Wolvenkind

Eind 1989 was ik, voor de vijfde verjaardag van de chemische ramp in de Union Carbide-vestiging, naar de Indiase stad Bhopal afgereisd. Voor het grootste deel kon je de reportage over de toestand op voorhand schrijven: er waren méér slachtoffers dan uit officiële rapporten bleek, er waren méér oog- en longaandoeningen, méér zieken zonder verzorging, méér mensen die nooit compensatiegeld zouden krijgen.
Over de grootte en de verspreiding van die financiële compensatie werd trouwens zo lang gebakkeleid dat de meeste slachtoffers het hoekje om waren voor een roepie werd uitbetaald. Met het gebruikelijk cynisme maakte Union Carbide op hetzelfde ogenblik winstcijfers bekend die ongekend toppen scheerden.

Maar in de details week het verhaal toch af van de sjablonen. Aan de fabriekspoort begon een slum, waar in 1984 vele doden waren gevallen. Wie het toen had overleefd, had meestal geen geld om te verhuizen, dus de halfdoden woonden er nog altijd. En enkelen van die halfdoden hadden hun smartegeld zowaar opgestreken. Wat hadden ze ermee aangevangen, wou ik weten.

‘Een tv gekocht’, vertelde de eerste aan wie ik dat vroeg -hij glunderde en hoestte tegelijk. Ik kon zelfs meekijken, in zo’n hutje van geroeste golfplaat, zonder water en met elektriciteit die via een illegaal draadje van het net werd afgetapt, naar de zondagse aflevering van de Mahabarata, het heldenepos waarin goden en halfgoden in felgekleurde pakken melodramatisch stonden te doen. Toen de stroom uitviel, niet omdat zijn illegale constructie hortte, maar omdat de hele stad een black-out kende, klopte hij verwijtend op het toestel, alsof die onderbreking hem meer speet dan de ramp.

Nadat ik met de verschillende partijen had gesproken, en de zieken in enkele hospitalen had bezocht, liep ik nog enige dagen door Bhopal. Dat is naar Indiase normen een middelgrote stad met enkele miljoenen inwoners, met enkele meren en een Maharaja-paleis, met nog wel meer vervuilende industrietjes en industrieën, grauw, zonder uitwijkmogelijkheid. Zoals in grotere steden vind je er kreupele kindbedelaars, met schoenen aan hun handen, omdat ze niet op hun benen kunnen staan. Ze verplaatsen zich op handen en knieën door het helse verkeer en komen met een opgestoken vuile hand opduiken naast de rickshaw of de taxi.

Aan dat soort bedelaars was ik min of meer gewoon geraakt. Die maken overal in India deel uit van het stadslandschap. Maar op een dag werd mijn aandacht getrokken door een jongetje dat zich ook op handen en voeten voortbewoog, hoewel hij niet kreupel leek te zijn. Hij spoedde zich, als een wolvenkind, naar een stinkende hoop samengeveegd afval en dook daar -hoofd eerst- in. Ik zag daar eerst de zin niet van in, dus ik sloop wat dichterbij. Bleek dat hij aan het eten was, zonder zijn handen te gebruiken, gewoon kauwen op wat hem voor de mond kwam, papier en modder en ranzig geworden curry, alles doorheen.

Een reisgezel had nog een dessertkoekje van de vliegtuigreis in zijn zak en we probeerden het jongetje duidelijk te maken dat het beter het koekje kon opeten. We scheurden de verpakking open en boden het hem aan.Vanuit een ongepast gevoel voor hygiëne lieten we de opengescheurde verpakking nog rond het koekje zitten.Het jongetje keek ernaar, verschrikt, mager, bijna onontcijferbaar onder een dikke laag samenkoekend vuil, hij aanvaardde het aanbod zonder een woord te zeggen en at het koekje toen, met papier en al, op. Er was met hem geen gesprek mogelijk, denk ik. Hij leek de waanzin voorbij. Nadat hij de koek had opgegeten, dook hij weer in het afval. Het jongetje vond geen plaats in mijn reportage over de chemische ramp. De kans dat hij daarmee te maken had gehad was niet groot. Ik kon niets zinnigs over hem schrijven. Het was misschien de enige keer in mijn leven dat ik iets had gezien, waarvan ik wou dat ik het niet had gezien.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3195   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift