De eindeloze oorlog in Afghanistan

‘Dit is ons leven: plots komt er een kogel uit de bergen die het leven van je kind verwoest’

© Alessio Romenzi

De oorlog in Afghanistan duurt nu al 39 jaar. Dat is veel te lang voor de media, en bovendien lijkt hij gekrompen van een internationale bedreiging tot een lokaal probleem. De Italiaanse journalisten Francesca Mannocchi en Alessio Romenzi vonden het daarom tijd om niet de strijders, maar de gewone en gewonde Afghanen zelf een naam, een gezicht en een verhaal te geven. Zodat we dan toch weten naar welke werkelijkheid Europese regeringen een toenemend aantal Afghaanse asielzoekers terugsturen.

Muhammad Youssef, vader van Ansarullah, twee jaar oud, getroffen door een kogel in de regio van Ghazni

Wij wonen in de provincie Ghazni. Wij zijn boeren en werken op het land.
Ik ging terug naar het huis om me te wassen, de kinderen waren aan het voetballen.
In de bergen rondom leveren de Taliban en de regeringstroepen elke dag strijd. Elke dag. Wij zijn dat gewoon geworden, zo is Afghanistan nu eenmaal.

© Alessio Romenzi

Dit is ons leven: de kinderen spelen, plots komt er een kogel en het leven van je kind is verwoest, en er is geen enkele reden.

Plots hoorde ik mijn zoon roepen. Ik opende de deur en zag mijn kind de gang in rennen terwijl hij om zijn moeder riep. Hij miste een arm. Hij had niet langer een linkerarm.
Vanuit ons dorp duurt het tweeëneenhalf uur om in het dichtstbijzijnde ziekenhuis te geraken. Ik bracht hem daarnaartoe. Hij had geen linkerarm meer. De kogel had die weggeblazen.

Hij heeft nog geluk gehad, zeggen ze. Is dat geluk?

Welke toekomst heeft een kind van twee zonder linkerarm? De dokters legden uit dat de kogel van ver en van boven gekomen moet zijn, want als die kogel van dichtbij afgevuurd was, dan zou zijn hele lichaam aan stukken geblazen zijn.

Hij heeft nog geluk gehad, zeggen ze. Is dat geluk?

Dit is ons leven, wij zijn gewone mensen, wij werken op het land. Ik heb vier kinderen, drie jongens en een meisje. De jongste is maar twintig dagen oud. Dit is ons leven: de kinderen spelen, plots komt er een kogel en het leven van je kind is verwoest, en er is geen enkele reden.

Er is niets wat je kan doen. Je hoort hem huilen, je kijkt het kind in de ogen en je ziet het verdriet en je weet, misschien blijft hij verdrietig voor de rest van zijn leven. Het huilen van de jongen die aan het voetballen was zal ik niet vergeten. Nooit meer.

Sabrai, zestien, Koetsji-nomade, verloor een been door een antipersoneelmijn

Ik ben een Koetsji-nomade. Wij zijn altijd onderweg met onze tenten en onze schapen. Daarvan leven wij. Ik kan niet lezen en niet schrijven, en ik weet niets over deze oorlog. Ik ben een meisje.

© Alessio Romenzi

‘Ik liep naar de boom en toen was er de explosie. Toen ik mijn ogen opende, zag ik dat ik een been miste.’

Die dag zetten we onze tent op waar we vroeger ook al geweest waren met de schapen, vorig jaar en het jaar daarvoor. Er was een bloemenbed en er was een boom vlak bij die bloemen. Het is lente, het is er prachtig nu, met al die kleurrijke bloemen. Ik hou van bloemen en van planten. Ik liep naar de boom en toen was er de explosie. Toen ik mijn ogen opende, zag ik dat ik een been miste.

We waren midden in de bergen, er was niets, geen huizen, geen ziekenhuis, niets. Alleen de bergen met hun graaslanden. Maar ik had verzorging nodig. Mijn afgerukte been, mijn gewonde hand. De pijn was verschrikkelijk.

© Alessio Romenzi

‘Ik denk dat ik geluk gehad heb. Ik had dood kunnen zijn, maar ik mis alleen een paar vingers en een been.’

Mijn broers namen twee stukken hout op hun schouders en tilden mij erop. We waren uren onderweg. Het duurde drie uur eer we een medische post bereikten. Ik ben maar een meisje, en nu ben ik ook tot last van de familie.

Maar ik denk dat ik geluk gehad heb. Ik had dood kunnen zijn, maar ik mis alleen een paar vingers en een been.

Ali Khan Eshag, 28 jaar, kleermaker en student sociaal werk, overleefde een aanslag op een verkiezingsregistratiekantoor

Ik was vroeg in de ochtend op zoek naar het kantoor om me voor de verkiezingen te registreren. Toen ik het eindelijk gevonden had, parkeerde ik mijn motor, vroeg een politieman of ik hier op de juiste plaats was. Ja, zei hij, en toen was er die explosie. Ik werd op de grond gegooid en viel even flauw.

© Alessio Romenzi

Ali Khan Eshag: ‘Een tijd geleden zei mijn echtgenote: het heeft geen om hier te blijven, laten we vertrekken. Ik antwoordde dat er al veel te veel mensen vertrokken, dat we moesten blijven. Maar ik ben wanhopig nu. Was ik maar tijdig vertrokken.’

Toen ik weer bij bewustzijn kwam, zag ik een kind tussen de lichamen rennen en een ander kind hoorde ik om zijn moeder troepen. Twee of drie politiemannen lagen dood naast mij, net als tientallen andere mannen, vrouwen, kinderen met hun boekentassen nog op hun rug.

Iedereen is bang voor een tweede bom, daarom wachten de ambulances vaak voor ze gewonden komen ophalen.

In het begin besefte ik niet eens dat mijn gezicht verbrand was, ik voelde pijn in mijn been en zag dat het geraakt was door een schrapnel. Na twee dagen in het ziekenhuis keek ik in de spiegel, zag ik mijn gezicht en dacht: ‘Niets zal ooit nog zijn zoals voorheen, mijn gezicht zal niet meer hetzelfde zijn, mijn leven zal niet meer hetzelfde zijn.’

© Alessio Romenzi

Er is geen hoop meer voor mij, waarom zou ik nog verder studeren? Mijn vrouw kan ook niet lezen of schrijven, we werken allebei om mijn studies te betalen en ons leven te verbeteren.

We wilden een gezin, maar hoe moet dat nu? Waarom zou je vader worden hier?

We wilden een gezin, maar hoe moet dat nu? Waarom zou je vader worden hier?

Ik studeerde sociaal werk omdat ik de geschiedenis van mijn land en de tradities van de gemeenschappen wilde kennen en doorvertellen, zodat mensen zouden beseffen dat dit land zoveel meer kan zijn. Maar ik geloof er zelf niet meer in.

Mijn vrouw staat er nu alleen voor. Zij huilt en werkt, huilt en werkt. Ze moet blijven werken, want we weten niet hoe we anders in leven moeten blijven. Maar ze belt me elke dag van bij de kleermaker, en huilt. Een tijd geleden zei ze: het heeft geen zin om hier te blijven, laten we vertrekken. Ik antwoordde dat er al veel te veel mensen vertrokken, dat we moesten blijven. Maar ik ben wanhopig nu. Was ik maar tijdig vertrokken. Voor arme mensen zoals wij is er nooit hoop.

Dit artikel werd geschreven voor het herfstnummer van MO*magazine. Voor slechts €28 kan u hier een jaarabonnement nemen!

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift