Dossier: 

Zonder verwondering geen verontwaardiging

Het was 11 november 1995 en het gebeurde langs de snelweg. Ik was met mijn vader op weg naar Parijs waar ik de komende vijf maanden zou werken aan mijn doctoraat. We waren ’s ochtends vroeg uit Leiden vertrokken. In de koffer van zijn auto staken enkele dozen met mijn spullen. We hadden Nederland uren geleden achter ons gelaten, het vaderland vlotjes doorkruist en stopten nu even in de grauwe onmetelijkheid van Noord-Frankrijk om te tanken. In de shop keek ik naar de kranten. Le Monde, La Libération, The Guardian. Toen zag ik hem.

  • Brecht Goris David Van Reybrouck Brecht Goris

Zijn gezicht was me de afgelopen maanden vertrouwd geworden. Ik was nog nooit in zwart Afrika geweest, maar zou hem zo op straat herkend hebben. Indien dat nog mogelijk was. Hij had een rustig en intelligent gezicht en rookte, als ik het mij goed herinner, een pijp. Een gentleman.

‘Ze hebben hem dan toch opgehangen’, zei ik. ‘Gisteren. In Nigeria.’

Mijn vader reageerde niet, focuste op het verkeer dat allengs drukker werd en las de panelen die over de snelweg hingen hardop. ‘Bobigny.’ ‘Circulation fluide.’ Sinds zijn jaren in de Congo, drie decennia eerder, keek hij nergens meer van op als iets uit Afrika kwam.

Ik verbeet mijn ergernis en bleef kijken naar die foto van Ken Saro Wiwa. Niet te geloven dat die fijnbesnaarde schrijver gisteren aan dat touw hing te bungelen. Het was te obsceen voor woorden, maar ik kon mijn gedachten niet tegenhouden. Ik gruwde van de beelden die ik zelf opriep. Dit was toch 1995? Dit was toch niet meer van deze tijd? Mandela was verkozen, Havel was aan de macht, de Muur werd in brokjes aan toeristen verkocht. En Ken Saro Wiwa, de schrijver en toneelauteur die zich inspande voor de rechten van de Ogoni en de zeer vervuilende olie-exploitatie van Shell in hun stamgebied aanklaagde, werd samen met acht andere activisten, ondanks luid internationaal protest, opgehangen. Nee, zo’n schaamteloze brutaliteit, dat had ik niet meer voor mogelijk gehouden.

Het leven is geen film. Er zijn geen eenduidige motorische momenten, geen radicale plotwendingen waardoor er plots een “voor” en een “na” ontstaan die totaal van elkaar verschillen. Een mens verandert niet van de ene dag op de andere. We mogen achteraf zoveel bakens aanbrengen als we willen in ons levensverhaal, het blijven dunne paaltjes geklopt in de oever van een onvoorspelbare rivier.

Verontwaardiging was er vast al eerder. Er hingen affiches van het Vlaams Aktiekomitee tegen Atoomwapens in mijn veertienjarige kamer, maar wie had die toen niet? Projecten voor Kameroen en Bolivië op school: ik zat erachter. Hoofdredacteur worden van het schooltijdschrift. Ja. Er was verontwaardiging, maar vooral ook verwondering: het grotere en belangrijkere gevoel. Zonder verwondering geen verontwaardiging. Zonder ontvankelijkheid geen betrokkenheid. Zonder handpalm geen vuist. Ik was weg van Heinrich Böll, Leonard Cohen en Camus: tedere humanisten. Op mijn eerste reis alleen –liftend en wandelend door Bretagne toen ik zeventien was– had ik Meningen van een clown gelezen. Een wereld was opengegaan, daar, struinend tussen de menhirs van Carnac.

Maar toen, die dag, langs de snelweg in Noord-Frankrijk, met The Guardian op mijn schoot, was er wel een stroomversnelling. Literatuur, vrije meningsuiting en Afrika: die drie lijnen raakten voor het eerst in mijn leven met elkaar verstrengeld. Het ging bovendien over ecologie, over mensenrechten, over de verantwoordelijkheid van multinationals en het machtsmisbruik van de staat. Niet dat ik toen al wist dat ik ooit over landen als Congo en Zuid-Afrika boeken zou schrijven, nog minder dat ik überhaupt schrijver ging worden. Maar de dood van die schrijver zorgde wel voor een verdriet en een woede die eigenlijk nooit meer zijn overgegaan.

Toen mijn vader terug naar België was gereden, knipte ik de foto met de pijp –ja, ik weet nu zeker dat het een pijp was– uit de krant. Mijn kamertje op de Fondation Biermans-Lapôtre in het veertiende arrondissement van Parijs was nogal leeg en uitgeleefd. Er stond een tafel, een stoel en een bed. Een wastafel zat weggemoffeld achter een kastdeur. Ik had zelf enkel wat boeken en wat kleren mee. En ook die ene krant. De foto van Ken Saro Wiwa streek ik glad en hing ik op naast mijn houten tafel, op ooghoogte. Elke ochtend, vijf maanden lang, zat ik alleen met hem te ontbijten.

Een mens kiest niet voor verontwaardiging. Ze overkomt hem, door de moedwillige vernietiging van een wereld die hem dierbaar is, door de “ontwaarding” van zijn waarden. Door een foto in de krant.

David Van Reybrouck is voorzitter van PEN Vlaanderen, onderdeel van de mondiale schrijversorganisatie PEN International.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift