"Wij zijn geen normale mensen"

Jaarlijks migreren tienduizenden mensen uit het Oosten en het Zuiden naar de schijnbaar onuitputtelijke rijkdom van het Westen. In Embracing the Infidel beschrijft de Iraanse auteur Bezhad Yaghmaian de migranten die hij in Istanboel leert kennen als de volwaardige mensen die ze zijn: hoopvol, gedreven, maar ook teleurgesteld en moe.
Jaarlijks migreren tienduizenden mensen uit het Oosten en het Zuiden naar de schijnbaar onuitputtelijke rijkdom van het Westen. In Embracing the Infidel beschrijft de Iraanse auteur Bezhad Yaghmaian de migranten die hij in Istanboel leert kennen als de volwaardige mensen die ze zijn: hoopvol, gedreven, maar ook teleurgesteld en moe. Een uittreksel, met het verhaal van de Angolees Roberto en enkele slotbeschouwingen van de jonge Iraniër Kia: ‘De echte moeilijkheid van de tocht is een plek te vinden waar je een nieuw leven kan beginnen, waar je een kans krijgt, een mogelijkheid om te leven.’

Ontsnappen uit het moeras


Aksaray, een wijk in Istanboel, heeft twee gezichten. In het trendy stuk adverteren reclamepanelen de laatste mode en lachen glamour girls je meer dan levensgroot toe. In gerenoveerde gebouwen wordt Turkse en westerse merkenkleding verkocht. Andere winkels specialiseren zich in Russische, Bulgaarse, Roemeense of andere Oost-Europese lederwaren. Alles is er geprijsd in dollars en euros. Achter die façade, in de zijstraten van Aksaray, maken de boetieks plaats voor buurtwinkeltjes en verkopers met kar en paard. Dit is het oude Aksaray, met bouwvallige huizen, nauwe en donkere stegen, trappen en braakliggende bouwterreinen. Hier wonen de Roma, de Koerden en de arme Turken.
Aksaray heeft onwaarschijnlijk veel hotels en pensionnetjes. In de jaren tachtig onderhandelden migranten en mensensmokkelaars hier over een tocht naar Europa. De migranten kwamen Turkije binnen langs de zuidoostelijke grens en haastten zich meteen naar Aksaray. Daar huurden ze een kamer in de gekende hotels, dronken thee en gingen op zoek naar een mensensmokkelaar. Reizen was nog makkelijk, toen. De grenscontroles waren veel minder streng en Europa stond meer open voor migranten en asielzoekers.
Dat veranderde in de jaren negentig. Turkije probeerde de Europese Unie te overtuigen van zijn lidmaatschapsaanvraag en wou zelf ook af van de poreuze grens in het zuidoosten, dus werden de grenscontroles versterkt. Migranten en mensensmokkelaars moesten meer in het geheim opereren, waardoor de hotels van Aksaray hun rol verloren. Tot een nieuwe golf van reizigers arriveerde, met minder geld en met andere netwerken. Aksaray werd overspoeld door arme mannen en vrouwen, met of zonder werk, door jonge stedelijke werklozen en door dorpelingen uit het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Het duurt nu langer om uit Aksaray weg te geraken. Sommige migranten slagen daarin, anderen niet. ‘Aksaray is een moeras’, zei een Iraanse smokkelaar me eens. ‘Eens je er in zit, is er geen ontsnappen meer aan.’

‘Vermijd contact met blanke meisjes’


Roberto geraakte wel weg uit het moeras. Tijdens onze eerste ontmoeting in Istanboel vertelde hij me over zijn moeder, en hoe hij haar op negenjarige leeftijd verloren had, hoe ze verdween de nacht dat hij Angola verliet. Hij groeide op als een wees, in het gezelschap van andere mannen en jongens.
Toen ik hem later opnieuw trof in Athene, was een van de eerste zaken die hij zei: ‘Ik heb net gehoord dat mijn moeder leeft. Mijn broer heeft haar gevonden.’ Ik vond dat uitermate schokkend nieuws, maar Roberto vertelde het zonder enige emotie in zijn stem. En meteen ging hij verder over zijn overtocht langs besneeuwde bergtoppen.
Ik staarde Roberto aan, stopte met wandelen en onderbrak hem. ‘Roberto, vertel me over je moeder. Waar is ze? Wat doet ze?’ ‘Ze leeft in Nigeria en is getrouwd met een Nigeriaanse man. Je kent vrouwen’, antwoordde hij met een bittere glimlach. ‘Ik ben heel blij voor je’, zei ik. Roberto reageerde alleen door nog eens te herhalen: ‘Ze is getrouwd met een Nigeriaanse man.’
Maanden later begon ik opnieuw over zijn moeder. Opnieuw herhaalde hij dezelfde woorden, met dezelfde bitterheid. ‘Ze leeft in Nigeria en is getrouwd met een Nigeriaanse man. Je kent vrouwen.’ ‘Heb je haar gesproken, Roberto?’ vroeg ik. ‘Neen’, zei hij, ‘mijn broer zegt dat ze het goed stelt.’ Roberto’s moeder belde hem niet en hij contacteerde haar niet. Ik liet het onderwerp verder rusten.
Jarenlang, dat wist ik, had Roberto verlangd naar de liefde en compassie waarvan hij beroofd was na die nacht van schoten en waanzin in Angola. Nu hij wist dat de vrouw die hem tijdens zijn eerste levensjaren met haar tedere handen geliefkoosd had in leven was, voelde hij zich verlamd en niet in staat naar haar toe te stappen. Voor Roberto was deze vrouw een vreemde. Zijn moeder was gestorven de nacht dat hij zijn huis verliet. In zekere zin voelde hij zich bedrogen door het feit dat ze leefde. Waarom had ze hem en zijn broer niet gezocht? Roberto had geen antwoorden.
Hij had het grootste deel van zijn leven zonder moeder of vrouwelijke liefde geleefd. Hij reisde met andere mannen, werkte met hen en vluchtte met hen. Hij vertelde gloedvol over de mannen die hem onderdak en vaderlijke liefde gegeven hadden. Vrouwen speelden nooit een rol in onze gesprekken. De tocht was het enige onderwerp dat hem interesseerde.
‘Ik kan niet denken aan vrouwen. Ik moet me concentreren op mijn tocht, Behzad. Een vrouw vinden vraagt veel tijd. Je moet geregeld uitgaan en veel tijd en geld spenderen in clubs.Misschien zijn er dan na verloop van tijd vrouwen die met je willen praten, maar het kost te veel tijd. Ik wil alles richten op Amerika, daar wil ik naartoe.’
Als zwarte man in vreemde landen had hij geleerd contact met ‘blanke mensen, vooral blanke meisjes’ te vermijden, vertelde hij. Ze intimideerden hem, ze joegen hem schrik aan. Op een ochtend, op wandel in centraal Athene, zag ik dat met eigen ogen gebeuren. Ik vroeg twee passanten de weg naar de Akropolis. Zij waren jong, Grieks en vrouwelijk. Na een korte aarzeling stopten de vrouwen. Ze wezen me heel vriendelijk de weg. Ik bedankte hen en draaide me naar Roberto. Die was weg. Hij stond een beetje verder in een krantenkiosk, met een verschrikte en paranoïde blik.
‘Behzad, ik vraag nooit wat aan blanke meisjes’, zei hij toen ik vroeg waarom hij weggegaan was. ‘Ik vraag liever de weg aan de politie. Ze spraken ook maar alleen met ons omdat jij erbij was. Ze zouden nooit met mij gepraat hebben. Ze hebben te veel schrik van zwarte mannen. Ik ben heel voorzichtig met ze.’
Een tijd later veranderde dat. In een dorp vlakbij Athene ontmoette Roberto een vrouw die hij graag mocht. Hij voelde zich voor het eerst in vele jaren veilig en menselijk, en daardoor liet hij zijn instinctieve verlangen naar vrouwelijk gezelschap en liefde bovenkomen. De vrouw doorbrak zijn taboe. Hij voelde zich bevrijd van zijn oude angsten, bevrijd uit zijn isolement. Hij zag er beduusd uit en wonderlijk charmant als hij over die vrouw sprak. Hij giechelde zelfs.
Roberto ging tweemaal per week naar het dorp om uurwerken, wekkers, brillen en andere goederen te venten. Hij huurde een kamer in een pension en liep ‘s avonds alle cafés en restaurants af met zijn handelswaar. Het was in een van die cafés dat Roberto haar ontmoette. Zij stond achter de tapkast, een Griekse vrouw van in de dertig. Ze was aardig tegen Roberto, gaf hem gratis eten en drinken telkens hij langskwam. Roberto dronk niet, maar uit beleefdheid nam hij zo nu en dan een slokje van het bier. Hij leerde een paar woorden Grieks. Zij sprak een woord of twee Engels. Ze lachten en gebruikten lichaamstaal om hun vriendschap en wederzijdse appreciatie uit te drukken. Deze dienster was de eerste blanke vrouw waarmee hij gesproken had tijdens de drie maanden dat hij al in Griekenland was. ‘Ze plaagt me’, zei hij met kinderlijke vreugde. Op een bepaald moment overwoog hij zelfs in Griekenland te blijven, misschien zelfs te trouwen. Hij was klaar om zich te settelen.
‘En Amerika dan?’ vroeg ik. Ik herinnerende hem eraan dat in Amerika geraken zijn enige verlangen was. ‘Griekenland is een goed land. Als zij me wil, dan blijf ik’, antwoordde hij. De dienster herinnerde hem niet aan zijn zwarte huid. Dat was een nieuw gevoel voor Roberto. Zij behandelde hem als ieder ander. Hij was een gelijke.

‘Ik ben geen bedelaar’


Ik vertrok uit Griekenland en vier maanden lang zag ik Roberto niet. Toen ik terugkeerde, ontmoette ik hem in een café vlakbij het appartement van een vriend. ‘Ik mag hier verblijven, maar ik wil liefst een eigen stek, zo snel mogelijk. Ik wil een rustig plekje voor mezelf.’ Ik merkte op dat hij vermagerd was. ‘Ik werk te veel. Ik eet maar eenmaal per dag’, was zijn verklaring. De zaken gingen goed. Hij kon sparen.
Ik vroeg Roberto naar de Griekse vrouw in het dorp. ‘Oh, Griekse meisjes zijn vriendelijk. Ze praten met je, trekken je aan en grappen met je. Dat is het. Als je hun telefoonnummer vraagt, krijg je van allemaal hetzelfde antwoord: ik heb een vriendje’, zei Roberto lachend. Ook de dienster had dat geantwoord. Alle andere vrouwen waarmee hij bevriend geraakt was, bleken vriendjes te hebben. Ze waren aardig en vriendelijk voor de Afrikaanse venter, maar er waren grenzen aan hun bereidheid om met hem geassocieerd te worden. Roberto was zich bewust van die onzichtbare muur tussen hem en de vriendelijke meisjes. Hij was de bergen tussen Bulgarije en Griekenland overgestoken, verloor twee vrienden aan een storm, en overleefde. Deze nieuwe grens oversteken bleek moeilijker voor hem.
In de lente nam Roberto voor enkele weken verlof van zijn tour in het dorp en voegde hij zich bij de venters in Athene. Onderweg naar huis, na een lange dag van marchanderen, passeerde hij elke nacht hetzelfde café. Op een avond werd hij uitgenodigd aan een tafel met twee mannen en drie vrouwen. Ze maakten samen grappen, trakteerden hem op eten en sleten vele uren met het uitwisselen van alledaagse verhalen. Roberto vond het fantastisch en keerde er elke nacht terug. De ontmoetingen verzachtten de pijn van het urenlange werk, ze ontspanden hem en gaven hem het gevoel te behoren tot een gewone groep, een groep van niet-vluchtelingen.
Een van de vrouwen gaf Roberto het meeste aandacht. Zij was een welstellende Griekse die in Londen woonde en was in Athene voor een kort bezoek aan vrienden en familie. Roberto genoot van haar gezelschap. Een van de avonden bleek dat ze ‘s anderendaags zou terugkeren naar Londen. Roberto werd droevig van het idee dat hij een vriendin zou verliezen. En omdat hij hoopte haar misschien ooit nog in Londen terug te zien, vroeg hij haar telefoonnummer. Ze glimlachte, maar weigerde. Het was alweer hetzelfde verhaal. Ze wou Roberto wel bedanken voor de gezellige uren die ze samen doorbrachten en bood hem daarom honderd euro aan, een soort vergoeding voor het amusement dat Roberto in haar leven gebracht had.
Roberto was geschokt en verbouwereerd door het aanbod, en hij weigerde. Zij drong aan. Uiteindelijk gaf hij toe. Hij nam het honderd euro biljet aan, ging naar zijn kamer, en weende. Hij gaf de honderd euro niet uit. ‘Ik kan dit geld niet gebruiken. Ik ben geen bedelaar, in elk geval geen goede bedelaar. Ik werk verdomd hard’, zei hij met de tranen in zijn ogen.

‘Je wilt een plek die je thuis kan noemen’


Kia, een Iraanse jongen, was via Aksaray ook tot in Athene geraakt, maar hij vond er zijn draai niet. Toen ik hem in de Griekse hoofdstad terugzag, toonde ik Kia het foldertje voor een lezing die ik in New York gegeven had. Centraal stond een foto van hem aan het Adelaarsfort, het beruchte Alamut in Iran. Hij staarde minutenlang naar de foto, keek dan weg en glimlachte dubbelzinnig. ‘Ik ben blij dat ik deel uitmaak van dat boek dat je aan het schrijven bent’, zei hij. ‘Ik ben geen buitenstaander, geen lezer. Dit zijn momenten die me gelukkig maken. Ik wil niet de lezer zijn van dit boek. Ik verkies mijn rol. Ik vraag God niet om van positie te wisselen.’
De laatste keer dat ik Kia ontmoette, was toen we naar het busstation in Patras wandelden. ‘Ik zal nooit normaal zijn’, stelde hij. Ik vroeg door. ‘Natuurlijk zijn wij anders dan andere mensen. We leven een ander leven. Normaal, dat is hoe de meerderheid leeft. Wij maken daar geen deel van uit. We hopen wel dat we een normaal leven kunnen leiden, maar dat kan niet. Ik ben jong, tweeëntwintig jaar. Ik zie hoe andere jongeren in de wereld leven, hoe zij aankijken tegen de wereld. Maar ik kan niet zijn zoals zijIk ben op de weg geweest die geen terugkeer kent.’
‘Sommige migranten sterven op zee. Anderen sterven bij het oversteken van bergketens. Dat zijn de gelukkigen. Zij sterven zonder pijn. De rest leeft verder om zijn eigen trage dood onder ogen te zien. Je kan op zo veel manieren sterven. Sommigen spuiten heroïne. Anderen verkopen hun lichaam of zitten te bedelen. Kijk hen in de ogen. Je zal de pijn van de mislukking zien, de pijn van het niet bereiken van de bestemming. Je wordt iemand anders zodra je je moet verkopen aan een man. Je sterft.’
Kia had tranen in zijn ogen. Hij bleef gedurende lange minuten zwijgen.
‘Er wordt veel gepraat over de moeilijkheden bij het oversteken van grenzen, over de Bulgaarse grenswachters die je mishandelen, de honden, dat soort dingen. Maar dat zijn niet de echte problemen van de tocht. Dé moeilijkheid is een plek te vinden om een nieuw leven te beginnen, een kans te krijgen, een mogelijkheid om te leven.’
‘Je wordt verliefd op de eerste plaats, het eerste dorp dat je binnenstapt. Je wil daar nooit meer weg. Ongeacht waar die plek ligt. Je wil een plek voor jezelf, die je thuis kan noemen, waar je samen met anderen een leven kan beginnen, waar je contact kan hebben met je buren, waar je normaal kan zijn. Maar dat is niet mogelijk. Plek na plek blijven we zoeken naar die kans. Velen onder ons vinden haar nooit. Dat is onze moeilijkheid. We blijven geïsoleerd, buitenstaanders, vreemdelingen.’
‘Ik kende de moeilijkheden toen ik Iran verliet. Wat ik niet wist, was dat de tocht je verandert. Je kan nooit meer zijn wie je voordien was, zelfs als je zou terugkeren naar waar je vertrok. De tocht transformeert ons. De persoon die je was toen je je koffer oppakte en op weg ging, sterft. Tegen de tijd dat je je koffer opnieuw neerzet, ben je een ander mens.’

HET BELOOFDE LAND

Sinds Behzad Yaghmaian in juli 1989 aan de Turks-Griekse grens vast kwam te zitten omdat hij een Iraans paspoort op zak had, observeert hij de wereld vanuit hurkzit, het perspectief van de asielzoeker. Misschien doet hij dat wel uit schuldbesef. Behzad verliet midden jaren zeventig zijn geboorteland Iran om in de States te gaan studeren. Toen enkele jaren later de opstand tegen de Sjah omsloeg in een islamitische revolutie, bleek er geen weg terug voor hem. In Embracing the infidel vertelt Yaghmaian het verhaal van mensen voor wie er vaak alléén maar een terugweg lijkt te zijn, naar het land dat ze proberen te ontvluchten. Twee jaar lang woonde en werkte de professor economie aan het Ramapo College uit New Jersey in Istanboel. De stad aan de Bosporus is het laatste station voor vele duizenden Afrikaanse en Aziatische gelukszoekers op weg naar Europa en de VS. Behzad zocht hen op in de erbarmelijke vluchthuizen waarin ze terechtkomen en traceerde hun sporen in het Midden-Oosten en Europa. Hij deelde de angsten en teleurstellingen van de asielzoekers, maar ook hun dromen en grote onderlinge solidariteit. In Embracing the Infidel neemt de auteur het op voor mensen die alleen maar op zichzelf en liefdadigheid kunnen rekenen, en voor wie gerechtigheid een woord is dat alleen maar tegen hen gebruikt wordt. Toch slaat ook bij hem de bewondering voor het doorzettingsvermogen van de asielzoekers soms om in twijfel, en stelt hij hen de vraag of zelfs de terugweg niet beter is dan te blijven kloppen op een deur waar steeds meer grendels op zitten. (Dirk Vermeiren)

Embracing the Infidel door Behzad Yaghmaian is uitgegeven door Delacorte Press.



Reageer op ditt essay.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2643   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift