‘We moeten elkaar niet kennen om solidair te zijn’

Portret Stef Kamil Carlens

In mei start Zita Swoon Project met de tournee Wait for me. Stef Kamil Carlens trok daarvoor naar Burkina Faso, luisterde naar de verhalen van de griots, observeerde en kneedde. Wat volgt, is een overwegend akoestisch samenspel tussen westerse en Afrikaanse instrumenten, de traditionele teksten van de volksvertellers en de westerse antwoorden van Carlens.

We ontmoeten elkaar achter een grote roze poort in de Zwaantjeswijk van Hoboken. De voormalige houtzagerij –die de studio en woonplaats van Stef Kamil Carlens herbergt– ademt, inclusief lentezon, kraaiende hanen en stadsmussen, uit wat een vruchtbaar muzikantenoord hoort uit te stralen: rust en evenwicht. Nodig, want de agenda van Carlens en zijn Zita Swoon Group laat weinig aan de verbeelding over. Zita Swoon Project tourt nog steeds met Dancing with the Sound Hobbyist, een samenwerking met danser/muzikant Simon Mayer en choreografe Anna Teresa De Keersmaeker, en verbond daar een gelijknamige cd aan die net in de rekken ligt. Er zijn de soloprojecten van Stef Kamil Carlens, hij producete intussen ook de nieuwe cd van Yevgueni, en op dit moment werkt Zita Swoon Project alweer aan een nieuw project. En dan is er op 12 mei de première van Wait for me.

 *

Op uitnodiging van Ibrahim Diallo en Dora Mols van het Antwerpse Zuiderpershuis reisde Stef Kamil Carlens in 2010 een paar keer op en af naar het West-Afrikaanse Burkina Faso, alleen of met zijn muzikanten. ‘Afrika boeide me al langer, maar was tot mijn reis –buiten een verzameling CD’s– steeds een onbekend continent gebleven’, vertelt Carlens. Een plan was er niet. Via Ibrahim Diallo, die hem introduceerde in Burkina, ontmoette hij de balafonist Mamadou Diabaté en de zangeres Awa Demé. Beiden zijn griots, gangmakers van de traditionele West-Afrikaanse vertelkunst op muziek. Tijdens die ontmoeting werd de basis gelegd voor Wait for me, een duet tussen twee tradities, veel improvisatie en ‘kijken wat de dag brengt’.

‘Mamadou en ik zijn begonnen met spelen, hij op de balafoon (houten West-Afrikaans slaginstrument, td) en ik op de gitaar. De beperkingen van de balafoon –de toonladder begint op fa– waren een meerwaarde, omdat je meteen een aantal zaken kon uitsluiten. Daarna ging het allemaal heel snel, richting samen zoeken, schrijven en eerste opnames.’

De garantie dat deze creatie niet als een exotische uitstap wordt beschouwd, is er niet, reageert Carlens laconiek. ‘Er zijn zoveel Europese artiesten die dit al gedaan hebben. Ik wacht af, de muziek zal het werk moeten doen.’

Mamadou en Awa leverden de teksten, Carlens schreef er antwoorden op. ‘Mamadou en Awa leven in de stad maar zijn dorpelingen gebleven, kunnen niet schrijven en lezen. Hun songs komen dus overwegend uit de wereld van de griots en zijn gestoeld op een volkswijsheid die wordt doorgegeven van moeder op dochter of van vader op zoon.’ De teksten bevatten niet de grote analyses over de wereld, wel zoals Carlens het noemt ‘volksondersteunende’ thema’s. De onderwerpen zijn divers en vooral des mensen: eerlijkheid, liegen, bedriegen, volksverlakkerij in het klein. ‘Maar soms gaat het ook heel specifiek over hedendaagse thema’s zoals ecologie. De houtkap in Burkina is massaal, waardoor het hele ecosysteem dreigt overhoop gehaald te worden. Er is een song die een lans breekt om minder bossen te verbranden en minder bomen te kappen.’

 *

‘De modernisering in Burkina Faso gaat traag. Niet verwonderlijk, de dictatuur bestaat er 23 jaar, er is een kurkdroog, sub-Saharaans klimaat, en er is bijvoorbeeld ook de “multinationalisering” van de katoenindustrie die kleine boeren kapot maakt. Mali en Burkina zijn de grootste katoenproducenten van Afrika, maar hun productie leunt op gemanipuleerde gewassen, die zelf geen zaden voortbrengen. Boeren moeten elk jaar opnieuw die gepatenteerde zaden van grote multinationals kopen en betalen daar veel geld voor. En dan hebben we het nog niet over de schade van de monocultuur of over de waterafname die nodig is voor de katoenindustrie.’

Gevolg: honger overschaduwt groei, zegt Carlens. ‘We hebben in Burkina avonden gepraat. Mensen praten er wel degelijk over liberalisering, in de zin van het opentrekken van de samenleving. Men vindt ook dat de dictatuur moet gaan, dat vrouwen meer rechten moeten krijgen, dat het onderwijs moet beteren. Maar tegelijk staan mensen op met de vraag hoe en wat ze ’s avonds zullen eten. “Un homme qui a faim, n’est pas libre”, dat zinnetje heb ik zo vaak gehoord.’

 *

De cultuur van de griots is mooi maar de realiteit is hard. ‘Kinderen van griots spelen in spiegelbeeld –aan de voorkant van de balafoon– de begeleidende partij en de vader of grootvader speelt de hoofdmelodie. De sessies duren erg lang en zijn dus echt zwaar voor die kinderen. Je kan je voorstellen hoe belastend het is voor een kind als je weet dat een begrafenissessie een maand, avond na avond, kan duren. Terwijl de volwassenen drinken en in een roes geraken, worden die kinderen gewoon vergeten. Maar ze moeten wel blijven spelen. Dat is keihard.’

‘We moeten heel voorzichtig omgaan met ons zorgvuldig opgebouwd sociaal systeem, dat aan een zijden draadje hangt.
 *

Carlens reisde met het idee om het Burkinese levensritme te volgen, ‘niet om een totaalbeeld van het land te krijgen. Ik heb vele avonden doorgebracht met mijn fantastische gids Ibrahim (Diallo, td) en naar zijn boeiende levensverhaal en dat van anderen geluisterd.’ Hij leerde een kleine groep mensen kennen. Boeiende mensen die hem vertelden over culturele tradities en omgangscodes. ‘Heel fascinerend vind ik het belang van de sociale codes in Burkina Faso, de omgangswetten die de Burkinezen hanteren –zeker naar les étrangers, voor wie ze alles laten vallen. Als vreemdeling in Burkina wordt alles voor je gedaan. Je bent een prins, ongeacht wie je bent of waar je vandaan komt. Ik denk niet dat wij ooit zulke codes in onze cultuur en genen hebben gehad. Daar kunnen wij een punt aan zuigen.’

Om de eenheid te bewaren in de culturele en etnische verscheidenheid –Burkina Faso telt ongeveer zestig verschillende etnieën– heeft de samenleving veiligheidskleppen ingebouwd: de parenté à plaisanterie of plaagrelatie. ‘Dat is ongelofelijk intrigerend, en je voelt dat ook aan de samenleving die over het algemeen heel vreedzaam is’, aldus Carlens. ‘De Senufo en de Peul bijvoorbeeld hebben zo’n eeuwenoud pact gesloten, dat uitsluit dat ze ooit disputen zullen hebben. Beide groepen mogen elkaar bespotten en uitschelden maar dat kan en mag nooit escaleren tot ruzie. Al zijn er ook heel veel codes die voor mij onbekend terrein en wreder zijn. Zo is stelen een doodzonde. Als je wordt betrapt, ga je eraan. Men vertelde me dat op zo’n moment iedereen naar buiten komt om die persoon ter plekke te doden. De enige toevlucht waar dieven veilig zijn, is het politiekantoor. Keerzijde van die harde aanpak is dat stelen op kleine schaal nauwelijks voorkomt.’

 *

Burkina Faso is een gelovig land. De grootste groepen gelovigen zijn aanhangers van traditionele geloofspraktijken zoals het animisme en van de islam. Twaalf procent zou christen zijn. Carlens: ‘Ik ben er wat van weggebleven. Ik ben niet gelovig en een persoon die wars is van religie, wordt niet geapprecieerd. Toch hebben we nummers met een sterke link naar religie, zoals Allah Nomandi, dat gaat over de ondoorgrondelijkheid van God. Het is een prachtig nummer dat Awa –zelf een heel gelovige moslima– alleen zingt.’

 *

Stef Kamil Carlens rijdt met een bakfiets, heeft een Illy-koffiemachine en verbouwde zijn pand volgens ecologische principes. Genoeg “bezwarende” elementen om hem volgens het Weveriaanse idee te klasseren bij de bobo’s en Zurenborg-Vlamingen. Bovendien was hij één van de artiesten die tekende voor verzet op de intussen beruchte KVS-avond Niet in onze naam. Tientallen artiesten stonden in januari 2011 op het podium van de KVS in Brussel om te reageren tegen het discours van het separatisme. De politieke tegenreacties bleven niet uit en N-VA-frontman Bart De Wever betichtte de aanwezigen van ‘navelstaarderij en zelfgenoegzaamheid’. Carlens heeft niet de behoefte om op die uitspraak te reageren. ‘Om nu een reactie te geven op wat Bart De Wever zegt, zou even sloganesk zijn als wat hij doet. Het mooie van die avond was dat iedereen –schrijvers, muzikanten, kunstenaars– met heel veel nuance een invulling aan die avond heeft gegeven.’ Punt dus. Carlens heeft evenmin veel  behoefte om lyrisch te doen over België maar verdedigt het idee van solidariteit. ‘Of die solidariteit nu vertaald wordt als “België” of  een andere naam heeft, maakt niet uit. We moeten gewoon heel voorzichtig omgaan met dat zorgvuldig opgebouwd sociaal systeem dat aan een zijden draadje hangt. Daar gaat het over.’

Carlens is dus zeker niet op zoek naar dat wat ons land bij elkaar moet houden. ‘Waarom heeft iedereen het altijd over dat zogenaamde kleefmiddel? Kleefmiddel tussen wie? Tussen Walen en Vlamingen? Wat wil dat zeggen? Is het nodig om eerst samen een pintje te drinken vooraleer we solidariteit kunnen voelen ? We moeten elkaar toch niet kennen om solidair te zijn. Je kan toch moeilijk zeggen: “Eigenlijk ken ik je niet, dus tot ziens, en trek je plan”? Dat zou betekenen dat het idee van ontwikkelingssamenwerking met minder ontwikkelde landen in het Zuiden ook geen basis meer heeft.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2643   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur