele vrouwen de cruciale stap om uit de armoede te geraken. Het Algemeen Verslag over de Armoede legde drie jaar geleden reeds de vinger op de wonde: ‘De armen vragen in de eerste plaats werk en geen vervangingsinkomen. Zij komen op voor het recht op arbeid, voor een baan met alles wat dat impliceert aan statuut, bezoldiging, maatschappelijk imago, individueel en collectief nut, om zo de menselijke waardigheid terug te vinden die in een beroepsactiviteit gestalte krijgt.’ Vooral voor alleenstaande moeders met kinderen is werk vinden even noodzakelijk als onmogelijk. Slechte arbeidsomstandigheden en dure kinderopvang maken het reguliere arbeidscircuit voor hen ontoegankelijk.

Werk maak ik zelf

‘Ik ben zesentwintig jaar en heb twee kleine kindjes. Ik heb een diploma van haarkapster, maar niemand wil mij werk geven omdat ik te lang heb ‘stilgezeten’. Patricia woont in de Stellabuurt in Leuven en vertelt me hoe moeilijk het is een job te vinden. ‘Ik ken inderdaad de laatste mode niet meer, maar stilgezeten heb ik niet. Ik heb toch twee kinderen opgevoed. Een uitkering is niet wat ik wil, ik ben nog te jong. Ik wil werken. Niet om die paar duizend frank méér maar om zélf iets te kunnen, om zelf dingen te maken en te verzorgen. Een hele dag binnenzitten is niks voor mij.’ Patricia kijkt me indringend aan. Arbeid betekent in onze samenleving immers veel meer dan alleen een inkomen. Niet werken betekent, zeker voor laaggeschoolden: uitsluiting, vernedering, weinig vrienden en zwakke sociale netwerken. ‘Ik wil ook eens uitgaan met ‘collega’s’ en kunnen meepraten in deze maatschappij.’

De buurt rond de leegstaande Stellafabrieken in Leuven is levendig en volks. Slechts een derde van de bewoners zijn studenten. Veel vrouwen die er wonen hebben het moeilijk; het zijn alleenstaande moeders, veelal laaggeschoold. Een gewone job is voor hen zelden weggelegd. Moo Laforce van de vzw Leren Ondernemen: ‘Vroeger probeerden wij de vrouwen aan werk te helpen door vorming en training. Toch kon geen enkele van deze vrouwen haar baan in het reguliere arbeidscircuit behouden. De druk van de arbeid in slechte omstandigheden naast de zorg voor een veeleisend gezin is voor deze vrouwen onmogelijk te dragen. We beseften toen dat we als opbouwwerkers verkeerd bezig waren. Deze vrouwen hadden nood aan een aangepaste job. Daarom zijn we gestart met ons experiment.’ Dat experiment bestond uit het oprichten van verschillende bedrijfjes waar de vrouwen niet alleen een job krijgen, maar ook -tijdens het werk- een opleiding. Daarbij wordt steeds vertrokken vanuit de mogelijkheden en de talenten van de vrouwen. ‘We leren hen geen vaardigheden louter omdat de maatschappij vindt dat ze die nodig hebben, maar we stimuleren wat ze wél kunnen.’

Ik ontmoet Patricia op haar nieuwe job. Ze werkt sinds kort bij de traiteurdienst van de vzw, onder leiding van een kok. Het team verzorgt recepties en buffetten en kookt elke dag voor de werknemers van de bedrijfjes van de vzw. Ik tref haar aan tijdens de koffiepauze. Ze zit een beetje verveeld te kijken. ‘Het is niet altijd gemakkelijk, zo samenwerken met anderen. We hebben hier soms echt vlammende ruzie in onze keuken. Toch is dit veel beter dan die baantjes in poetsbedrijven. Ik kook graag en wil mij voor ons bedrijfje inzetten. Ik bedoel: ik vind het belangrijk dat onze klanten goed bediend worden en lekker eten krijgen. Ik verdien nu niet zo veel, maar ik ben tenminste bezig met iets dat ik graag doe: poetsen is niets voor mij. In het weekend is het wel lastig als we bijvoorbeeld een trouwfeest moeten verzorgen. Ik laat mijn zoontje dan bij mijn moeder achter. Kinderopvang vind ik echt een probleem. Het is ten eerste veel te duur en ten tweede kan ik er alleen tijdens de week terecht.’

Een inkomen volstaat niet

Werk op maat van deze vrouwen betekent echter méér dan aangename taken en soepele kantooruren. Het betekent ook dat deze vrouwen ernstig worden genomen. Ze zijn medeverantwoordelijk voor het reilen en zeilen in het bedrijfje. Zo maken ze zelf de weekplanning, beheren ze de financiën en onderhouden ze de contacten met de klanten. Het is de bedoeling dat ze dat verantwoordelijkheidsgevoel ook meedragen naar hun thuissituatie. Moo Laforce: ‘Eigenlijk zitten we voortdurend in een spanningsveld: werken met kansarme vrouwen betekent dat je oog hebt voor méér dan alleen het financiële. We willen ook aan identiteitsvorming en sociale weerbaarheid werken. De vrouwen bij ons leren dus niet alleen een technische vaardigheid, maar ook een manier van leven. Ze leren verantwoordelijkheid op te nemen en te communiceren over problemen. Hun zelfwaardegevoel wordt op een positieve manier gevoed, hun zelfstandig handelen neemt toe, hun betrokkenheid op de werking is groot. Hun kansarmoede neemt wat af.’ Die avond is er tot laat in de nacht ambiance in de gebouwen van de vzw Leren Ondernemen. Patricia trouwt binnenkort en er komt een stripper op haar vrijgezellenfeestje. De aanwezigen zijn ‘collega’s van op het werk’.

Vele ladingen onder één vlag

De nood aan jobcreatie op maat van deze vrouwen is een teken aan de wand. Te veel mensen vallen uit de boot van de formele economie. De discussie rond structurele veranderingen in onze economie en de economische waardering van zorg- en buurtwerk laait op.Vaak zijn het de vrouwenbewegingen die hierin een leidinggevende rol spelen. De achterliggende gedachte klinkt heel overtuigend: naast de formele economie die iedereen erkent, bevindt er zich een enorme en minder doorzichtige zone van informele arbeid die het reguliere circuit voedt en mogelijk maakt. Een huishouden kan in de eerste plaats overleven omdat het een inkomen verwerft uit de formele economie. Daarnaast echter zijn de alledaagse huishoudelijke taken even essentieel voor het voortbestaan van het gezin. Want wat zou er gebeuren als niemand nog onbetaald zou willen afwassen, de vuilniszakken buiten zetten of de kinderen naar school brengen? Nochtans is het nog steeds zo dat het verrichten van deze informele arbeid geen sociaal statuut, geen plaats in de economie en geen eigen inkomen oplevert. Moo Laforce: ‘Uit studies blijkt dat de mannen overwegend de formele taken van het gezin op zich nemen. De informele arbeid in de huishoudens wordt verricht door de vrouwen. Bij het wegvallen van haar man, blijft de laaggeschoolde vrouw zitten met een dagtaak die essentieel is, maar geen brood op de plank brengt. Vanuit deze vaststellingen pleiten wij ervoor het begrip arbeid te verruimen, zonder daarbij alle vormen te willen formaliseren. Concreet betekent dit dat men bij het creëren van jobs voor de laaggeschoolde vrouwen, ook oog moet hebben voor de zorgarbeid en het buurtwerk; ook deze arbeid ‘loont’ immers de moeite.’Buiten bots ik op een bende joelende kinderen. De buurtwerking voor de jongsten staat klaar om te gaan zwemmen. Tussen het gewriemel staat Diane, instructies roepend. Diane is buurtbewoonster, laaggeschoold en was lang werkloos. Nu werkt ze voltijds als buurtopbouwwerkster. ‘Ze kent de buurt, de kinderen en hun ouders en weet hoe ze hen moet aanpakken. Een betere medewerkster voor onze kinderwerking hadden wij ons niet kunnen dromen’, zegt Moo Laforce glimlachend.

MET DE KLEUREN VAN PICASSO

Maar een mens leeft niet van brood alleen. Kansarme vrouwen missen méér dan alleen het geld om hun gezin te voeden. Ze zijn vaak geïsoleerd en kennen weinig vormen van ontspanning. Een negatief zelfbeeld en weinig zelfvertrouwen maken hen minder weerbaar. ‘Ik moet elke dag vechten. Ge weet niet wat dat is om met 500 BEF per dag rond te komen in een gezin met vijf personen, hé. Ik zit elke dag alleen met mijn misère.’ Ik ontmoet Josée voor de eerste maal op een zonnige dag in Turnhout. ‘Ik vind het belangrijk om dit tegen u te zeggen zodat mensen weten hoe sommige vrouwen moeten vechten. Ik praat nu niet alleen over mezelf, maar namens alle vrouwen.’ Terwijl haar jongste zoon speelt en cola drinkt, laat ze me haar trots en haar kracht voelen. ‘Natuurlijk heb ik ochtenden waarop ik echt geen fut heb om op te staan. Toch doe ik het, vooral voor mijn kinderen. Zij zijn alles wat ik heb.’ Sinds kort komen een vijftiental kansarme vrouwen uit het Tunhoutse elke maandag samen om eens ‘iets anders’ te doen. Onder leiding van Angela, een kunstenares, werken deze vrouwen rond kunst en cultuur. Josée vindt het belangrijk om te praten over hun kunstclubje: ‘Het doet me zoveel deugd. Ik heb iets geschilderd en mee naar huis genomen. Mijn man vond het heel schoon. Ik wist niet dat ik dat kon. Als ik hier buitenkom, heb ik het gevoel alsof ik weer heel de wereld aankan.’ Josée vertelt haar verhaal van tegenslagen, schulden en problemen. Het heeft haar getekend, natuurlijk. Toch tekent zich ook iets anders af in haar ogen wanneer ik haar stoutweg vraag of ze soms andere vrouwen helpt. ‘Als het echt slecht gaat natuurlijk niet. Dan heb ik geen tijd voor flauwe zever. Maar sinds ik hier kom, besef ik dat er vrouwen zijn die het nog veel slechter hebben. Ik breng dan al eens kleren mee die te klein zijn geworden. Pas op, ik was die eerst en dat zijn nog mooie kleren. Ik voel mij dan zo goed, hé, als ik iets kan geven. Ik heb vertrouwen in de mensen en ik werd nog nooit bedrogen.’ Ik krijg kippenvel bij zoveel geloof en eerlijkheid. Op een zonnige namiddag schuif ik ook mee aan de tafel om een kunstwerk te maken. Ik ben één van hen; we schilderen even goed of slecht. En we zijn even blij als een kind met het eindresultaat: een groot paneel dat nog nat is van de geschilderde gevoelens.

Menszijn is geen luxe

Het idee is niet nieuw. Een paar jaar geleden werden in Gent en Leuven ook al projecten opgestart rond artistieke expressie en kansarmoede. In Leuven zette men een reizende kunsttentoonstelling op. De bedoeling was om een genuanceerd beeld van arme vrouwen te brengen. Via grote kunstwerken kon de dialoog met het publiek beginnen. De catalogus van de tentoonstelling wond er geen doekjes rond: ‘Cultuur is geen luxedimensie die men aan het bestaan kan toevoegen, maar een centraal element in de ontwikkeling van elke mens. Natuurlijk moeten kansarmen genoeg ‘hebben’ om te overleven, maar ze willen ook iemand ‘zijn’ die erbij hoort in plaats van uitgesloten te worden. Recht hebben op deelname aan kunst en cultuur gaat niet over het ‘hebben’ maar over het ‘zijn’. Volwaardig mens zijn betekent ook de erkenning van de creativiteit van ieder individu.’ Van de zomer werd dit ook duidelijk tijdens de voorbereiding van de campagne van Welzijnszorg Vlaams-Brabant. Kansarme vrouwen werden uitgenodigd om mee te denken en te werken aan de campagne rond vrouwen en armoede. De hele ploeg trok naar zee en de vrouwen kregen de kans om hun verhaal te vertellen op een originele manier: er werd gedanst, geschilderd en gebeeldhouwd. Het recht om zich creatief te uiten is voor deze vrouwen belangrijk. Ook de bijeenkomsten in Turnhout betekenen veel meer dan ontspanning. Het gaat om de versteviging van het zelfbeeld, om een vorm van emancipatie, om een cruciale dimensie in ieders bestaan. ‘Bovendien’, zo vertelt José, ‘kan er hier al eens gelachen worden, kan ik babbelen en dat geeft mij kracht: ik heb dat nodig.’ Ondertussen heeft Cultureel Centrum De Warande beloofd in de toekomst meer aandacht te hebben voor de kansarmen: ze beloofden de toegangsprijzen en de programmatie ook op hen af te stemmen.

LUISTEREN NAAR DE SPECIALISTEN

In Vlaanderen hebben mannen en vrouwen dezelfde rechten. Op papier althans. Toch bewijzen verschillende statistieken dat de feitelijke situatie van vrouwen en mannen zowel op sociaal, economisch als op politiek vlak nog sterk van elkaar verschilt. Miet Smet, minister van Gelijke Kansenbeleid voor mannen en vrouwen, legt in haar beleidsnota een zware klemtoon op de maatregelen ter bevordering van de deelname van vrouwen aan de politiek. Er moet dus nog een lange weg worden afgelegd vooraleer vrouwen volwaardige gesprekspartners zijn in het beleid. Arme vrouwen vallen helemaal uit de boot. ‘Als organisatie van en voor kansarme vrouwen is het niet evident om je stem te laten horen op beleidsniveau. Daarvoor heb je doortastende projectleiders en een bereidwillige burgemeester of minister nodig’, verklaart Marja Hermans, medewerkster van Welzijnszorg. ‘Op momenten dat zoiets wel lukt, is het onze taak om de stem van de arme vrouwen zelf te laten horen. Zij kunnen het best uitleggen wat er moet veranderen in onze maatschappij. Zij moeten au sérieux worden genomen omdat we van hen kunnen vernemen wat er mis gaat. Maar we leren ook hoe we creatiever met geld kunnen omgaan. En wat het betekent om eens ‘een extraatje’ te kopen.’

Dat doen we zelf wel

‘t Vergiet is de naam van de vrouwenwerking in het Gentse die ongeveer twintig vrouwen wekelijks samenbrengt. Het is in de eerste plaats de bedoeling om de individuele situatie van deze vrouwen te verbeteren. Daarenboven wil ‘t Vergiet ook de structurele mankementen aanpakken waardoor vrouwen en vooral de kansarme vrouwen worden uitgesloten op verschillende terreinen van de samenleving. Daartoe worden rondetafelgesprekken opgezet met beleidsverantwoordelijken én met kansarme vrouwen. Er worden concrete voorstellen gedaan en de bevoegde instanties ondertekenen een ‘contract’ waarin ze beloven de nodige maatregelen te treffen. Op deze manier heeft de stad Gent een nieuw en ruim onderkomen ter beschikking gesteld van de vrouwenwerking. Voor de opbouwwerkers zijn deze rondetafelgesprekken een enorme stap voorwaarts. Geertrui Mertens: ‘Wij staan op de allereerste plaats tussen de vrouwen. Op sommige momenten moeten we echter ook boven hen gaan staan. Bijvoorbeeld wanneer we eigenlijk een beroep moeten doen op de kinderbescherming, iets wat de vrouwen ons kwalijk nemen. We worden dan medeplichtig aan de maatschappelijke uitsluiting. Ik heb dan het gevoel dat ik hun vertrouwen schend. Tijdens de rondetafelgesprekken kunnen we de beleidsmensen confronteren met het systeem en laten zien dat ze de vrouwen vaak achterstellen in plaats van ze te helpen.’De rondetafelgesprekken leggen veel verantwoordelijkheid bij de vrouwen zelf. Het zijn de vrouwen die zelf het verschil in hun situatie willen maken, niet de hulpverleners. ‘Toen we subsidies nodig hadden voor het nieuwe huis dat we zo graag wilden hebben, stonden enkele vrouwen er op dat zelf te doen. Ze zijn op pad gegaan en hebben op die manier de nodige ervaringen opgedaan, met vallen en opstaan. Dat is iets wat telkens terugkomt: de eis om zelf dingen te doen, om niet vernederd te worden, om een beetje trots te kunnen bewaren.’

De minister luistert

De dialoog tussen beleidsverantwoordelijken en kansarmen is niet enkel op lokaal vlak op gang gekomen. Sinds 1993 bestaat er een Vlaams Forum voor Armoedebestrijding waar opbouwwerkers én kansarmen samenkomen om na te denken over verschillende maatschappelijke thema’s. Het fungeert als een netwerk van afzonderlijke organisaties die zich inzetten voor de emancipatie van armen. De bedoeling is om in dialoog met de armen enkele beleidsvoorstellen te doen of wetswijzigingen aan te vragen. Nochtans is dat niet evident: vrouwen die de vergadercultuur niet gewoon zijn en die een aantal communicatievaardigheden missen, kunnen niet zonder meer worden ingeschakeld in een Vlaams overlegorgaan. In Gent tref ik enkele vrouwen aan die het gesprek met schepenen en OCMW-secretarissen niet uit de weg gaan. Ze kijken met gemengde gevoelens terug op die ontmoetingen. ‘Sommige schepenen luisterden echt naar ons, dat zag je op hun gezicht. Anderen zaten daar alleen maar omdat het hun werk was. Ik vind dat zo erg hé. Dat je zelfs als vrouw niet geïnteresseerd bent in wat andere vrouwen meemaken. Tegen zo iemand heb ik geen zin om mijn verhaal te doen.’ Elly wil een volwaardige gesprekspartner zijn; ze dwingt respect af. Tegelijk maakt ze ook tijd voor mij. Ze nodigt me spontaan uit mee te gaan eten in Poverello. Van achter haar bord spaghetti beantwoordt ze geduldig mijn vragen over de rondetafelgesprekken. ‘Of daar iets concreets uitkomt? Ik weet dat niet zo goed. Soms denk ik van niet. Anderzijds hebben we nu toch een nieuw huis. Misschien is het belangrijkste dat er naar ons geluisterd wordt; dat ze weten wat er gebeurt.’

De vraag die daarbij rijst is of het beleid en met name de federale overheid wel bereid is om naar de kansarmen te luisteren. Zijn er ministers die rond de tafel gaan zitten met de kansarmen zelf? Staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie Jan Peeters is belast met de opvolging van het Algemeen Verslag over de Armoede. In het rapport van dit jaar werden belangrijke wetswijzigingen en –voorstellen in het kader van armoedebestrijding opgenomen. Daarbij wordt uitvoerig aandacht besteed aan participatie van en dialoog met de armen. De federale regering kent aan het Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding extra middelen toe om de armenorganisaties te ondersteunen en vooral om een forum te bieden voor onderling overleg. In opdracht van de overheid moet het Algemeen Verslag over de Armoede opgevolgd en geëvalueerd worden door de armen zelf. Een stap vooruit. Ook op Europees vlak lijkt de bereidwilligheid groot: extra geld werd vrijgemaakt voor organisaties ‘waar armen zelf het woord nemen’.

De buurvrouw en ik

Officiële overlegorganen volstaan niet. Er worden gelukkig pogingen ondernomen om arme vrouwen en hun organisaties op te nemen in het maatschappelijk debat. De adventscampagne van Welzijnszorg wil dit najaar de aandacht richten op arme vrouwen. Marja Hermans: ‘Er is dringend behoefte aan de erkenning en het zichtbaar maken van de arme vrouwen. Er zit zoveel kracht en creativiteit in hen dat we hen niet over het hoofd mogen zien. Ik zie hier in de eerste plaats een taak weggelegd voor vrouwenorganisaties zoals KAV en KVLV. Hun werking kan en moet ook toegankelijk worden gemaakt voor vrouwen die het moeilijk hebben. De eerste stap naar integratie zit in die kleine details. Op die manier maak je alle vrouwen bewust van het feit dat men gemakkelijk in armoede kan vervallen. Het kan iedereen overkomen. Kansrijke vrouwen kunnen dan solidair worden met kansarme vrouwen.’

Maar de weg is nog lang. Ik loop nog een eindje mee met Elly na het eten. Ze gaat langs de voedselbank voor een pakket. Er staat een rij wachtende mensen voor ons. Op de stoep. Elly maakt zich kwaad. ‘Is dat nu nodig? We staan hier te kijk voor alle voorbijgangers en dat is zo vernederend. Mijn zoon gaat naar school in deze buurt. Ik ken vele ouders die hier wonen. Als ze me hier in de rij zien staan weten ze ook wel hoe laat het is. Binnen is heel veel plaats; ze kunnen de mensen toch ook binnen laten wachten, zeker.’ Ik probeer dapper naast haar te staan en de blikken van de voorbijgangers te trotseren. Een jonge moeder aarzelt even maar neemt dan achter ons in de rij plaats.

kadertje:

De kunst van het overleven

Op 17 oktober 1987 werd in Parijs onder de Eiffeltoren door de oprichter van de internationale beweging ATD Vierde Wereld een steen onthuld in naam van de allerarmsten. Sindsdien komen de allerarmsten en hun partners over de hele wereld elk jaar op 17 oktober samen om te getuigen van de moed die nodig is om het gevecht tegen de armoede te leveren. In 1993 werd 17 oktober erkend door de Verenigde Naties als Werelddag van Verzet tegen Extreme Armoede. Ook dit jaar worden er in verschillende grote steden herdenkingsplechtigheden en acties op touw gezet. In Vlaanderen nodigt de vierdewereldbeweging iedereen uit in de Turnhoutse Warande. Muziek, voordrachten, getuigenissen én de onthulling van een groots kunstproject, staan op het programma. Het kunstwerk is het resultaat van de wekelijkse bijeenkomsten van kansarme vrouwen in Turnhout.
Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift