Op zoek naar identiteit in Zuid-Afrika

Wie zijn wij?

In 1994 sloeg Nelson Mandela met zijn staf op de rotsen van de Tafelberg en er stroomden hoop en wederzijds begrip over velden waar tot dan enkel apartheid en militair geweld groeiden. Het vervloekte land van blanke overheersing en zwart verzet werd het laatste Beloofde Land van de twintigste eeuw.

CC BY 2.0 Nico Roets

Op 27 april 1994 sloeg Nelson Mandela met zijn staf op de rotsen van de Tafelberg en er stroomden hoop en wederzijds begrip over de Zuid-Afrikaanse velden waar tot dan enkel apartheid en militair geweld groeiden. Het vervloekte land van blanke overheersing en zwart verzet werd het laatste Beloofde Land van de twintigste eeuw. Zo wil het tenminste de mythe.

De werkelijkheid van Zuid-Afrika is er echter niet één van melk en honing, maar van toenemende misdaad, dodelijk geweld en blijvende uitsluiting. Temidden van de moeizame oefeningen in vernieuwbouw proberen Zoeloes, Xhosa’s of Venda’s te ontdekken hoe ze hun etnische tradities creatief en eigentijds kunnen hanteren. De kinderen van Bobbejaan en Sarie Marys worstelen met het beschamende verleden van hun ouders en proberen voor zichzelf toch nog een plaatsje te vinden in het veranderde landschap.

Afstammelingen van Maleisische en Indische migranten, van Britse kolonisatoren en van recent ingeweken Afrikanen: iedereen lijkt zichzelf opnieuw te moeten uitvinden. ‘Wie zijn wij?’ is een vraag die dagelijks in minstens elf erkende talen weerklinkt.

Scène één. Het landschap als zelfportret

Johannesburg is een miljoenenstad die over verschillende heuvels en valleien uitgespreid ligt. Ik logeer in Troyeville en mijn slaapkamer heeft een schitterend uitzicht op de skyline van centraal Johannesburg: van de woontorens van Hillbrow tot de kantoortorens van Braamfontein. Recht voor mij zie ik de hoge, ronde woontoren die de inwoners van Johannesburg omdoopten tot ‘Kinshasa’ of ‘Lagos’.

‘De skyline van Johannesburg geeft je het antwoord: wij zijn de zoveelste verovering van het wereldwijde kapitalisme.’

Tienduizenden Afrikanen zochten de afgelopen jaren een weg naar de hoop en belandden zo in Johannesburg. Vaak tot grote ergernis van de Zuid-Afrikanen. Blank én zwart. Bobby, de gastvrouw die freelance journalistiek werk doet en tussendoor toneelgezelschappen begeleidt, toont me het hele panorama en geeft hier en daar een beetje commentaar. Over de vergane glorie van Hillbrow. Over de universiteit van Witwatersrand die in Braamfontein voor wat jong en bruisend leven zorgt. Intussen flikkert, bovenop Kinshasa, in een enerverend ritme een reusachtige Coca Cola-reclame. De enige lichtreclame die van op deze heuvel zichtbaar is.

‘Veertien miljoen rand (zowat 70 miljoen BEF) zou de Coca Cola Company ervoor betaald hebben’, zegt Bobby, ‘en wat erger is: niemand protesteerde toen het onding geplaatst werd. Indien je je afvraagt wie wij zijn, wie de ‘nieuwe Zuid-Afrikanen’ zijn, dan geeft de skyline van Johannesburg je het antwoord: wij zijn de zoveelste verovering van het wereldwijde kapitalisme. Wij zijn gepromoveerd tot consumenten van fastfood en softdrinks, van Hollywoodfilms en Spice Girls. Wij zijn figuranten in een drama waarvan het script vastligt.’

Indien het landschap van Johannesburg een beeld geeft van de innerlijke aardrijkskunde van zijn bewoners, dan betekent dit meteen dat het zo goed als onmogelijk is om een ‘Zuid-Afrikaanse identiteit’ op te bouwen. Zuid-Afrika heeft immers een oneindige verscheidenheid aan landschappen. Grimmige binnensteden, uitgestrekte savannes, ruwe bergen en witte stranden: het zijn maar enkele van de basisvormen waaruit menselijke houdingen gesneden worden.

Scène twee. De dubbele erfenis van het verleden

Ik breng Pinksteren door in de theaterzaal van het Market Theatre Lab. Op de speelvloer passeren groepen jongeren uit het hele land met theaterstukken die ze vaak zelf geschreven hebben. Een groep uit Dundee koos voor een stuk waarin een Zoeloemeisje het hof gemaakt wordt door twee jongemannen: de ene een verstedelijkte en verwesterde intellectueel, de andere een vertegenwoordiger van de traditionele levenswijze van de Zoeloes.

Er wordt met veel overtuiging en sportieve inzet gedanst. De meisjes spelen met de borsten bloot, de jongens dragen de dierenhuiden met hetzelfde gemak als ze later die avond hun Nikes en hun XXL T-shirts dragen. De Zoeloeprins wint het pleit -natuurlijk- en dat is duidelijk naar de zin van het publiek, dat voor een goed deel bestaat uit de andere gezelschappen die deze namiddag optreden. Nochtans komen de noties traditionele waarden en gebruiken in het volgende stuk niet voor.

Een groep uit Soweto schetst in een aantal taferelen de sprong die het geweld in hun township gemaakt heeft van de donkere dagen van apartheid naar de angstige dagen van het nieuwe Zuid-Afrika. In plaats van traditionele huwelijksdansen worden ditmaal verkrachtingsscènes en overvallen gesimuleerd. In plaats van overgeleverde liederen brengen de jongeren uit Soweto een mix van rapmuziek en protestliederen.

‘Het resultaat van de onderdrukking - en wellicht ook de bedoeling - was dat wij onszelf gingen haten.’

Presentator-organisator van het theaterfestival, Pule Hlatshwayo, zegt dat jongeren in het hele land laveren tussen deze twee realiteiten: enerzijds het romantische verlangen naar een duidelijke, etnische identiteit en anderzijds het gevecht om in de stedelijke wereld van vandaag het geweld te overleven.

‘Zowel het ene als het andere is een erfenis van de apartheid’, zegt Zuid-Afrika’s topfotograaf Peter Magubane. Tijdens de jaren zeventig en tachtig was hij één van de kunstenaars die de realiteit van de apartheidsstaat in onloochenbare beelden aan de buitenwereld toonde. Einde mei publiceerde hij zijn recente werk in een fotoboek over de ‘verdwijnende culturen van Zuid-Afrika’.

De ommezwaai van politiek naar antropologisch werk is het resultaat van zijn eigen, langzame bewustwording van de effecten van de apartheid op zijn zelfbeeld. ‘De wetten verplichtten ons steeds een pasje bij ons te dragen. We moesten de steden tegen de avond verlaten. We werden van het vruchtbare land verdreven naar dorre streken. Hoezeer de apartheidsregering zich ook inspande om de onderdrukking te verkopen als een zaak van culturele ontwikkeling, het resultaat - en wellicht ook de bedoeling - was dat wij onszelf gingen haten. Zwarten werden geminacht door blanken, maar zwarten verachtten ook hun eigen Afrikaanse tradities. Dus waren mensen uit de townships vaak beschaamd voor hun volksgenoten op het platteland, die ze - met de woorden van de blanken - ervan beschuldigden primitieve gewoonten en achterlijke gebruiken in stand te houden.’

‘Stilaan ontwaken wij uit de verdoving. Daarmee groeit echter ook de pijn om wat verloren gegaan is. Want vijftig jaar apartheid en honderden jaren verdrukking door Engelsen en Afrikaner Boeren zijn niet meer goed te maken. Al zijn veel tradities op het platteland nog verrassend springlevend en al slagen veel zwarte stadsbewoners er nog steeds in om hun verstedelijkte leven te verbinden met hun rurale wortels.’

Scène drie. De vreemdeling is hier thuis

Links van Pretoria Main Road ligt Sandton, één van de meest chique wijken van Johannesburg. Ruime huizen en groene tuinen verbergen zich achter hoog opgetrokken muren die afgewerkt zijn met ingemetselde glasscherven en prikkeldraad. Ongenode gasten worden gewaarschuwd dat de bewoners een ‘gewapend antwoord’ voor hen in petto hebben.

Rechts van Pretoria Main Road ligt Alexandra, een wijk die in zowat alles het perfecte tegengestelde is van Sandton. De nationale gemiddelden voor seksueel geweld, gebrekkige huisvesting, armoede en werkloosheid volstaan niet om de uitzichtloosheid van Alexandra te beschrijven. De huizen zijn meestal krappe krotten. De straten zijn slecht onderhouden. De verplaatsbare toiletten zijn stuk. Alleen mannen gebruiken ze nog om er tegen te plassen.

De Realogile High School ligt aan de verkeerde kant van de weg: in Alexandra. Hier merk je niets van de pogingen die de regering onderneemt om zwarte en blanke kinderen in gemengde scholen samen te brengen. Geen enkele blanke ouder, ongeacht de politieke overtuiging, haalt het in zijn hoofd om zijn kind in dit inferno naar school te sturen.

De 1500 leerlingen van Realogile zijn jongeren die geen keuze hebben. Ze wonen in Alexandra en hun ouders hebben het geld niet om hen aan de overzijde naar een school met meer middelen te sturen. Ze zitten met zeventig in één klaslokaal, ze mankeren de meest vanzelfsprekende didactische hulpmiddelen, ze halen slechte resultaten.

Toch vond de directie 32 van deze leerlingen bereid om geregeld samen te komen om aan sociale actie te doen, om toneel te spelen, om naar elkaars verhalen te luisteren. In een levendige discussie over hun leven en hun dromen zijn deze jongeren het roerend eens over de stelling die één onder hen lanceert, namelijk dat elke blanke een vreemdeling is. In Alexandra, maar bij uitbreiding ook in heel Afrika.

Mijn tegenwerping dat sommige blanke families een Zuid-Afrikaanse geschiedenis hebben die teruggaat tot de dagen van Van Riebeeck in 1652 mag niet baten. ‘Een Afrikaan is een kind van dit continent en een blanke is een kind van Europa’, klinkt het categoriek.

De buitenstaander is de zondebok, omdat de eigen identiteit zo wankel is.

Als het erop aankomt de Afrikaanse eigenheid in te vullen, verdwijnt de eensgezindheid uit de groep. De ene zweert bij het belang van initiatieritussen, de andere verwerpt dergelijke gebruiken als voorbijgestreefd en ‘iets voor mannen in dierenvellen’. Eén van de meisjes is blij met de Amerikaanse investeringen, een andere beweert dat de verleiding van de globalisering juist veel dodelijker is voor de Afrikaanse cultuur dan de ijzeren hand van de apartheid.

Redetwistend bouwen deze jongeren, onbewust, aan één van de pijlers die hun nieuwe identiteit zal moeten schragen: zelfrespect. Zij hebben intussen geleerd dat het goed is een eigen mening te hebben. Zij leren hoe die te uiten en hoe ze moeten omgaan met meningsverschillen.

In Zuid-Afrika is iedereen op zoek. Naar een groep waartoe hij of zij behoort, maar in dezelfde beweging ook naar groepen die niet tot Zuid-Afrika behoren. Vreemdelingen, immigranten. Buitenstaanders die er al snel van beschuldigd worden de oorzaak te zijn van alle ontreddering die het Beloofde Land bedreigt. Afrikaners en Engelstalige blanken beschuldigen elkaar van het debacle van het verleden. Blanken wijten het geweld in de steden aan de recente toevloed van zwarte, werkloze bewoners. De zwarte stadsbewoners vertellen iedereen die het wil horen dat de misdaad en de drugshandel in handen zijn van Nigeriaanse en Congolese misdaadsyndicaten. De jongeren op Realogile High School denken dat het geweld in hun township veroorzaakt wordt door de immigranten die vrij massaal uit het platteland toekomen. De Zoeloe-meerderheid in KwaZoeloe-Natal wijst met een beschuldigende vinger naar de Indiërs. De ANC-meerderheid verwijt de Inkatha-partij van Zoeloe-leider Buthelezi dat ze het land destabiliseert. De buitenstaander is de zondebok, omdat de eigen identiteit zo wankel is.

Scène vier. De ware grootte van de verschillen

Op de binnenkoertjes van de Universiteit van Witwatersrand - ‘Wits’ voor vrienden - staan keuvelende studenten zoals ik me studenten altijd heb voorgesteld: met een stapeltje cursussen onder de armen en met een wat verdwaasde (verliefde? vermoeide?) blik in de ogen.

Op een zesde verdieping - Wits is een campus met véél gebouwen - tref ik een verkouden Charles van Onselen aan, motor achter het ‘Institute for Advanced Social Research’. Van Onselen leeft op gespannen voet met de pleitbezorgers van een ‘Afrika voor de Afrikanen’-ideologie. Die Afrikanisten verwijten hem dat hij zijn geprivilegieerde positie als blanke niet wil prijsgeven, ook al heeft hij een goede staat van dienst in de strijd tegen de apartheid. Van Onselen vindt dat de Afrikanistische ideologie vooral een poging is van een aantal zwarte intellectuelen om zich toegang te verschaffen tot machtsposities zonder de moeilijke weg van de academische prestaties te gaan.

Uit zijn veldonderzoek in Transvaal en in de Vrijstaat blijkt dat de feitelijke culturele verwevenheid van blanke boeren en zwarte landarbeiders op het platteland veel groter was en is dan blank of zwart wil toegeven. ‘De wederzijdse afhankelijkheid was zo groot op de geïsoleerde boerderijen, dat mensen wel verplicht waren om naar elkaar toe te groeien, al was er nooit sprake van gelijkheid. De boer leerde Sotho, de landarbeider sprak de Afrikaner taal van zijn baas. De verschillen in christelijk geloof verdwenen bij ziekte of rampen: dan werd er samen gebeden. De blanke boeren inviteerden zwarte sangoma’s om goede oogsten af te smeken. Je merkt zelfs aan de kleding dat blank en zwart in dezelfde omstandigheden moesten overleven.’

De tegenstellingen ontstonden - of kwamen weer boven water - zodra boeren of landarbeiders uit de beslotenheid van de boerderij traden. Dan werd de nadruk gelegd op de verschillen en niet op samenwerking of op het wederzijds respect. In de buitenwereld voelt elkeen blijkbaar de behoefte om zich te onderscheiden van de buur met wie hij meestal - hoe ongemakkelijk ook - samenleeft.

‘Zuid-Afrikanen zijn verslaafd aan het produceren van ideologieën’, beweert Van Onselen, ‘en de factor ras of etnie in de identiteit van een mens is hier gedurende eeuwen zodanig overbenadrukt, dat je niet kan verwachten dat het rassenargument zomaar meteen verdwijnt. Spijtig.’

Apartheid is voor Zuid-Afrikanen het onvermijdelijke landschap waarin ze zoeken naar zichzelf en vaak is het zelfs het meest belangrijke fundament van hun zelfbeeld. Wat Auschwitz is voor de joden, is de apartheid voor de Zuid-Afrikanen. Dat stelt vooral grote problemen voor de Afrikaners. Aartsbisschop Tutu’s Waarheidscommissie maakt het voor hen bovendien onmogelijk om de gruwelen van het apartheidsregime nog langer te ontkennen. De beulen en de huurmoordenaars, de clandestiene wetenschappers en de militaire oversten komen allemaal op de proppen met verhalen die bevestigen wat de zwarte meerderheid al zo lang wist: apartheid was een langzame en bewuste sluipmoord op de niet-blanke Zuid-Afrikanen. Toch moeten ook de stelle bossche kerels met hun cultuur van braaivleis en boeremusiek ingeschakeld worden in de opbouw van een nieuw en gezamenlijk vaderland. Zoals de Afrikanen hun opgelegde zelfhaat moeten ontgroeien, zo zullen de Afrikaners hun schaamte moeten erkennen en bekennen om tot een positieve bijdrage in staat te zijn.

‘Er komt geen gemoedsrust / zolang we onszelf vergeten / de monsterlijke ramp / van een stervende trots / zal de geest zijn die rondspookt / in ons bestaan.’ Regels die Sandile Dikeni schreef als ‘angry young poet’ in de jaren tachtig. Tien jaar later leeft en schrijft hij in een ander land, een Zuid-Afrika waar alles kantelde en tegelijk niets veranderde. ‘De etnische identiteiten waarnaar vandaag zo gretig wordt teruggegrepen, zijn geen valabele sporen naar de toekomst’, zegt Dikeni. ‘Ze versterken alleen maar de bestaande vooroordelen. Zoeloes zijn dan agressief, Xhosa’s onbetrouwbaar en Ndebele’s weerspannig. Wie heeft daar nu wat aan? Laten we de realiteit onder ogen zien: Zuid-Afrikanen zijn fundamenteel schizofreen en leven in twee of meer culturele werelden tegelijk. Dat is ons culturele landschap. We moeten die grote diversiteit behouden, in taal, in cultuur, in visie.’ De dichter benadrukt het belang van de taal, maar kan toch maar weinig sympathie opbrengen voor de schrik van de Afrikaner-gemeenschap dat haar mooie taal weggedrukt zal worden door het Engels. ‘De Afrikaners hebben alle mogelijkheden en materiële middelen om hun taal te verdedigen. De talen die écht gevaar lopen, zijn Venda of Khoisan. Ik hoop dat de regering blijft investeren in alle talen die ons land rijk is.’

Scène vijf. Taal is een strijdtoneel

Er zijn heel wat bioscopen in Johannesburg. Allemaal draaien ze dezelfde, Amerikaanse films. Tijdens mijn verblijf staat er één Afrikaanse film op het programma van één bioscoop, in het rijke en blanke Sandton. We kijken met z’n vijven naar ‘Fools’ van regisseur Ramadan Suleman, een poging om het leven in de township ongecensureerd weer te geven. Film is minder populair dan tv in Zuid-Afrika en Zuid-Afrikaanse producties moeten het duidelijk afleggen tegen commerciëlere producten als Deep Impact of Good Will Hunting.

‘De plaats waar het meest getimmerd wordt aan de nieuwe culturele identiteiten’, zegt professor Van Onselen, ‘is in de media. Daar wordt het beeld getoond waaraan jonge Zuid-Afrikanen zich willen spiegelen. De beelden, de woorden en de symbolen die ontstaan op het kleine scherm komen echter niet uit Soweto of Alexandra noch uit de uitgestrekte binnenlanden van Zuid-Afrika. De nieuwe culturele taal wordt ingevoerd vanuit de VS. De iconen van de jongerencultuur zijn Amerikaanse popsterren.’ En inderdaad, de jongeren met wie ik sprak in Johannesburg en Durban citeren als hun idolen: Mariah Carey, Whitney Houston, Wu Tang Clan, Boyz II Men.

Palesa ka Letlaka stopt haar dreadlocks onder een hoge, ietwat clowneske want slappe, hoed. Zij heeft de periode van apartheid en strijd doorgebracht in het buitenland. Nadat De Klerk het ANC wettelijk toeliet, keerden haar ouders terug uit verbanning en Palesa kwam mee.

‘Een zwarte die zich waagt in een traditioneel blank territorium zoals de media, de bankwereld, het parlement, moet zich aanpassen.’

Ze bewoont de plaats waarnaar Van Onselen verwijst: de media. Letlaka maakt documentaires en films en weigert zich te plooien naar de eisen van de politieke correctheid. ‘Wie heeft de middelen en de mogelijkheid om een eigen voorstelling te maken van de eigen ervaring? Niet de zwarte meerderheid. Alleen al het feit dat ik als zwarte vrouw films maak, is een daad van verzet, al hou ik er eigenlijk niet van om het nog in die termen te stellen. Daarom weiger ik de agenda van anderen uit te voeren. Mijn werk is mijn handtekening. Bevrijding betekent voor mij de vrijheid om géén politieke films te moeten maken.’

Palesa ka Letlaka is het grotendeels eens met Van Onselen wat betreft de vervreemdende werking van tv. ‘De presentatie van de programma’s gebeurt momenteel in een soort gesteriliseerd Engels, een taal waaruit de ritmiek en de kleuren van de Afrikaanse talen geweerd worden. Wat nog maar eens bewijst dat een zwarte die zich waagt in een traditioneel blank territorium -zoals de media, de bankwereld, het parlement- zich moet aanpassen. Het is het oude verhaal van Robinson Crusoë en Vrijdag’, zegt Letlaka, ‘het is nog steeds Vrijdag die de communicatie mogelijk maakt door de taal van de aangespoelde blanke te leren, niet andersom.’

‘Taal is vandaag een plek waar de strijd om identiteit geleverd wordt. In een taal worden ervaringen van voorbije generaties opgeslagen en doorgegeven. Een taal biedt het kader waarbinnen mensen hun eigen realiteit kunnen begrijpen. De kosmologie en de moraal van de Tswana’s zijn nooit helemaal vertaalbaar in het Engels. En zeker niet in het globale Engels van de internationale babbelcultuur van vandaag. Wie toegang heeft tot een andere taal, krijgt ook toegang tot een andere ervaringswereld, een andere wereldvisie. Andersom is het verdringen van een bestaande taal niet veel anders dan het ontkennen van de legitimiteit van de culturele traditie die erin vervat zit.’

Scène zes. Hoe twee naties één land worden

Geen landschap zonder herkenningspunten. Kaapstad heeft de Tafelberg nodig om zichzelf te zijn, Johannesburg de Kinshasa/Lagos Toren en wellicht zelfs de Coca Cola-reclame er bovenop. Zo heeft de strijd tegen de apartheid ook z’n monumenten voortgebracht. President Nelson Mandela, uiteraard. Maar ook Desmond Tutu, Nadine Gordimer, Steve Biko, Chris Hani, Beyers Naudé.

Deze laatste is een Afrikaner die lang vóór 1994 de apartheid verwierp. Hij is 83 geworden, maar blijft onvoorstelbaar helder en vechtlustig. Bij het begin van het gesprek bevestigt hij de hoogdringende behoefte aan een nieuwe identiteit, tegen het einde vraagt hij om zeker goed te noteren dat de moeilijkste problematiek van Zuid-Afrika niet gelegen is in de botsing van culturele identiteiten. ‘De tegenstelling die er echt toe doet, is die tussen arm en rijk. Die kloof vergroot nog, nu Zuid-Afrika ingeschakeld wordt in een wereldeconomie die ons vroeger uitsloot. Als we in de toekomst een rassenconflict riskeren, dan ligt daar de oorzaak.’

Thabo Mbeki, momenteel vicepresident en volgend jaar de opvolger van Mandela, richtte zich op 29 mei met eenzelfde waarschuwing tot het parlement. Hij vergeleek de moeilijke verzoening tussen de verschillende groepen in Zuid-Afrika met het éénmakingsproces in Duitsland. ‘Ons land is verdeeld in twee naties’, zei Mbeki. ‘De ene natie is blank en betrekkelijk welvarend. Zij heeft een sterk ontwikkelde economische en fysieke infrastructuur. Onderwijs en communicatie zijn er goed uitgebouwd. De andere, grotere natie in Zuid-Afrika is zwart en arm. Vooral de vrouwen op het platteland hebben het zwaar te verduren. Deze natie kreunt onder de abominabel slechte infrastructuur en heeft de middelen niet om haar theoretische recht op gelijke behandeling af te dwingen.’ De verwijzing naar de Duitse hereniging diende om de blanken meer bereidheid te vragen om financieel bij te dragen aan de ontwikkeling van de zwarte natie. Opmerkelijk is dat Mbeki geen gewag maakt van de ‘regenboognatie’, de geliefde beeldspraak van Mandela en Tutu. Thabo Mbeki is geen visionair, maar een pragmatisch politicus die ziet wat er onder zijn ogen gebeurt. Daarom ziet hij zijn land nog steeds in zwart/wit en niet in multicolor en panavision.

Beyers Naudé steunt de voorstellen van Mbeki voor een ‘heropbouwtaks’, al is hij er van overtuigd dat er meer nodig is dan geld om de kwetsuren, de verdeeldheid, de pijn en het verzet uit het verleden te overstijgen. Om dat proces van heling te bespoedigen, hebben de kerken een heel belangrijke taak, vindt ‘Oom Bey’ -het koosnaampje voor Beyers Naudé. In Durban begint een ander monument te glimlachen als ik het hem vertel. Het is altijd leuk om van een oude strijdmakker zo’n voorzet te krijgen. Aartsbisschop Dennis Hurley doet dan wat van een kerkleider verwacht kan worden: hij prijst de Afrikaanse zin voor gemeenschap als uitweg uit de impasse van vandaag. Die ‘Ubuntu’ is een mantra die in kerkelijke kringen zo vaak herhaald wordt, dat het achterdocht opwekt. Maar mgr. Hurley doet ook het onverwachte. Steeds weer verwijst hij naar het belang van Steve Biko en van de zwarte bewustzijnsbeweging. ‘Het was Biko met zijn beweging voor een positief zwart zelfbewustzijn die de kerken bekeerd heeft’, zegt Hurley. Ook in de kerk leeft duidelijk het besef dat de opbouw van een nieuw land maar kan gebeuren door mensen die zichzelf graag zien en die trots kunnen zijn op hun eigen groep, volk of cultuur.

‘Bewapen me met een geweer / dat bewustzijn spuwt / wikkel me in een uniform / van waakzaamheid / reik me een speer aan / opdat ik door mijn tekorten heen zou stoten / geef me een snel paard / zodat ik de tijd kan vatten voor hij mij ontglipt / geef me een lied / geef me mijn waardigheid / geef me gewoon mijn land’, schreef de dichter Sandile Dikeni. De kracht van het geloof in eigen kunnen en het bewustzijn van de schoonheid van de eigen tradities: het refrein komt telkens weer. Om uit dat moois te kunnen putten, moet je behoren tot de groep die haar eigen bronnen kent en er toegang toe heeft. ‘En dat is vaak niet het geval’, zegt mgr. Hurley, ‘zwarte én blanke jongeren delen enkel de onzekerheid over hun toekomst en over hun identiteit. Het verdwijnen van de oude zekerheden ondergraaft hun natuurlijke weerbaarheid en maakt hen tot kwetsbare spelers in een onbekend stuk.’

Wie zijn wij?

‘Wie ben ik?’, is een vraag die elke jongere zich op een bepaald moment stelt en die beantwoord wordt door te zoeken naar de grens tussen zichzelf en de nabije anderen: de ouders, de leerkrachten, de vrienden. Een mens definieert zichzelf namelijk niet op de eerste plaats van binnenuit, maar door te formuleren wat hem anders maakt dan de anderen.

Leila Houari, enkele jaren geleden nog een vaste stem in Wereldwijd, ziet de identiteit van een mens als een bladerdeeg die alleen maar vorm en smaak krijgt door verschillende lagen over elkaar aan te brengen: taal, sociale klasse, afkomst, religie, scholing. Rik Vanmolkot, medewerker van het project Brussel 2000 (Culturele Hoofdstad), denkt er ook ongeveer zo over: ‘Een identiteit is een biografie’, zegt hij, ‘het is een soort optelling van ervaringen uit je eigen verleden en uit het verleden van je omgeving. Tegelijk betekent het dat een identiteit in voortdurende beweging is. Ze groeit dag na dag.’

Mensen hebben behoefte aan collectieve identiteiten: ‘Wie zijn wij?’ of ‘Tot welke groep behoor ik?’ zijn, zeker in deze van onzekerheid en veranderingen stijf staande tijden, belangrijke vragen. Vanmolkot vindt het dan ook moeilijk om aan te geven wat ‘een Vlaming’ nu precies is. Toch identificeren mensen zich als Vlaming, of als Zoeloe, Bask, African-American, Chinese Filipino, Inuit. Welke inhoud hebben zulke culturele identiteiten?

Ludo Abicht verwijst in De Standaard van 11 juli naar de Franse filosoof Alain Finkielkraut: ‘Hij beschouwt identiteit als een gegeven waar je verder niet meer over hoeft na te denken. Iets vanzelfsprekends, van waaruit je de wereld kunt verkennen.’ Finkielkraut spreekt natuurlijk vanuit een grote, zelfbewuste en erkende ‘culturele identiteit’: de Franse / francofone. De zaken liggen toch iets minder eenvoudig voor kleinere, voor hun erkenning vechtende culturele groepen als Vlamingen, Tibetanen, Azeri’s.

Een cultuur, zegt de Palestijnse muziekfilosoof Habib Hassan Touma, baseert zich op drie grote pijlers: taal, godsdienst en traditie. Taal is vaak een belangrijk element van een culturele identiteit. Vlamingen hoeven daarbij geen tekeningetje. Het verhaal van Zuid-Afrika toont aan hoe gevoelig het respect voor de verschillende talen ligt — én hoe moeilijk het is om die culturele verscheidenheid te handhaven in een wereld die ook op vlak van taalgebruik de neiging heeft om te uniformiseren.

Hoe belangrijk godsdienst kan zijn als basiselement voor een cultureel toebehoren wordt duidelijk in Noord-Ierland, Kasjmir of Sri Lanka. In België geldt eerder de houding tegenover godsdienst, dan wel de specifieke kerk waartoe men al dan niet behoort, als identiteitsvormend element. Het derde element van een culturele identiteit, volgens Hassan Touma, is een gezamenlijke geschiedenis. Een Guldensporenslag voor Vlamingen, een Mereldveldslag voor Serven, een Verdrag van Vereeniging voor Zuid-Afrikanen.

Geen enkel van de aangegeven elementen is — hoe belangrijk zo ook kunnen zijn- voldoende als invulling voor een culturele identiteit. Zo spreken Tutsi’s en Hutu’s dezelfde taal, delen Vlamingen en Walen in grote mate dezelfde godsdienst, hebben seculiere en fundamentalistische Algerijnen dezelfde geschiedenis. Taal, godsdienst en geschiedenis spelen op elkaar in en vormen telkens een andere, specifieke mix van mythes en overtuigingen, van waarden en houdingen.

Een element dat in de omschrijving van Habib Hassan Touma ontbreekt, is de toekomstverwachting. Zonder dat perspectief dreigt een culturele identiteit benaderd te worden als een afgesloten gegeven, een biografie van een overleden groep. Een levende identiteit is een proces dat op gang gehouden wordt door de verwachtingen en ambities voor morgen.

Dit perspectief voegt aan de ‘culturele identiteit’ de noodzaak toe om open en flexibel te zijn. De omschrijving van wat het betekent Vlaming, Sotho of Lao te zijn, kan niet enkel uit het verleden gehaald worden. In dat geval baseert men zich immers meestal op een arbitrair en aan de eigen behoeften aangepast moment in de geschiedenis. Zo’n gestolde definitie is wél nuttig om bepaalde groepen of mensen uit te sluiten, maar bijna onbruikbaar als het de bedoeling is een constructieve omschrijving te geven van de groep waartoe men behoort of wil behoren. De vraag ‘Wie zijn wij?’ wordt best beantwoord vanuit de vraag ‘Wie willen wij worden?’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur