Waar was ik gebleven?

Jamal Mahjoub werd in 1960 in Londen geboren als zoon van Soedanees-Britse ouders, groeide op in Khartoum en woont momenteel in Barcelona. In zijn romans exploreert hij, telkens op een verrassende en onverwachte manier, het spanningsveld van de ontmoeting en de versmelting van Europa en Afrika, van christendom en islam, van kunst en wetenschap, van filosofie en het leven van alle dag.
Wacht even, laat me uitspreken voor ik de draad kwijtraak. Nee, dat heeft niets te maken met ouder worden. Jaren geleden zei Salwa precies hetzelfde tegen me, toen de kinderen nog maar net konden lopen en zij het moeilijk had, zoals alle vrouwen het moeilijk hebben wanneer ze beginnen te verwelken: ‘Je maakt je zinnen nooit af. Je zegt nooit wat je wilde zeggen.’ Natuurlijk had ze toen gelijk, en nu zou ze ook nog gelijk hebben als ik niet van haar gescheiden was. Ik zou de eerste zijn om het toe te geven.
Volgens mij ligt het aan de tijdgeest. Wie heeft er nu nog tijd om iets af te maken? Het is een ziekte. Ik bedoel, een kwaal waaraan iedereen lijdt maar waarover niemand spreekt. Je gedachten flitsen van het ene onderwerp naar het andere, zo vlug dat je er nauwelijks erg in hebt. Als een vogel die zaadjes van de grond oppikt, hier, daar, overal. Voor je het weet moet je de hele wereldgeschiedenis vertellen, de ontdekking van Amerika, de uitvinding van de gloeilamp, wie de piramides heeft gebouwd, gewoon om tot aan het eind van het verhaal te komen dat je wilde vertellen. Tussen haakjes, ik heb gehoord dat de Arabieren dat nu ook opeisen. Typisch. Nee, niet de gloeilamp, maar de ontdekking van Amerika. Ze eisen alles op. Stel je voor dat bewezen zou worden dat het eigenlijk de joden waren die dat gedaan hebben? Waar zouden we dan blijven? Het punt is dat alles de hele tijd verandert, zelfs de harde feiten van de geschiedenis. Wat we op school geleerd hebben, wat we altijd vanzelfsprekend vonden, niets daarvan houdt nog stand.
Oké, ik ga verder. Ik moest een taxi nemen. Ik was al laat, en het heeft wat van een legeroefening om in deze stad naar de luchthaven te komen. Ik bedoel, trap op trap af, koffers, niemand die je helpt. Mensen die half zo oud zijn als ik, die een derde zijn van mijn leeftijd, hebben het er moeilijk mee. Ze krijgen steeds vroeger een hartaanval, en dat verbaast me niets. Ze rennen van hot naar her met een rode kop, met immense zakken op hun rug, als kakkerlakken die wegvluchten uit een keuken die net gedesinfecteerd werd. Waarom naar de luchthaven? Het huwelijk van mijn dochter. Eindelijk heeft ze besloten haar ouders gelukkig te maken en te trouwen met iemand uit onze contreien. Geen Europeaan of Amerikaan, geen katholiek, protestant of jood, in ‘s hemelsnaam nee, dat is ze in haar rebelse periode ontgroeid. Ik zou dus blij moeten zijn, maar in feite ben ik ongerust. Ik bedoel, Yemen? Wil ik werkelijk dat mijn kleinkinderen opgroeien met een vader die de hele dag als een lamzak ligt te kauwen? Het is genetisch. Abdin, mijn zoon, jullie kennen hem nog wel, zegt dat ze er niets aan kunnen doen. Het zit in hun genen. Eerlijk gezegd interesseert het me niet waar het precies zit in hun lijf, ik ben er gewoon tegen.
Maar wat kan ik doen? Ze zegt dat ze gelukkig is. Liefde. Daar kun je niets tegen doen. Je zult zien wat je bereikt als je je ermee bemoeit. Weet je nog van Mustapha Medood, zijn zoon stak een Engelse jongen neer omdat die met zijn zus omging. Ze hadden een oude Hadendowa-dolk aan de muur hangen, als versiering. Toeristen kopen die. Ze zien er apart uit. Dus trok hij dat zwaard uit de schede. Zwaard, dolk, wat maakt het uit? Het ging recht door het hart van Die arme jongen. Hij stierf nog voor de ziekenwagen er was. Zoals de zaken er in dit land voorstaan, is het geen plek om ongelukjes te hebben met zwaarden. Het was een erg goede advocaat. Tijdelijk ontoerekeningsvatbaar, dat is waarvoor hij pleitte. Ik heb gehoord dat de jongen nu in de Verenigde Staten woont. Boston, New Jersey of waar dan ook. Bloed. Dat krijg je als je je ermee probeert te bemoeien. Nee, dank je, ik zal er wel mee leren leven, met dat blaadjes kauwen.
Waar was ik gebleven? De luchthaven? Nee, niet zo vlug. Eerst bel ik een minitaxi. Je weet hoe moeilijk het is om een gewone taxi te vinden. Ze worden blind als ze iemand als wij op straat zien staan. En trouwens, ze zijn veel te duur. Ik bel het bedrijfje van die Somaliërs, of zijn het Nigerianen? In elk geval zijn het bandieten. Ik zeg hun dat ik een wagen nodig heb om me naar Heathrow te brengen, en het duurt tien minuten voor ze met de prijs voor de dag komen. Ik hoor het gejammer van bedoeïenenmuziek op de achtergrond. Die mensen leven nog altijd in stamverband. Waar je ze ook neerzet op Allahs wereld, ze hurken bijeen alsof ze hun godvergeten hol nooit verlaten hebben. Alsof de luchthaven een bestemming is waar ze nog nooit van gehoord hebben. Eindelijk besluiten ze dat ze me kunnen vervoeren. Ik ben vereerd. Ik zeg hun dat niet, want ze zijn zeer lichtgeraakt en zien er geen graten in om opeens de hoorn op de haak te gooien, klant of geen klant. Je moet vooraf een prijs afspreken, anders houdt de chauffeur je in gijzeling op een afgelegen weg. Het is alsof je weer thuis bent.
Dus, de wagen komt eraan, ik kijk naar de chauffeur en zie dat het een van hun Afrikanen is. Wat is er toch aan de hand met die Engelsen, dat ze niet meer willen werken? Niet één van hen. Begrijp me niet verkeerd. Het stoort me niet dat een Afrikaan me vervoert, behalve dat ze altijd verloren rijden. Oké kameraad, knikken ze, en je vertrekt. Ze rijden tot halverwege de kust voordat ze zich omdraaien en je vragen of je enig idee hebt waar we zijn. Het probleem met Afrikanen is dat ze nooit toegeven dat ze zich vergist hebben. Nooit. Ken je Shahin Tawil nog? Die van dat schandaal, jaren geleden. Je weet wel, hij verkocht exportvergunningen aan de Argentijnen, die exocetraketten kochten om ze op de Royal Navy af te vuren. Ik weet dat het lang geleden is, maar het heeft hem voor altijd gebrandmerkt.
Wat weet je verder nog over hem? Hij dronk veel en ging naar Engelse hoeren. Een onguur type, als je alles bij elkaar optelt. Hij werd bijna doodgeslagen door een van die chauffeurs. Waarom? Dat vroeg hij zich ook af, geloof me. Die mensen rijden de hele dag rond, hun zenuwen zijn gespannen als de snaren van een kamanga. Er springt er één en ze vallen aan, zoals die honden die de nazi’s hadden. Ik twijfel er niet aan dat Tawil dronken was, natuurlijk, maar dan nog. Een chauffeur heeft zijn verantwoordelijkheden. Tawil moest rennen voor zijn leven. Hij rende door de straten, hij riep om hulp. Denk je dat er iemand stopte om hem te helpen? Zou jij stoppen? Dat is Londen. Een dronken Afrikaan die door een andere achterna wordt gezeten. De mensen gingen uit de weg. Misschien was deze wel een sikh, nu ik erover nadenk. Maar met of zonder tulband, ze kunnen de weg niet vinden.
Ik was dus wantrouwig tegenover die man achter het stuur. Tussen haakjes, ze moeten van ons niets hebben. We komen dan wel uit hetzelfde werelddeel, maar ze kijken je eens aan en zeggen dan bij zichzelf: ‘Arabier, moslim’. Ze kijken ook naar de televisie. Ze zien vliegtuigen die tegen wolkenkrabbers vliegen, vrouwen die gestenigd worden, zelfmoordcommando’s die zichzelf opblazen op de achterbank van hun Ford Mondeo. Een van hen beschuldigde mij ervan een slavenhandelaar te zijn. `Jullie hebben mijn voorvaderen ontvoerd!’ riep hij tegen mij. Gewoon omdat hij het wisselgeld niet mocht houden. Maar zeg nu zelf, een fooi van vijf pond? Hij sprong uit de wagen. Gouden tanden, een enorme ring door zijn neus en dreadlocks die hij als zwarte slangen in mijn gezicht slingerde. Hij sprong op en neer op de straat als een derwisj. Hij zou zijn voorvaderen nog niet herkennen als ze onder zijn wielen lagen.
Maar ik had geen keuze, en trouwens, hoe moeilijk kan het nu zijn om een luchthaven te vinden? Maar als we eenmaal op weg zijn valt me iets op aan die man. Om te beginnen zijn accent. Het is een instinct. We herkennen elkaar onmiddellijk. Mijn zoon zou jullie iets kunnen vertellen over erfelijkheid, maar het leven van die jongen is zoals in die Zuid-Amerikaanse melodrama’s die ze ‘s middags uitzenden. Salwa raakte er jaren geleden aan verslaafd toen ze hoorde dat ze allemaal over seks gingen. Zij en ik hadden geen betrekkingen meer sinds de kinderen geboren waren, of zo goed als geen. Wat stelt het voor, zei ze, jij ligt op mij en je droomt van andere vrouwen. Ik heb je kinderen gegeven. Zoek maar een andere vrouw als je meer wilt. Ik heb haar raad opgevolgd, dat spreekt voor zich. Dat is wat televisie doet in het hoofd van een vrouw. Ze wilde romantiek. Zeg nu zelf. Een vrouw van in de veertig, met twee kinderen. Romantiek?
Het punt is dat mijn zoon, sinds hij de universiteit heeft verlaten zonder enig vooruitzicht, zonder plannen en met geen andere ambitie dan de zuurverdiende centen van zijn vader op te maken, niets anders doet dan namen van vrouwen verzamelen in zijn adresboekje. Ik moet er niet aan denken hoeveel bastaardkleinkinderen er al van mij rondlopen in het zuidwesten van Engeland. Jarenlang duur privé-onderwijs, bijlessen enzovoorts, allemaal omdat die jongen niet wist hoe de voorkant van een boek eruitziet. Nu doet hij de hele dag niets anders dan televisiekijken. Hij beweert dat hij, liggend op zijn rug, meer van dat toestel leert dan hij ooit heeft gedaan op de universiteit. Je had je al dat geld kunnen besparen, lacht hij me uit en intussen steekt hij de ene sigaret met de andere aan.
Erfelijkheid, stammeninstinct of wat dan ook. Ik ben mij ervan bewust dat er iets vertrouwds is aan die man. En niet alleen zijn accent. Ik ga wat naar voren zitten om zijn gezicht beter te kunnen bekijken. Ik spreek hem aan in het Arabisch. Hij kijkt me aan in de spiegel. Ik weet zeker dat ik je ken, zeg ik tegen hem. We hebben samen op school gezeten. Jaren geleden en ver weg. Hij schudt zijn hoofd, maar ik ben er zeker van. Ik ben in de war nu ik hem in deze toestand zie, achter het stuur van een onopvallende minitaxi. Ik merk enkele andere dingen op. Zijn kleren zijn groezelig. Zijn haren moeten geknipt worden. Hij is ouder, natuurlijk, en zijn gelaat heeft wat van zijn vorm verloren. Ook rijdt hij als iemand die niet weet wat haast is. Dienstregelingen, uren van vertrek, uitgangen die op een luchthaven gesloten worden, dat betekent allemaal niets voor hem. Ik zie hoe auto’s ons links en rechts inhalen. Ze claxonneren en steken obsceen hun vinger op. Het lijkt alsof we opgesloten zitten in een luchtbel en langzaam zinken. Maar ik ben me er nauwelijks van bewust nu ik doorheb dat ik in gezelschap ben van een brok levende geschiedenis; mijn geschiedenis.
El Haj. Deze man was onze held, we keken naar hem op. Hij was niet eens zoveel ouder dan ik, vijf, zes jaar misschien, meer niet. Genoeg om indruk te maken, op die leeftijd. Hij was een harde werker natuurlijk, ijverig, toegewijd en knapper dan de meeste anderen op school, de leraren inbegrepen. Hij las de hele tijd, overdag en ‘s nachts. We waren arm in die tijd, wij allemaal. Ik woonde toen een paar straten van hem vandaan. We hadden een emmer als toilet. Een gat in de grond. Elke avond kwam een man hem leegmaken. Mijn eigen kinderen lachen als ik hun dat vertel. Maar het maakt wel degelijk verschil. Zulke zaken bepalen je persoonlijkheid. Mijn kinderen kunnen alles krijgen wat ze willen, ze hoeven het maar te vragen, maar de waarheid is dat ze niets substantieels hebben, begrijp je? Ik benijd hen niet dat ze in een wereld als deze moeten opgroeien. Welk houvast hebben ze?
El Haj. We noemden hem zo omdat hij ouder leek dan hij was, hij zat altijd buiten onder de straatlantaarns te lezen. Thuis konden ze zich niet veroorloven het licht aan te steken. De meeste huizen hadden één, misschien twee gloeilampen, maar het kostte geld om die te vervangen, en dus bleef het de meeste tijd donker. Wie las er nou ‘s avonds - de meeste mensen konden op klaarlichte dag nog niet eens lezen. Iedereen respecteerde hem. Een excentrieke kerel, hij had zijn eigen opvattingen over stijl. Hij droeg een hoed. Niemand droeg een hoed. Het was een echte hoed. Het was er een zoals golfspelers dragen, maar dan zonder dat rode pluizige ding bovenop. Frans, denk ik. Iemand moet hem die gegeven hebben. Herinner je je die hoed nog? vroeg ik hem. Hij lachte naar me in de spiegel. Hij herinnerde zich de hoed.
Ik voelde me klein. De hele wereld hield op te bestaan, het mooie pak dat ik droeg, de vliegtuigtickets die ik vasthield. Ik voelde er niets meer van. Heb je enig idee hoe groot de kans is dat we elkaar op een dergelijke manier ontmoeten, in een taxi, duizenden kilometers van de plek waar we geboren zijn? Ons leven is voorbijgegaan, regeringen zijn aan de macht gekomen, dictators zijn verdreven, en nu zijn we hier. Hij was het met me eens, de probabiliteit was niet erg groot. Probabiliteit. Zo’n woord kon ik zelfs niet spellen. Ik vergat het hele huwelijk van mijn dochter, de herder aan wie ze had besloten haar leven te vergooien, de zorgen om mijn zoon, mijn eigen gezondheidsproblemen. Al dat soort gedachten dreven weg uit mijn hoofd. Het was alsof ik op de top van een zeer hoge berg stond en mijn hele leven overzag.
Je moet begrijpen dat ik al vlug doorhad dat al die boeken me niet ver zouden brengen. Ik verliet de school en begon onmiddellijk zaken te doen. Ik werkte mezelf omhoog. En ik speelde het hard. Nee, ik heb nergens spijt van. Je vergeet dat ik nog heel goed weet hoe het was toen we niets hadden. Ik herinner me de stank van vervuild water dat op straat werd gegooid, die grijze kleur van de dood. Ik heb het erop gewaagd. Ik zag kansen en het zou stom geweest zijn die te laten schieten. Ik heb mijn eigen leven gemaakt en heel wat mensen hebben daarvan geprofiteerd. Ik benijdde hem. Nu kan ik dat toegeven. Vroeger kon ik dat niet, maar nu, wie geeft er nu nog om? Hij rijdt me naar de luchthaven in een wagen die hij huurt van een rondzwervende bandiet. Hij, de grote wijze man van onze nieuwe tijd. Hij ging naar de universiteit. Hij ging naar het buitenland. Hij gaf lezingen in de hele wereld. Iedereen zat stil te luisteren naar deze man die vroeger boven een emmer hurkte en onder de sterrenhemel las als de elektriciteit uitviel.
Hij werd belangrijk. Zijn naam verscheen in de kranten. Een keer zag ik hem op de televisie, ik herkende hem nauwelijks. Een grote bos haar en een kleurig hemd alsof hij net van achter een brandende struik tevoorschijn was gekomen. Hij werd gefotografeerd terwijl hij op het gazon van het Witte Huis presidenten de handen schudde, en nu reed hij hier met een onopvallende minitaxi door straten die hij niet kende. Natuurlijk had hij mogelijkheden gehad. Dat moet wel, hij ging om met beroemdheden en rijken. Maar hij zou nee gezegd hebben. Een man met principes. Ik voelde me opgetogen en vreselijk triest.
Ik besefte dat ik er in mijn achterhoofd altijd op vertrouwd had dat hij er zou zijn om de wereld de goede kant op te sturen, snap je? Het was een soort teller. Maar alles verandert. Je wordt achtergelaten als je niet beweegt, zoals zo’n insect dat ze vereeuwigd vinden in een steen. Ik zei dat tegen mijn buurman, die tussen haakjes helemaal niet van hier is, ik weet niet waar hij vandaan komt, ik versta nauwelijks een woord van wat hij zegt. Ik zei hem dat Rusland nog iets betekende toen ik jong was. Ik weet niet waarover we het hadden.
Ik zei dat ze machtig waren. Ze hadden raketten en een groot leger en iedereen was bang van hen. De grote Russische beer. Die Wolga’s die voorbijraasden als woedende reuzenkevers. El Haj was een communist. Iedereen was dat in die tijd, iedereen die met politiek bezig was. De sovjets waren onze enige hoop, legde hij uit. De Amerikanen steunden de Israëli’s. Ze bombardeerden Vietnam. Ze vermoordden Lumumba. De Russen hadden nooit Afghanistan mogen binnentrekken, zei hij. Daar lag de oorzaak van hun verval. Ze trokken binnen als de machtige Sovjet-Unie en ze kropen eruit als kaviaarventers en hoeren. Dat was nu juist mijn punt.
Tegenwoordig spreiden Russische vrouwen overal, excuseer, hun benen op deze planeet. De slimsten maken het als echtgenoten in deze streken, alhoewel ik heb gehoord dat het degenen zijn die te lelijk zijn voor de prostitutie. Ze hebben het allemaal goed georganiseerd. Ze sturen je een foto van een negentienjarige schoonheid - schitterend. Je kikkert er helemaal van op als je naar zo’n blakende vrouw kijkt. En de gedachte dat je al die heerlijkheid elke nacht naast je in bed kunt hebben is voor menig eenzaam man reden genoeg om met één pennenhaal voor altijd afstand te doen van zijn eigen leven, en dat is precies wat er met onze vriend Ragab gebeurd is. Herinner je je hem nog? Hij was zo gelukkig. Drie maanden lang leefde hij op een wolk. En toen stuurden ze hem een vrouw vergeleken bij wie die deur daar mooi lijkt. Ze was zo groot dat hij een nieuw bed moest kopen. Hij was bang van haar. Hij was fysiek bang van haar. Ze bleef maar aandringen dat hij overal geld naartoe moest sturen. Haar moeder was ziek, haar zuster was juist bevallen van een zieke baby, enzovoorts. Hij zei dat er op den duur een heel dorp leefde van het loon van een arme Afrikaanse professor aan een provinciale Engelse universiteit.
De grote droom was in elkaar gestort. Er was niets terechtgekomen van de visioenen die El Haj had voor het Afrikaanse continent. Wat had het allemaal betekend? Weet je, ik ben een religieus man. Nee, echt waar, al een jaar lang heb ik geen druppel meer aangeraakt. Niet sinds die bypass-operatie. Heb ik je over de bedevaart verteld? Wat een zootje was dat. Ik dacht dat ik doodging in dat gedrang. Het verlies van je waardigheid maakt deel uit van de ervaring, zo werd me verteld. Leg dat maar eens uit aan je kinderen. ‘Religie is angst,’ zegt mijn zoon. Waar heb je dat geleerd, vroeg ik, door op de televisie naar naakte vrouwen te kijken? Nee, zegt hij, als er een almachtige God bestond, dan zou hij verschil moeten kunnen maken tussen iemand die zuiver is van hart en een dikke hypocriet die op de knieën gaat omdat hij zich oud en sterfelijk voelt en het betreurt dat hij zich zijn hele leven als een zondaar gedragen heeft. Ik hou van hem, maar als hij mijn zoon niet was, dan zou ik zijn lever er via zijn keel met een vishaak uit rukken.
We hebben ons aan hun regels gehouden, zei El Haj. Dat was onze vergissing. Toen we de mogelijkheid hadden om dingen te veranderen, hebben we hun regels gerespecteerd. We wilden wat zij hadden. We wilden Regent Street en Piccadilly Circus. We wilden Oxford en Cambridge. We wilden Westminster. In plaats van voor onszelf te denken. Tegenwoordig, zei hij, herinnert niemand zich zelfs nog dat er zoiets als een koloniale periode bestaan heeft. De Engelsen van vandaag zijn het moe om aan te moeten horen wat hun voorvaderen hebben gedaan. En trouwens, zeggen ze, kijk maar eens wat er gebeurt als jullie aan je lot worden overgelaten.
Hij gaf toe dat hij onbelangrijk geworden was. Niemand was nog in zijn ideeën geïnteresseerd. De tijd had hem ingehaald. Zelfs de Engelsen niet, die hem opgevoed en getraind hadden. Ze hadden eigen deskundigen, zei hij, die hun vertelden wat ze wilden horen. En het was waar dat we onze portie gehad hadden aan krankzinnigen, bloeddorstige despoten die paleizen bouwden in het zand, met gouden kranen in de badkamer, terwijl de meesten van hen waren opgegroeid zonder te weten wat stromend water was.
Ik geef toe dat ik me wat ongemakkelijk voelde toen ons gesprek die kant op ging. Tenslotte zou hij zich wel eens tegen mij kunnen keren, omdat ik mijn land tekort had gedaan. Ik had geprofiteerd, natuurlijk. Ik nam mijn deel van de commissies en van het smeergeld of wat dan ook. Dat hoort bij het spel. Iedereen weet dat. Toch was het plezierig om hem te horen praten. Het riep zoveel herinneringen op. Aan Salwa toen ze jong was, toen de kinderen nog klein waren en ze in de zon speelden en vol hoop leken. We dachten dat ze sterke volwassenen zouden worden en voor ons zouden zorgen als we oud waren. Maar het leven is een lastige teef, excuseer, het gaat nooit de kant op die jij wilt, het geeft nooit wat jij vraagt, het wil altijd meer.
Hij weigert mijn geld aan te nemen als we bij de luchthaven aankomen. Trots. De grote zwakte van ons volk. We willen allemaal geven. Waarom? Ik zal het je zeggen, omdat het de deur openlaat voor het lot. Het is beter om te leven met de hoop dat je op een dag iets terug zult krijgen dan het geld nu aan te nemen. Dat is onze grootste fout, dat is wat ons tegenhoudt. Als je een stap opzij zet in deze wereld, neemt iemand anders jouw plaats in. Ik had het verwacht en daarom stopte ik het geld achter in de stoel toen ik uitstapte. Ik weet dat iemand anders het misschien gevonden heeft, maar wil je dan dat ik verder moet leven met het idee dat ik in het krijt sta bij die man? Ik kon het niet, ik kon het niet verdragen, en trouwens, ik weet niet goed hoe ik het moet uitleggen, maar de hele tijd dat ik bij hem was had ik de indruk dat hij het had opgegeven, dat hij niets meer van het leven verwachtte. Hij deed ook niet alsof, zoals sommige mensen doen: nee nee nee, ik zou dat nooit enz enz, en hup!, sneller dan je een vlieg kunt meppen verdwijnt het in hun portefeuille.
Nee, hij was eerlijk. Hij had het opgegeven. Ik denk zelfs dat hij ervan overtuigd was dat hij niet lang genoeg meer zou leven om het te kunnen uitgeven. Ik zeg je, ik had het gevoel dat ik met een dode aan het praten was. Toen de wagen wegreed zei ik bij mezelf dat dit de laatste keer was dat ik die man gezien had. De hele tijd leek het alsof er nog iemand anders bij ons in de auto zat. Toen had ik door wat er vreemd was aan ons gesprek. Het was zoals die dans. Ken je die? Heel bekend, ik weet niet meer hoe hij heet. Spaans. De dans is een voorspel, voor seks gewoonlijk. In dit geval zou het voor de dood zijn. Ik denk dat hij mij ook dankbaar was. Op de een of andere manier gaf ik hem de kans vrijuit te spreken, zijn hele levensloop samen te vatten, zoals ze dat in de krant doen wanneer er een beroemdheid is overleden, maar in dit geval zal zelfs niemand weten dat hij gestorven is.
Dus rende ik de luchthaven binnen, God lovend voor het gelukkige toeval, voor het feit dat mijn hoofd nooit vol was geweest van hoogdravende ideeën om iets te worden. Ik voelde me jong, opgetogen, ik wilde in de lucht springen en het uitschreeuwen. Ik wilde mijn zoon omarmen en tegen hem zeggen dat hij bij de televisie moest blijven zitten, dat hij vroeg of laat wel de drang zou voelen om op stap te gaan en wat geld te verdienen en dat hij waarschijnlijk wel eens geluk zou hebben, zoals ik toen met die eerste vliegtuigcontracten. Wie heeft er een opleiding nodig? Wat levert het je op? We leven in een ongeletterde wereld. Niemand geeft er nog iets om. Boeken? Waarvoor? De leider van de machtigste natie van de wereld kan zelfs niet spellen. Dit is onze tijd, de kleine man.
Ik dankte God voor al die dingen. Ik dankte Allah dat ik gezond was, dat mijn dochter ging trouwen met een man die in de olie zit. Het is waar, een onbelangrijke functie, maar toch. Heb ik je gezegd dat hij een nieuwjaarskaartje heeft gekregen van die Cheney? Nee, natuurlijk is hij geen christen. Het is gewoon iets wat ze doen voor al hun werknemers: moslims, Chinezen, boeddhisten, hindoes. Het maakt allemaal geen verschil. Dat is wat ze globalisering noemen. Ik zeg je, het kan me niets schelen of die jongen de herder is van een kudde berggeiten, zolang hij maar geen grootse ideeën in zijn hoofd haalt om de wereld te veranderen, want dat is het einde, mijn vriend, neem dat maar van me aan.
Vertaling door Paul Kerstens verscheen in Deus ex Machina.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift