Werkloos, uitzichtloos?

In China was zelfmoord tot voor kort taboe. De recente oprichting van het Onderzoeks-en Preventiecentrum voor Zelfmoord in de hoofdstad Beijing brengt daarin verandering.

Werkloos, uitzichtloos?


In China was zelfmoord tot voor kort taboe. De recente oprichting van het Onderzoeks-en Preventiecentrum voor Zelfmoord in de hoofdstad Beijing brengt daarin verandering. Eind 2002 meldde het centrum dat zelfmoord in het Rijk van het Midden de eerste doodsoorzaak is voor mensen tussen de 15 en 34 jaar. Globaal genomen, is suïcide met 3,6 procent de vijfde doodsoorzaak. Per jaar vinden in China 2 miljoen zelfmoordpogingen plaats, waarvan er 287.000 slagen. Het preventiecentrum meent dat een groot deel van die gevallen te wijten is aan de groeiende werkloosheid. De agressieve hervorming (lees: privatisering of sluiting) van overheidsbedrijven ontneemt miljoenen mensen hun werk. In een land zonder werkloosheidsuitkeringen en met weinig kansen op een nieuwe baan voor wie te oud of zonder opleiding is, verliezen velen alle hoop. Tot de dood erop volgt.
Werk blijkt voor mensen uit alle windstreken levensbelangrijk. Niet alleen omdat het een inkomen verschaft maar ook omwille van de zingeving en de levensritmering die eraan vasthangen. In ons land bracht professor Marc Elchardus dat gegeven een tijd geleden al in kaart. De zelfmoord, vorig jaar, van twee ex-Sabeniens illustreerde dat nogmaals. Van Japan is al langer geweten dat de zelfmoordcijfers er de werkloosheidscijfers op de voet volgen. Toen de werkloosheid er op 2 procent stond, lag het aantal zelfmoorden op 18 per 100.000. Toen de werkloosheid naar 4 pct klom, steeg de zelfmoordratio naar 26 per 100000.
In Pakistan (110 miljoen inwoners) lag het aantal zelfmoorden vorig jaar tussen de 1200 en 1800. In vergelijking met andere landen is dat zeer weinig. Toch betekent het een stijging, volgens de Pakistaanse mensenrechtencommissie die enkele jaren geleden nog de Koning Boudewijnprijs voor ontwikkelingswerk kreeg. De commissie wijt die toename aan de stijgende levensduurte en aan de hoge werkloosheid die officiëel 16 procent van de beroepbevolking treft. (J.V.)

Farmaceutische koorts


‘We stellen eens te meer vast hoezeer de rijke landen onder druk staan van hun farmaceutische industrie. De Verenigde Staten en Europa moeten nu maar eens uitmaken wat ze belangrijker vinden: de winsten van die ondernemingen of de levens van niet-koopkrachtige zieken in ontwikkelingslanden.’ Dat zegt Ellen ‘t Hoen van Artsen zonder Grenzen, die de discussies in de Wereldhandelsorganisatie(WTO) over toegang tot geneesmiddelen op de voet volgt.
Die WTO had op zijn ministeriële conferentie eind 2001 in Doha met nogal wat poeha verklaard dat de verdediging van patentrechten voor niemand de toegang tot medicijnen, zoals die vervat zit in het TRIPs-akkoord, mag belemmeren. Concreet gaf Doha landen het recht medicijnen (goedkoper) na te maken zonder toestemming van diegene die het patent op dat medicijn heeft. Die politieke verklaring van Doha was het antwoord op de kritiek dat de WTO via het TRIPs-akkoord de belangen van de commercanten - in dit geval de farmaceutische industrie - verdedigde ten koste van mensenlevens, in de eerste plaats de vele aidslijders in ontwikkelingslanden. Het TRIPs-akkoord van 1995 legt alle WHO-leden op intellectuele eigendomsrechten verregaand te beschermen. Waar ontwikkelingslanden tot dan toe vrij waren uitvindingen - van software tot geneesmiddelen - te kopiëren, maakte het TRIPs-akkoord dat onwettig. Onder TRIPs krijgen uitvinders gedurende 20 jaar een wereldwijd monopolie op de verkoop van hun uitvinding. Wat hen toelaat hoge prijzen te vragen.
Doha gaf echter niet iedereen toegang tot essentiële medicijnen. Voor landen die niet over een eigen farma-industrie beschikken, en die dus de nagemaakte en goedkope medicijnen invoeren - en dat zijn er heel wat - moest tegen eind 2002 een oplossing gevonden worden. Dat is dus niet gelukt. De VS vonden dat de uitvoer van die namaakmedicijnen enkel kan voor drie ziektes - aids, TBC en malaria - en enkel naar de allerarmste landen. De EU wil iets verder gaan en stelt een ruimere lijst van ziekten voor. De ontwikkelingslanden aanvaarden die beperkingen echter niet. ‘Terecht’, vindt ‘t Hoen. ‘We hadden dat gevecht in Doha al gewonnen en nu wil men opnieuw beginnen.’ (J.V.)

Globalisering en ongelijkheid


Neemt de ongelijkheid in de wereld toe door de globalisering ? Neen, schrijft de Zweed Johan Norberg in het boek ‘Leve de globalisering’. Hij baseert zich daarvoor in eerste instantie op onderzoek dat David Dollar en Art Kraay voor de Wereldbank verrichtten. Dollar en Kraay beweren daarin dat “globaliserende” landen als India en China grote economische groei kenden de voorbije tien jaar en er - omdat ze goed zijn voor meer dan 2,3 miljard mensen - bijna onder hun beiden voor zorgden dat de kloof tussen arm en rijk in de wereld, voor het eerst in 200 jaar, is afgenomen. En dus luidt de conclusie : globaliseren maar!
Uiteraard kwam er reactie op deze stelling. James K Galbraith -zoon van de weredberoemde econoom John Kenneth Galbraith- noemt het ‘buitengewoon’ dat China, India en Vietnam door Dollar en Kraay worden voorgesteld als globaliseerders die het grote gelijk van het Internationaal Muntfonds (IMF) en de Wereldbank bewijzen.
Galbraith stelt dat India en China juist landen zijn die hun eigen agenda volgen. Ze zochten contact met de wereldmarkt maar op hun eigen voorwaarden. Om te beginnen, kunnen China en India - omdat ze zo groot zijn - eisen stellen tegenover investeerders. Bovendien stelden ze hun kapitaalmarkten niet open en ontsnapten ze zo aan de financiële crises. Verder bleven ze hun markten beschermen tegen invoer. Dat blijkt uit onderzoek van Oxfam International. Die NGO meet de mate van globalisering niet af aan het aandeel van de export in het BNP, zoals Dollar en Kraay, maar aan de verlaging van invoerheffingen. Met dat criterium zijn niet China, Vietnam en India de grootste globaliseerders maar wel Zambia, Haiti, Mali, Nepal en Colombia. Niet meteen economische succesverhalen.
Dit soort discussies is zelden vrijblijvend. Ze kunnen bijvoorbeeld worden gebruikt om het IMF-beleid te ondersteunen dan wel te bekritiseren. In dat geval is het cruciaal om na te gaan of de succesvolle globaliseerders landen zijn die het IMF-beleid hebben uitgevoerd. Het antwoord daarop kan maar zeer ten dele bevestigend zijn. Galbraith vraagt zich smalend af waar de echt goeie IMF-leerlingen als Argentinië en Rusland blijven. Globalisering is in feite een te vage term om de goeie en slechte presteerders van elkaar te scheiden. De hele vraag is: hoe globaliseer je? Als de ervaring al iets leert, dan wel dat landen zelf meestal het best kunnen inschatten wat goed voor hen is. Dus: ja, de inkomensongelijkheid tussen landen is afgenomen omdat een aantal zeer volkrijke landen een zinnig beleid hebben gevoerd waarvan een weloverwogen “entree” op de wereldmarkt deel uitmaakte. En nee, alle grenzen open gooien en goede maatjes zijn met het IMF, is geen garantie op succes. (jv)
[Wie meer wil lezen over het toenemende belang van India en China op het wereldtoneel, kan daarvoor terecht in Twee ontwakende reuzen: China en India, de jongste uitgave in de serie NoordZuid Cahiers. Te bestellen op info@mo.be. Ongeveer 140 bladzijden, 14,75 euro.]

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur