Zijn de ngo's gewapend voor een debat over financiële speculatie?

Een veelgehoorde en terechte kritiek in de polemiek die de laatste jaren rond NGO’s gevoerd werd, betrof een tekort aan degelijk uitgebouwd en door studie ondersteund politiek lobbywerk. Met uitzondering van het politieke sausje dat over een aantal campagnes gegoten wordt, bestaat de grote uitdaging erin om zich met de echte of de harde macro-economische thema’s in te laten. Reële verandering kan er pas komen als er in dat soort politieke lobbywerk geïnvesteerd wordt…
Het NGO-debat is nog niet af en wordt nu eerder in kleinere cenakels voortgezet. Toch heeft dit al wat evolutie in de sector gebracht: het ABOS wordt grondig bijgespijkerd, de NGO-educatie-initiatieven breiden uit en het partnerbeleid wordt ernstig herdacht. Dat het studie- en lobbywerk - enkele uitzonderingen te na gelaten - wat in de kou blijven staan, wordt door de meesten toegegeven. Geen gebrek aan goede wil, maar eerder aan voldoende middelen is de vaak gehoorde uitleg.

Het is niet de bedoeling de ‘knuppel opnieuw in het hoenderhok te gooien’, maar deze context is belangrijk om na te gaan of NGO’s dan wel echt gewapend zijn om dergelijke materie aan te kunnen.

Kopenhagen

De speciale bijdrage van James Tobin in het UNDP-Rapport 1994 dat net vóór de Sociale Top in Kopenhagen verscheen, gaf aanleiding tot discussies in de wandelgangen over deze speculatietaks. Voor NGO’s die niet alleen bekommerd waren over ronkende verklaringen en onderhandelde teksten was het in Kopenhagen, net als bij de andere VN-Conferenties, uitkijken naar de concrete engagementen en vooral naar de wijze waarop initiatieven gefinancierd zouden worden. De eeuwige 0,7% werd herbevestigd (tegen 2000 of kort daarna…). Dat er een sociale bijsturing moest komen voor de structurele aanpassingsprogramma’s vond men in Kopenhagen ook, maar de manier waarop bleef te vaag. Het 20/20 Principe (waarbij 20 % van de officiële ontwikkelingshulp wordt aangewend voor sociale basisvoorzieningen als ook 20 % van het lokale budget daaraan besteed wordt) haalde een eervolle vermelding, weliswaar op vrijwillige basis, zijnde een mogelijke bilaterale onderlinge overeenkomst. De Tobin-taks bleef in de coulissen hangen, afgewimpeld wegens onrealistisch en technisch niet toepasbaar.

NGO’s die in deze Tobin-taks een interessante nieuwe financieringsbron zagen, waren vlug uitgepraat: naast het morele argument dat er op het ‘flitskapitaal’ geen belasting werd geheven, konden weinig goed onderbouwde argumenten aangehaald worden om de heren politici en economisten weerwerk te bieden. De Tobin-taks bleef dus in de mand van goede ideeën liggen.

UNDP

Het ontwikkelingsprogramma van de VN vond het de moeite om het voorstel verder uit te werken en vroeg een aantal gerenommeerde financiële economisten om hun mening. Dit leidde tot een interessante publicatie, waarbij de conclusies echter onduidelijk of tegenstrijdig bleven. Toch was dit werk voor het Amerikaanse Congres de aanleiding om de VN-departementen te verbieden om nog verder te investeren in onderzoek naar internationale taksen, op straffe van het niet betalen van de VS-bijdrage (wat ze sowieso al niet doen). Het debat ‘Tobin or not Tobin’ verdween op VN-niveau in de clandestiniteit, maar werd door NGO’s verder gestimuleerd op diverse internationale fora.

Toen in 1997 de Aziatische muntcrisis uitbrak en uitdijde naar andere continenten, vond men een bijkomend argument voor de toepassing van de Tobin-taks: het volgen (monitoring), bijsturen (via taxatie) en controleren van de kapitaalbewegingen zou muntcrisissen met hun nefaste sociale gevolgen kunnen vermijden of minstens afzwakken.

Wat eerder had de Duitse professor Paul-Bernd Spahn als tijdelijk adviseur bij het IMF een aangepaste versie van de Tobin-taks gepubliceerd, waarbij een aantal klassieke tegenargumenten sneuvelden. In Canada maakte professor Rodney Schmidt werk van een degelijk onderbouwde implementatiestudie voor de originele Tobin-taks.

Het champignon-effect

Wie in een bos of wei één paddestoel ontdekt, vindt er meestal een heleboel op diezelfde plaats. Een ondergronds netwerk verbindt de één met de ander, en eens de tijd rijp is om de kop op te steken, gebeurt dit bijna simultaan. Dit effect doet zich ook voor met het lobbywerk rond de Tobin-taks: na een zeker rijpingsproces, blijkt in 1999 een hele resem campagnes naar buiten te komen met variaties op het Tobin-thema: the Halifax-initiative in Canada, ATTAC in Frankrijk - uitdijend naar Zwitserland en België, War or Want in Groot-Brittannië, …

CIDSE, de koepel van Vastenacties in Europa en Noord-Amerika, engageerde enkele academici van UFSIA om een achtergronddossier uit te werken om de discussie opnieuw te lanceren, op de eerste plaats binnen de VN. Daarbij werd gekozen voor het opvolgingsproces van Kopenhagen als lobby-agenda. Zowel in februari ‘99, tijdens de Commissie voor Sociale Ontwikkeling als in mei ‘99 tijdens de eerste PrepCom voor Kopenhagen +5 werd op de VN zelf een workshop georganiseerd, gebaseerd op het UFSIA-dossier. Een aantal internationale organisaties en VN-diplomaten toonden duidelijke interesse.

Op 18 juni, de vooravond van de G 8 Top in Keulen, nodigde CIDSE samen met de Zwitserse Anti-Debt Coalition professor Spahn uit voor een toespraak. De meeste Tobin-netwerken waren er aanwezig. En op 22 oktober wordt op de UFSIA een internationale expertsbijeenkomst georganiseerd met diverse professoren die met de Tobin-taks bezig zijn. Dit om een aantal technische aspecten verder uit te werken, maar ook om een politieke strategie te onderbouwen.

Wereldvreemd of beter gewapend?

Naast de technische en strategische argumenten, duiken in dergelijke discussiefora ook een aantal ideologische kwesties op. NGO’s zijn van nature uit vrij kritisch t.o.v. het gangbare vrijemarktprincipe, veelal omdat hun partners voortdurend geconfronteerd worden met de negatieve effecten ervan. Door afstand te nemen van het principe of door zichzelf - althans in theorie - erbuiten te plaatsen, komen vele NGO’s in de ogen van economisten en/of politici nogal wereldvreemd of dromerig over. Het kritisch benaderen of in vraag stellen van een systeem betekent echter niet per definitie dat men zich buiten het systeem plaatst. Wie iets aan het onderwijssysteem wil veranderen, stapt er best niet helemaal uit, maar heeft evenwel behoefte aan uitgebouwde alternatieven. Freinet, Montessori, Steiner en anderen hebben wel degelijk invloed op het klassieke onderwijssysteem en vervullen nog steeds hun ‘luis-in-de-pels’rol.

Een dergelijke rol kan ook toebedeeld worden aan elementen uit de civiele maatschappij, waaronder de NGO’s. Wie binnen economische materies iets wil veranderen, moet ook economisch degelijk onderbouwde argumenten hebben. De morele stem volstaat niet, hoewel deze even hard moet blijven klinken.

Als wij inderdaad de harde sector willen bespelen, moeten wij ons wapenen met harde argumenten. Wie het aandurft om bij economisch-technische dossiers ook bereidwillige economisten aan te spreken, zal meer luisterbereidheid ervaren in het lobbywerk, maar zal ook ontdekken dat er in een aantal gevallen win-win situaties zijn, waar niet alleen de NGO’s - als één van de emanaties van de zwaksten in deze wereld - maar eveneens een aantal economische sectoren beter van worden.

Vertaalwerk

Als wij als NGO’s degelijk lobbywerk willen leveren en onze standpunten op diverse fora willen aankaarten, is dit vaak een kwestie van de juiste taal te vinden. Als we met de economische wereld willen dialogeren, moeten we de economische taal hanteren, bij politici moeten we politieke argumenten aanbrengen en bij de achterban komt het erop aan om zo duidelijk mogelijk - en niet alleen in slogans - over te komen. NGO-studiediensten leveren in die zin heel wat vertaalwerk af. Terzelfder tijd resulteert een dergelijke oefening in een interne capaciteitsopbouw, die ook voor andere dossiers rendeert.

Om dit werk te vergemakkelijken - en om het warm water niet opnieuw uit te vinden - is het belangrijk om bondgenoten te vinden. Voor de dialoog met de ‘harde sectoren’ kunnen allianties gesmeed worden met de academische wereld. Vele universiteiten staan open voor een dergelijke samenwerking en zien ook in dit soort coalities een toegevoegde waarde, een poort naar buiten. Niet toevallig is men ook in de academische wereld sterk bezig met de samenhang tussen positieve wetenschap en ethische normering. In het dossier over financiële speculatie betekende de samenwerking tussen CIDSE en UFSIA een doorbraak in het lobbywerk: niet alleen werd de argumentatie stevig onderbouwd met degelijke economische elementen - in een voor de economische wereld verstaanbare taal - maar werden ook nieuwe inzichten aangebracht inzake de ethische benadering en zelfs inzake de te ontwikkelen lobbystrategie. Andere NGO’s hebben een vergelijkbare ervaring in dossiers zoals schuldenlast, wereldhandel of duurzame ontwikkeling.

Voor het garen van publieke steun (advocacy) werken NGO’s veel meer dan vroeger samen met andere partners uit het maatschappelijk middenveld: milieubewegingen, vakbonden en sociale organisaties worden vaak betrokken bij gezamenlijke campagnes.

Verbreden en verdiepen

De economische en politieke wereld staat niet stil. Wie ziet hoeveel lobbyisten er bv. rond de Europese instellingen draaien, weet dat men ook daar afstapt van goedkope - electoraal geïnspireerde - argumenten en meer gefundeerde elementen in de discussie brengt.

De NGO’s zijn maar gewapend voor de harde onderwerpen in de mate dat ze hun activiteiten verbreden (via advocacy) en verdiepen (via studie- en vertaalwerk), niet alleen met de klassieke partners uit de civiele maatschappij, maar ook met de minder natuurlijke bondgenoten zoals de academische wereld en de bedrijfswereld.

De slaagkans om in een vrij complex dossier als financiële speculatie een doorbraak te forceren, zal in hoge mate afhangen van de bereidheid om met de diverse partners in zee te gaan. Zoniet blijft men, met alle goede wil en alle inspanningen ten spijt, aanmodderen in de marge.

De auteur is algemeen secretaris van de Commissie Rechtvaardigheid en Vrede

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3174   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift