Waarom de kaarten in de Veiligheidsraad onder tafel blijven - analyse

Om een tweede VN-resolutie over Irak te krijgen, moeten de Verenigde Staten nog zes tot elf leden van de Veiligheidsraad overtuigen om zich te onthouden of voor een aanval te stemmen. Het arsenaal aan drukkingmiddelen waarmee Washington onbereidwillige of twijfelende landen over de streep kan trekken, is indrukwekkend: ontwikkelingsgeld, goedkope leningen, militaire hulp, handelsvoordelen, oliecontracten, … . Een rapport van het Institute for Policy Studies zet alles nog even op een rijtje.



De Amerikaanse regering heeft de multilaterale optie - geen aanval zonder een tweede resolutie - nog niet afgeschreven. De internationale ‘rubber stamp’ is van vitaal belang, al was het maar voor de steun die de ploeg van Bush vanuit eigen land krijgt. Begin deze week bleek uit een peiling van TIME/CNN dat 57 procent van het Amerikaanse publiek vindt dat de uiteindelijke beslissing om Irak aan te vallen in handen moet liggen van de Verenigde Naties en niet in die van Bush. Een eenzijdige oorlog biedt de Amerikaanse president dus allerminst een vrijstelling voor de verkiezingen. Bovendien hoopt de regering-Bush dat andere landen zullen delen in de enorme financiële kost van de bezetting, de heropbouw en de vredeshandhaving in Irak, nadat alles achter de rug is.

Het zijn twee goede redenen waarom de VS, Groot-Brittannië en Spanje - allen lid van de Veiligheidsraad - begin deze week een ontwerp van resolutie indienden waarin staat dat Irak zijn “laatste kans” om te ontwapenen verkwanseld heeft, een “tastbare inbreuk pleegt” op zijn verplichtingen aan de Raad en zodoende “ernstige gevolgen” mag verwachten. Van een tweede resolutie is echter pas sprake als de tekst wordt goedgekeurd door negen van de 15 leden tellende V-Raad en als geen van de permanente leden (Groot-Brittannië, China, Frankrijk, Rusland en VS) tegenstemt.

Zoals de kaarten nu liggen, heeft Washington vier stemmen voor (de Britten, de Spanjaarden en de Bulgaren stemmen zeker ja) terwijl Frankrijk, Duitsland, Rusland, China en Syrië zich onthouden of tegenstemmen. De Amerikaanse druk spitst zich nu vooral toe op de zes leden die nog niets beslist hebben: Mexico en Chili voor Latijns-Amerika, Angola, Kameroen, Guinee voor Afrika en Pakistan, het eenzame islamitische land.

De Amerikaanse regering houdt vol dat er van een ‘dollardiplomatie’ geen sprake is, maar zelfs in de doorgaans slaafse persmeute in het Witte Huis was dinsdag hier en daar een hoonlachje te horen toen woordvoerder Ari Fleischer met klem ontkende dat “de leiders van andere landen te koop zijn”. Iedereen had net meegemaakt hoe Turkije, waar 95 procent van de publieke opinie tegen samenwerking met Washington is, 15 miljard dollar rechtstreekse hulp en gegarandeerde leningen in de wacht sleepte omdat het een noordelijke lanceerbasis wil vormen voor een aanval tegen Irak. Naar verwachting zullen ook Israël, Egypte en Jordanië extra miljarden vragen en krijgen.

Die ‘dollardiplomatie’ is trouwens niet de enige manier waarop Washington onbesliste leden van de V-Raad over de streep trok. Op militair vlak heeft Washington een veto waarmee het kandidaat-lidstaten toegang tot de NAVO kan ontzeggen. Daarmee kan Washington een belangrijke ambitie van de meeste Oost- en Centraal-Europese landen fnuiken. Het verklaart waarom Bulgarije zich zo vroeg tot het Amerikaanse kamp rekende.

Ook de zes twijfelaars hebben nog veel te winnen als ze toegeven aan de Amerikaanse druk, zo toont een rapport van het Institute for Policy Studies aan. Guinee-Conakry, dat in maart het voorzitterschap over de Veiligheidsraad overneemt, kreeg een aanbod van de VS voor een militair trainingsprogramma. Dat komt goed van pas in de strijd tegen de door Liberia gesteunde rebellen die het land teisteren. Pakistan rekent op de aankoop van een grote lading gesubsidieerd Amerikaans militair materieel. Islamabad wacht daar al lang op: het embargo tegen Pakistan dat kort na de aanvallen van 11 september 2001 werd opgegeven, was tien jaar oud.

De sterkste middelen om de ‘twijfelaars’ te doen plooien zijn ontwikkelingshulp en handel.. Wat betreft Afrika heeft het Amerikaanse ministerie van Handel een ruime bevoegdheid om te beslissen welke landen kunnen genieten van de gunsttarieven onder de Africa Growth and Opportunity Act (AGOA). Die wet stelt als voorwaarde dat de begunstigde landen geen activiteiten mogen ondernemen die de nationale belangen van de Verenigde Staten ondermijnen, een criterium met een venijnig weerhaakje. De VS oefenen verder invloed uit via Japan - dat een omvangrijk programma voor ontwikkelingshulp heeft.

De bilaterale Amerikaanse ontwikkelingshulp is klein bier in vergelijking met de status van de VS als ‘s werelds grootste exportmarkt. De Verenigde Staten zijn een levensbelangrijke afnemer voor Mexico, Pakistan en Chili. Mexicaanse bedrijfsleiders lopen nu al de drempel van president Vicente Fox plat om steun te vragen voor Bush. Voor Afrika vormt olie een extra drukkingsmiddel. De Amerikaanse regering, om één voorbeeld te geven, beslist in welk land de olie voor de strategische reserves worden aangekocht. Kameroen, Angola en Mexico hebben er met hun jeugdige olievelden miljoenen bij te winnen.

Nauwelijks te onderschatten is de erg belangrijke stem van de VS in de internationale financiële instellingen in Washington - de Wereldbank en het Internationaal Muntfonds (IMF). Dat alleen al moet de Afrikaanse landen kunnen overtuigen. In vergelijking met de miljoenen van de Bretton Woods instellingen betekenen de historische banden van Kameroen en Guinee met het weigerachtige Frankrijk weinig of niets. En de Angolese president Eduardo dos Santos, die ruzie heeft met het IMF over corruptie, heeft de sympathie van Washington hard nodig.

De Amerikaanse regering laat weinig aan het toeval over. De Amerikaanse vice-minister van Buitenlandse Zaken Walter Kansteiner, die bevoegd is voor Afrika, vertrok vorige week spoorslags voor een bezoek aan de driekoppige Afrikaanse afdeling van de V-Raad. Bush en vice-president Dick Cheney werkten mee via de telefoon. En om helemaal op zeker te spelen werd een persoonlijke vriend van dos Santos ingeschakeld, de Portugese premier Jose Durao Barroso.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift