"Wij zetten ook niet alles in de gazet"

Begin juni stelt 11.11.11, de koepel van de Vlaamse Noord-Zuidbeweging, zijn beleidsrapport voor. Dat is zo de traditie, en dit jaar zal het niet anders zijn. Bij die gelegenheid legde De Wereld Morgen staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking Eddy Boutmans (Agalev) alvast enkele vragen voor. John Vandaele en Stef Boogaerts konden vaststellen dat de staatssecretaris het belangrijker vindt dat het buitenlands beleid van de paars-groene regering-Verhofstadt progressief is dan dat de Groenen in het zonnetje kunnen staan.
Kamerfractieleider Dirk Van der Maelen (SP.A) stelt dat de structuren van het Belgische Noord-Zuidbeleid – de Belgische Technische Coöperatie (BTC) die het beleid uitvoert, en de administratie DGIS – nog altijd niet goed functioneren. Hij vindt dat het grootste gebrek van uw beleid. Akkoord?

Eddy Boutmans: Ik heb van in het begin gezegd dat het opzetten van nieuwe structuren bijzonder veel energie opslorpt. Toen ik hier begon, was alles nieuw. Eerlijk gezegd, na zes maand op deze job dacht ik: binnen twee jaar ligt die hele administratie totaal op haar gat. De BTC was nog niet eens begonnen en bij DGIS liep de frustratie en de onzekerheid over de toekomst er zo af. Ik vind het dus een klein mirakel dat we nog aan ontwikkelingssamenwerking doen, en er zelfs in geslaagd zijn de achterstand in te halen.

Van der Maelens kritiek is dat er veel spanningen in het BTC-directiecomité zijn.

De BTC is een autonome vennootschap. Er wordt niet verwacht dat ik dat bestuur. Juist daarom is de BTC opgericht.

U en uw partij waren tegen de regionalisering van de ontwikkelingssamenwerking (nvdr: de overheveling van een deel van de federale hulpbevoegdheden naar de gewesten). Toch is die erdoor geduwd – als we de verhalen mogen geloven – terwijl minister Magda Aelvoet (Agalev) een uiltje aan het knappen was tijdens de nachtelijke Lambermontonderhandelingen.

Ik heb meteen gezegd dat ik dit een slecht idee vond: versplintering van de hulp, ineenstorting van de administratie, verlies van geloofwaardigheid in het buitenland … We zijn er dan in geslaagd een wet te maken die minder ver ging dan het oorspronkelijke Lambermontakkoord. Nu is er een intergouvernementele werkgroep die de wet, in overleg met de direct betrokkenen uit de sector, moet concretiseren. Ik heb maar één doel: hoe kunnen we de internationale solidariteit zo doeltreffend mogelijk organiseren?

U had ook kunnen zeggen: dit is zo slecht dat we de regering hierover laten vallen …

In deze regeringsperiode heb ik nog een hefboom om ervoor te zorgen dat er geen al te slechte oplossingen tot stand komen.

Hadden de Groenen niet kunnen zeggen: wij willen dit niet?

Met mij zal er niets worden geregeld waar ik niet kan achter staan. Na nieuwe verkiezingen hebben we geen zekerheid. Ik probeer de zekerheid die we nu nog hebben, zo goed mogelijk te benutten.

Wat is ‘goed genoeg’? Waar ligt de grens voor u?

Als ik u dat zou zeggen, zou ik wel zeer dom zijn. Mijn strategie is uiteraard aangepast aan wat ik kan bereiken. Wie mij kent, weet dat mijn marges klein zijn.

Waarom is dit geen breekpunt geweest? U had kunnen zeggen: wij vinden dit zo dwaas. Daar werken we niet aan mee. Een regering die een efficiënter openbaar bestuur wil, gaat zijn internationale samenwerking toch niet in zes stukjes hakken.

Geloof me: de wet had er anders uit gezien indien er geen breekpunten waren geweest.

Wij hebben nooit van breekpunten horen spreken …

Nee, maar wij zetten ook niet alles in de gazet.

Hoe staat het nu met dat dossier?

De werkgroep komt om de twee weken bijeen en probeert het eens te worden over de manier waarop de sector van de ontwikkelingssamenwerking zal worden geraadpleegd.

Moet dat overleg nog starten? Dit lijkt erg op een operatie-diepvries …

Toch niet wat mij betreft.

Waarom vordert het dan zo traag?

Omdat niet iedereen de sector er even nauw wil bij betrekken. Het is duidelijk wat de sector denkt. Sommigen willen dus liefst niet dat die ideeën te veel aan bod komen en willen dus niet nog maar eens herhalen dat regionalisering een slechte zaak is.

Wie zit er in die werkgroep?

Alle partijen in de federale regering hebben er een mannetje, Vlaanderen twee, Wallonië twee, en tot slot de Duitse gemeenschap en het Brussels gewest elk een.

Eisen alle regionale vertegenwoordigers een deel van de ontwikkelingskoek op?

Dat valt mee. De Duitse gemeenschap en Brussel zijn niet echt vragende partij.

Woordvoerder Dirk Depover: Brussel heeft de ontwikkelingshulp niet nodig om bekend te zijn in het buitenland. Dat ligt heel anders voor Vlaanderen en Wallonië: zij willen met die hulp overal hun vlag planten.

Te genuanceerd voor de media

De lotgevallen van de Bijzonder Evaluator dan. Even leek het erop dat De Belders eerste evaluatierapport, dat nochtans erg genuanceerd was, in de media werd vertaald als een verhaal over witte olifanten. En negatief zou afkleuren op u …

Op een zondag werd ik uit mijn bed gebeld met de boodschap dat ik dringend iets moest doen omdat er zoveel negatieve, maar verkeerde berichten verschenen over het evaluatierapport. We hebben dat dan proberen recht te trekken, maar eigenlijk zou evaluatie daarover niet moeten gaan.

Moet u niet proberen de communicatie daarover meer te sturen zodat het debat niet op een dwaalspoor belandt?

Depover: Dat rapport was al drie maand voordien naar alle redacties gestuurd. We hebben vele journalisten gebeld met de vraag daar nu eens iets over te schrijven, maar er gebeurde niets mee. Maar na dat nachtelijk Belga-bericht met allerlei onzin in, kreeg ik zeker tien telefoontjes met de vraag: ‘Dirk, mag ik dat rapport hebben?’ Waarop ik antwoordde: er liggen al vier exemplaren op uw redactie! Ik kreeg zelfs een telefoontje van een belangrijk duidingsprogramma op tv: ‘O, we gaan daar iets over doen, bezorg mij gauw dat rapport!’ Ik doe dat, laat de chauffeur het rapport bij de openbare zender afleveren en een uur later belt die redacteur terug: ‘Ja, maar het rapport is zo genuanceerd. We gaan daar toch niets over brengen.’ Zo werken de media.

Het is dus moeilijk om zo’n technisch rapport op een evenwichtige manier te laten bespreken in de media?

Dat is zo. Dat zal De Wereld Morgen ook wel ondervinden. Internationale solidariteit is niet iets waar je massale aandacht voor krijgt, tenzij er grote schandalen bij betrokken zijn.

Ander heikel punt: wanneer komt er een opvolger voor de ontslagen Bijzonder Evaluator De Belder?

Ik zou graag ten laatste in de herfst een nieuwe evaluator hebben.

Beleid of imago

11.11.11-voorzitster Mieke Molemans vindt dat u doet wat men van een staatssecretaris mag verwachten, maar ook niets meer. Veel mensen vragen zich dat wellicht af: maakt Boutmans het verschil? In deze regering profileren zowel premier Guy Verhofstadt (VLD) als minister van Buitenlandse Zaken Louis Michel (PRL) zich op de klassieke Noord-Zuidthema’s. Zij bezetten het terrein dat Réginald Moreels (ex-CVP) in de vorige regering voor zich opeiste.

In de vorige regering was er géén buitenlands beleid – behalve Europa. Nu is er wel één en bovendien trekt de premier het zich nog aan. Ik ben daar niet ongelukkig om. Het is beter dan dat de bewindsman op Ontwikkelingssamenwerking de enige is die zich voor het buitenland interesseert.

Vindt u het niet genant dat Verhofstadt met andersglobaliste Noreena Hertz op stap gaat?

Wat Verhofstadt twee jaar geleden zei, en wat hij nu zegt, denk je nu echt dat hij dat allemaal zou doen als hij niet met de Groenen in zijn regering zat?

De Verhofstadt van nu is iemand anders dan de neoliberaal van tien jaar geleden?

Ja, je kan daar toch moeilijk naast kijken. Na zijn eerste uitspraken over de andersglobalisten, (nvdr: naar aanleiding van de rellen tijdens de G8-top in Genua van juli 2001) hebben we direct gesignaleerd dat een premier geacht wordt niet enkel zijn eigen mening te geven, maar namens de regering moet spreken. Zeer snel is zijn visie dan gewijzigd. Na zijn open brief aan de antiglobalisten werd ik al door Nederlandse media gebeld omdat ze onze premier nogal revolutionair vonden … Nu zegt hij dat de andersglobalisten niet alleen de juiste vragen stellen, maar soms ook de juiste antwoorden geven …

En u hebt daarin een rol gespeeld?

Dat is nogal evident, wat niet wil zeggen dat hij daar zelf niet achter staat. Kijk, deze regering is 26 keer beter op het vlak van buitenlands beleid dan de vorige. In een algemeen klimaat van zware verrechtsing zetten we het meest progressieve beleid in vele jaren neer. Ik verzeker u dat de Groenen daar een niet onbelangrijke rol in spelen.

Ik wil dat graag geloven, maar in de beeldvorming …

Wat is het belangrijkste: het beleid of het imago?

Het beleid uiteraard, maar als diegene die ervoor zorgt dat het beleid zo is, zich daar onvoldoende kan op profileren, zal dat beleid op lange termijn ook niet blijven bestaan …

Ik denk dat deze regering duurzamer aan internationale solidariteit werkt dan de vorige regeringen. Dat uit zich misschien in weinig spectaculaire dingen.

Zoals?

Het feit dat het budget voor internationale samenwerking opnieuw stijgt, een aantal inhoudelijke heroriënteringen van de hulp plaatsvinden zoals op het vlak van milieu en aids-beleid, de aanzetten tot modernisering van onze samenwerking, … Waarover zou de echte discussie moeten gaan? Het uitbouwen van budgethulp, de absolute noodzaak dat de ontwikkelingslanden zélf de stuurman van hun beleid worden ten aanzien van een veelheid van donoren … daar ligt de grootste uitdaging. Daar werken we zeer hard aan. Er wordt algemeen erkend dat wij de donoren hebben bijeengebracht in de ondersteuning van het Rwandese gacaca-beleid (nvdr: rechtbanken volgens lokale rechtspleging ter ondersteuning van de genocideprocessen). En dat in een land waar de donoren over zo goed als niets akkoord gaan … Sommigen schrijven dat zelfs aan mijn persoon toe. Als u dan toch zo graag iets positiefs over mij wil schrijven … Zo hebben we ook heel hard geduwd aan een progressief Europees standpunt tijdens de ontwikkelingstop in Monterrey.

Naar verluidt was Verhofstadt daar de meest progressieve westerse leider.

Depover: Absoluut.

U zegt dus: kijk naar die resultaten! En of dat nu afstraalt op de Groenen of niet is onbelangrijk.

Iedereen weet dat ik geen tafelspringer ben. Ik heb ook niet die ambitie. Ik denk dat dit soort volgehouden en duurzaam werk wel degelijk wordt gewaardeerd door diegenen die de zaken wat beter volgen.
Depover: We hebben goede waarderingscijfers, maar slechte kijkcijfers.

John Vandaele


Drie bewogen jaren uit het leven van een Bijzonder Evaluator

Van het verhaal van de eerste Bijzonder Evaluator van de Belgische officiële ontwikkelingssamenwerking kan veel worden gezegd, maar niet dat het saai is. Een terugblik op drie bewogen jaren uit het leven van Etienne De Belder door John Vandaele.

U herinnert zich ongetwijfeld de jaren 1995-96 toen de hele Belgische ontwikkelingssamenwerking onder vuur kwam te liggen door de schandaalverhalen in de media. Een van de antwoorden op die crisis was de aanstelling van een Bijzonder Evaluator van de Internationale Samenwerking. Onder meer de toenmalige SP -– Kamerlid Dirk Van der Maelen in de eerste plaats – vocht hard voor zo’n onafhankelijke evaluator. Die kreeg als taak te onderzoeken of de Belgische officiële ontwikkelingssamenwerking doet, wat ze zegt te doen: armoede bestrijden en bijdragen tot een duurzame ontwikkeling. De evaluator gaat daartoe op het terrein, mag overal zijn neus insteken en brengt rechtstreeks verslag uit aan het federale parlement.
In mei 1999, op het einde van de regering-Dehaene II, werd Etienne De Belder benoemd als Bijzonder Evaluator. Omdat De Belder duidelijk een SP-signatuur droeg, was er meteen ook kritiek dat het om een politieke benoeming ging. Niemand trok echter in twijfel dat De Belder over de nodige academische kwalificaties voor de job beschikte.

Dossier raakt ‘zoek’
De Belder werd nog aangeduid door de regering-Dehaene, maar moest meteen functioneren onder het nieuwe paars-groene bewind, meer bepaald onder de minister van Buitenlandse Zaken Louis Michel (PRL). Erg vlot liep die verhouding niet. Zo ondervond De Belder grote moeite zijn dienst te bemannen. Wettelijk gezien heeft de dienst recht op een secretaresse, een attaché, een adjunct-adviseur en twee externe experts. Het eerste jaar moest De Belder het echter alleen doen. Daarom deed hij, met de zegen van het Rekenhof, een beroep op een extern bureau voor het administratieve werk. Pas na anderhalf jaar kreeg De Belder zijn vast personeelskader. De twee beloofde experts zijn er nooit gekomen. Naar verluidt omdat Michel andere mensen wilde dan De Belder. In november 1999 legde De Belder zijn kandidatenlijstje voor aan Michel die de contracten moest ondertekenen. Het dossier bleef echter tot mei 2001 ‘rusten’ op Michels kabinet. Pas toen ging de minister akkoord met De Belders kandidaten. Daarop werden de contracten voor advies doorgestuurd naar de Inspectie van Financiën waar het ook weer maanden aansleepte. Ondertussen hadden de voorgedragen kandidaten zich teruggetrokken. Als De Belder het dossier met de CV’s van de andere kandidaten opvroeg, bleek dat te zijn ‘zoek geraakt’ op het kabinet-Michel. Bovendien betichtte Christina Funes-Noppen (PRL), het nieuwe hoofd van DGIS (Directie-Ge-neraal Internationale Samenwerking, de administratie en opvolger van het vroegere ABOS) De Belder dat hij niet zuinig genoeg met het geld was omgesprongen. Hij zou zijn kinderen op kosten van de staat naar Tanzania hebben laten overkomen. Kritiek die nooit werd hardgemaakt, maar De Belder wel het leven zuur maakte.

Politiek ontslag
Halverwege 2001 kwam dan de klap op de vuurpijl. Het Rekenhof stelde vast dat bij De Belders benoeming de aanwervingsregels van de wet van 23 juli 1993 op de openbare benoemingen niet waren gerespecteerd – er was onvoldoende gespecificeerd aan welke criteria de evaluator moest voldoen – derhalve was de onafhankelijkheid van de evaluator niet langer verzekerd. Uiteindelijk besliste een commissie van topambtenaren, na advies van de juridische dienst van Buitenlandse Zaken, in februari 2002 dat De Belder effectief moest worden ontslagen. De Belder kreeg te horen dat hij “op 4 juli 2002 ‘s avonds” definitief moet vertrekken. De Belder erkent dat het Koninklijk Besluit van zijn aanwerving onduidelijk was, maar vraagt zich af “waarom alleen deze politieke benoeming wordt aangepakt”. Sp.a-fractieleider Dirk Van der Maelen zegt geen weet te hebben van de precieze omstandigheden van De Belders benoeming en wijt het probleem aan voormalig staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking Réginald Moreels (ex-CVP) die een onvolkomen KB zou hebben laten schrijven. Huidig staatssecretaris Eddy Boutmans’ (Agalev) hoofdbekommernis blijft dat er snel een nieuwe evaluator aan de slag kan, maar hij erkent dat dit niet voor de herfst zal lukken. Dat is niet goed voor zo’n jonge dienst die nog niet op routine kan teruggevallen. Zonder evaluator is de dienst lam. Feitelijk staat de dienst al enkele maanden op non-actief – het werd De Belder verboden nog nieuwe evaluaties op te starten.

Zonder de armsten
Al die herrie heeft De Belder niet belet te werken. Hij begon zijn taak bij wat alge-meen als een van de betere delen van de Bel-gi-sche officiële ontwikkelingssamenwerking geldt: het Belgisch Overlevingsfonds (BOF) dat investeert in geïntegreerde ontwikkelingsprojecten in achtergebleven regio’s. In een zeer academisch geschreven rapport besloot De Belder dat het Overlevingsfonds het niet slechter deed dan analoge projecten van andere donoren. Een eerste kritiek was wel dat 70 procent van het geld ging naar de uit-bouw van infrastructuur: zaadbanken, gezondheidsposten, waterputten – en te weinig naar investeringen in mensen. Daardoor betwijfelt De Belder of de hulp wel duurzaam is: wat baat het een gezondheidspost op te starten als de lokale gemeenschap hem niet kan beheren? Tweede belangrijke vaststelling was dat de hulp vaak de allerarmsten niet bereikt. Heel herkenbaar voor elkeen die ooit al een project bezocht: de lokale notabelen zijn het noodzakelijke aanspreekpunt, maar als je het niet bewaakt, is de kans heel groot dat zij en hun verwanten er ook de grootste begunstigden van worden. Anders gezegd: net als in de sociale zekerheid speelt ook in de ontwikkelingshulp het zogenaamde Mattheuseffect (waarbij hulp of sociale voorzieningen terechtkomen bij die groepen die het al relatief goed hebben). De Belder wees erop dat het ontwikkelingsmanna in die arme gemeenschappen vaak spanningen opwekt en de kloof tussen arm en rijk vergroot. De les daaruit: leer de samenleving waarin je met hulp tussenkomt, beter kennen.

Habitat
Een tweede evaluatierapport onderzocht drie projecten van ‘duurzame stedelijke ontwikkeling’ in drie steden van 200.000 inwoners in Kenia, Marrokko en Vietnam. Het programma werd uitgevoerd door Habitat, het VN-centrum voor Menselijke Nederzettingen, samen met het Leuvense Postgraduaat Centrum voor Menselijke Nederzettingen (PGCMN). De evaluatie stelde nogal wat gebreken vast. Aanvankelijk zou het project het lot van stedelijke armen verbeteren (via huisvesting, afvalophaling …), maar Habitat vertaalde dit naar stadsplanning en capaciteitsopbouw van administratief en politiek personeel dat betrokken is bij die planning. Hoewel DGIS meermaals vroeg naar de resultaten inzake armoedebestrijding, kwam er geen bevredigend antwoord. DGIS besliste ten slotte er minder geld voor uit te trekken, wat dan weer de voortgang van het project deed stokken. “Armoedebestrijding is daarbij wat uit het oog verloren”, erkent Koen De Wandeler, leider van het evaluatieteam. Liefst 36 procent van het budget, een klein miljoen euro, ging naar Habitat voor overhead- en personeelskosten – tweemaal het bedrag dat naar de drie steden zelf ging! Zelfs het Leuvense PGCMN vond dat de VN-lonen een te groot deel van de middelen opslokten. DGIS eiste en verkreeg van Habitat in 2000 een daling van de overheadkosten van 13 naar 10 procent.
Bij het lezen van het rapport kan je je alvast niet van de indruk ontdoen dat het bijzonder nuttig was dat het project werd geëvalueerd. Naar aanleiding van de evaluatie werd hevig gebakkeleid tussen alle betrokkenen. Maar dat heeft geleid tot bijsturingen en aanbevelingen voor de toekomst.

Klanten zonder stem
Een evaluatie moet immers niet enkel tekortkomingen ontdekken, maar ook en vooral de werking bijsturen. De Belder maakt zich sterk dat hij terzake goed bezig was: “Ik deed in mijn rapporten 150 aanbevelingen. Driekwart daarvan werd aanvaard door de uitvoerders op het terrein. Wat ik helaas door mijn ontslag niet meer zal kunnen doen, is controleren of die aanbevelingen ook op het terrein worden nageleefd.” Sommige parlementsleden zoals VLD-er Pierre Chevalier vroegen zich af of die dure evaluaties geen weggegooid geld zijn. De Belder vindt van niet: “De evaluatie van de projecten van het Overlevingsfonds hebben 20 miljoen frank gekost. Ze hebben echter betrekking op meer dan één miljoen mensen. Per hoofd van de bevolking kostte die evaluatie gemiddeld 18 frank. Dat lijkt me niet overdreven: het is tenslotte een manier om méér te doen met hetzelfde geld.”
Het belang van evaluatie ligt ruimer. Ontwikkelingssamenwerking is een proces waar onderweg zoveel kan mislopen, dat het transparantie nodig heeft zoals de aarde de zon. Anders dan bij andere openbare diensten zijn de ‘klanten’ geen Belgen die via de stembus kunnen laten voelen dat ze niet tevreden zijn over de dienstverlening, maar mensen op duizenden kilometer van hier zonder een stem in de Belgische politiek. Een evaluator de kans geven op een onbevangen manier overal zijn neus in te steken en daarover het parlement en de Belgische publieke opinie in te lichten, lijkt de enige manier om aan die structurele zwakte te verhelpen. Bovendien: verbetering is onmogelijk zonder feedback. Dat geldt in alle sectoren, maar zeker voor een moeilijke oefening als ontwikkelingssamenwerking.

Witte olifanten
Ondanks alle moeilijkheden heeft Etienne De Belder aangetoond dat externe evaluatie een onmisbaar instrument is. Alleen is gebleken dat het niet zo makkelijk is het thema op een evenwichtige manier in de media te brengen. Er was slechts matige interesse voor De Belders genuanceerde boodschappen. Alleen toen er weer ‘witte olifanten’ op het toneel verschenen, gingen de mediapoppen even aan het dansen. De Belder: “En als er geen witte olifanten zijn, gaan de media ze er desnoods bij fantaseren. Dat heb ik vastgesteld toen de openbare radio met mijn rapport uitpakte op een zondagvoormiddag: om 8 uur heette het nog dat er te weinig aandacht ging naar de armsten, om 9 uur waren het de grote bedrijven die een graantje meepikten en tegen de middag werd gewag gemaakt van … ‘witte olifanten’. Hoewel mijn rapport het daar gewoon niet over heeft.” Iedereen moet dus zijn steen willen bijdragen om van evaluatie van de ontwikkelingssamenwerking een succes te maken.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2643   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur