Erdogan's ambitie om Turkije te moderniseren, maakt nogal wat slachtoffers

De slechte reputatie van de Turkse arbeidsveiligheid: ‘Hij gaf zijn leven voor een handvol steenkool’

© Joris Van Gennip

 

Troostend legt Gülsüm een arm om de schouder van een weduwe, die blootvoets in het geurende, versgemaaide gras koranverzen zit te prevelen. Ze leunt tegen een zwart marmeren zerk waar ze net, met eerbied, een rode anjer voor haar omgekomen man heeft neergelegd. Bovenop het kleine vierkante grafmonument staat een antieke mijnlamp, een Turks vlaggetje, en het opschrift ‘Hij gaf zijn leven voor een handvol steenkool’.

Gülsüm hurkt in haar wijde harembroek vol roze bloemetjes naast de alleenstaande vrouw. Haar zwarte hoofddoek, afgezet met kleurrijke lovertjes, omkadert haar vriendelijke, ronde gezicht. Ze weet hoe moeilijk het is om de pijn van rouw en verlies te verlichten met troostende woorden.

Even verderop ligt haar oudste zoon Uğur van 26, die in de beruchte bruinkoolmijn onherkenbaar verbrandde. ‘Ik kon mijn zoon alleen herkennen aan een deel van zijn tattoo’, zegt haar man Ismail met een doffe blik en grauw gelaat. ‘Tijdens zijn diensttijd liet hij zijn naam op een arm zetten; slechts de hoofdletter U was nog te zien toen ik hem in het mortuarium moest identificeren.’ Uğur wist aanvankelijk uit de mijn te ontsnappen, maar ging terug in een poging ingesloten kameraden uit de hel te bevrijden.

Tjdens de herdenkingsdag voor de mijnramp in Soma

Het is 13 mei en ongewoon druk op de begraafplaats van Soma, in de buurt van het antieke Pergamon, aan Turkije’s westkust. Vandaag is het vijf jaar geleden dat 301 mijnwerkers op gruwelijke wijze de dood vonden bij een ondergrondse brand die vier dagen aanhield.

Op deze dodenakker, in aller haast ingericht omdat moslims binnen 24 uur na de dood begraven moeten zijn, liggen maar 39 van de slachtoffers. Al gauw na de eerste teraardebestellingen bleek dat het dodental veel hoger zou uitkomen dan de autoriteiten aanvankelijk veronderstelden en dat er veel te weinig ruimte was voor de honderden doden. De meeste mijnwerkers kregen hun laatste rustplaats in hun geboortedorpen.

Aan het eind van het ereveld staat een monument dat de ingang van de rampmijn symboliseert. Daarvoor twee bronzen beeldengroepen: een mijnwerkersvrouw met haar twee kinderen, en de ouders van mijnwerkers, allemaal in grote onzekerheid en verwachtingsvol turend of hun geliefden levend naar buiten zullen worden gebracht.

© Joris Van Gennip

 

Zo was het ook op die zwarte dinsdag in 2014 toen honderden ouders, echtgenotes, kinderen, familieleden en vrienden van de mijnwerkers zich meteen na het bekend worden van het drama bij de ingang van van de Eynez kolenmijn verdrongen. Met een mengeling van angst en hoop wachtend op nieuws over hun dierbaren. Gebeden prevelend voor een goede afloop. Emotioneel pratend aan hun telefoons met ongeruste familieleden elders.

Ik zag vrouwen en moeders radeloos huilend in elkaar zakken wanneer ze hoorden dat hun geliefden uit het leven waren weggerukt. Elke keer als mijnwerkers een gewonde kameraad naar buiten droegen, klonk er applaus en gejuich en verdrongen de wachtenden elkaar om een glimp op te vangen van het met roet besmeurde, bijna onherkenbare, gezicht in de hoop dat hun echtgenoot, zoon, vader of broer, aan de nachtmerrie was ontsnapt.

Veel kameraden in andere tunnels zaten in de val en stikten door giftig koolmonoxidegas. Talloze gasmaskers bleken op die fatale dag niet te functioneren.

Graafmachine operator Ahmet Iren werkte die middag niet ver van de plek waar de brand uitbrak. ‘Een oververhitte kabel vatte vlam. Dat leidde tot een explosie en het uitvallen van alle elektriciteit’, vertelt hij.

‘Ons productiegebied was een half uur lopen, zo’n 2500 meter van de ingang. We waren in de buurt van een ventilatieschacht, waar we lang zuurstof hadden, maar de brand en sterke rookontwikkeling sneden de meeste ontsnappingsroutes af. Veel kameraden in andere tunnels zaten in de val en stikten door giftig koolmonoxidegas. Talloze gasmaskers bleken op die fatale dag niet te functioneren. Ik had mijn masker elke drie maanden op gebreken laten controleren, daarom werkte die van mij goed. De maximale effectiviteit is drie kwartier, dus ik wist dat ik hem zo laat mogelijk moest opzetten om levend bovengronds te komen.’

Ahmet zucht eens diep, inhaleert de rook van een nieuwe sigaret, en vervolgt. ‘Een onbekend aantal mijnwerkers verbrandde levend. Een van mijn kameraden vonden ze met een gesmolten helm op het hoofd, anderen elkaar omhelzend. Sommigen verloren het leven door in paniek met hun gezicht op de grond steenkoolstof te snuiven. Dat deden ze omdat veel mijnwerkers geloven in de mythe dat ze zo kunnen ontsnappen aan het dodelijke mijngas. Ik zag kameraden sterven. Gelukkig kon ik tientallen anderen helpen, mijn chef Ibrahim helaas niet. Hij zat op de grond, ademde moeizaam, zijn gasmasker nutteloos om zijn nek. Ik wilde hem redden. Uit zijn mond en neus druppelde bloed. Hem optillen was niet mogelijk, hij was groter en zwaarder dan ik. Pas tegen half elf ’s avonds wist ik de uitgang te bereiken, uitgeput, in shock. Praten kon ik niet. Ik vroeg om papier en pen. Daarmee heb ik opgeschreven hoeveel doden en gewonden ik gezien had en waar ze waren in de mijn. Mijn tanden waren zwart van het roet en doen nog steeds pijn’.

© Joris Van Gennip

De moeder van de omgekomen mijnwerker Bayram Parca bezoekt zijn graf samen met haar dochter en kleindochter

De ramp in de mijn van het energiebedrijf Soma Kömür Isletmeleri is een schokkend voorbeeld van nalatigheid bij het toepassen van de veiligheidsvoorschriften door de exploitant en het gebrek aan effectief en onafhankelijk toezicht door de overheid. De regering van toenmalig premier Erdoğan privatiseerde de staatsmijn in 2005. Dit was onderdeel van een golf van privatiseringen van staatsbedrijven na de financiële crisis van 2001 om de steunkredieten van het IMF, de Wereldbank, en andere buitenlandse geldschieters te kunnen afbetalen.

In 2012 maakte Alp Gürkan, de grote baas van de Soma-mijn, trots bekend dat sinds de privatisering de productiekosten waren gedaald van 140 dollar tot 24 dollar per ton. De permanente druk om zoveel mogelijk steenkool tegen zo laag mogelijke kosten te produceren en de afwezigheid van sterke vakbonden leidde er toe dat managers allerlei veiligheidsvoorschriften aan hun laars lapten en zelfs bezuinigden op veiligheidsapparatuur.

Boven de mijningang staat met grote letters ‘Veiligheid Voor Alles’. In de media pochte het management dat hun mijn over de ‘meest geavanceerde technologie’ beschikte van heel het steenkoolgebied. Minister van Energie, Taner Yildiz, die negen maanden eerder op bezoek was, prees de veiligheidsmaatregelen en de moderne productiemethoden. Inspecteurs van de overheid gaven het bedrijf zelfs het predicaat ‘de veiligste mijn van Turkije’. De mijn had echter geen functionerende schuilruimtes en het werk was maar gedeeltelijk gemechaniseerd. Alleen in een klein deel van de tunnels werkten mijnwerkers met breek- en snijmachines om de kolen te delven. Het meeste werk was nog handarbeid. Managers hadden geen oor voor klachten van de arbeiders en vakbondsactivisten die aan de bel trokken werden als ‘oproerkraaiers’ op straat gezet.

Twee weken voor de ramp wees de regerende AK Partij een verzoek af voor een parlementair onderzoek naar de veiligheid in de Soma-mijnen. Dat was ingediend door Özgür Özel van de sociaaldemocratische Republikeinse Volkspartij (CHP), omdat mijnwerkers hem hadden verteld over frequente ongelukken in de mijn. AKP-parlementariër Muzaffer Yurttas uit de provincie waar de Soma-mijn ligt, wees Özel verontwaardigd terecht en zei dat de mijnen in Turkije veiliger waren dan in de meeste landen. Verwijzend naar mijnrampen in Europa in het midden van de 19e eeuw, verklaarde Erdoğan na de tragedie in Soma dat dergelijke ongelukken ‘natuurlijk’ waren en ‘over heel de wereld’ plaatsvonden.

Het rapport dat het openbaar ministerie na de ramp opstelde, leest als een litanie van klachten en overtredingen: ontoereikende ventilatie, brandbare apparatuur, onvoldoende opleiding voor mijnwerkers, gebrek aan gassensoren, slechte telefoonsystemen, defecte gasmaskers, een ontoereikend ontsnappingsplan.

De ambitie van president Erdoğan om Turkije in sneltreinvaart te moderniseren en in 2023 de top tien te bereiken van de grootste economieën ter wereld maakt nogal wat slachtoffers. De arbeidsomstandigheden in de bouw, naaiateliers, landbouw, industrie, en toerismesector zijn vaak beroerd. In de steenkolenmijnen ronduit belabberd. Het werk en leven ondergronds is gevaarlijk, bikkelhard, zwaar, vies en ongezond. De sociale status van mijnwerkers is net als die van vuilnisophalers een van de laagste. Onderaannemers in de mijnen jagen hen constant op om harder te werken, schelden hen uit en behandelen hen als menselijk vee. In dat opzicht is er weinig veranderd in vergelijking met de tijd dat Emile Zola zijn roman Germinal (De mijn, 1885) schreef over de mensonterende werkomstandigheden en uitbuiting van de mijnwerkers in Noord-Frankrijk.

© Joris Van Gennip

 

Op het gebied van arbeidsveiligheid heeft Erdoğans “Nieuwe Turkije” een slechte reputatie. Ankara ratificeerde pas in december 2014, aan het slot van het grootste rampjaar in de geschiedenis van de Turkse mijnindustrie, de ILO-conventie uit 1995 voor gezondheid en veiligheid in de mijnsector. Het land heeft het hoogste aantal dodelijke ongelukken per 1 miljoen ton steenkool uit mijnen (7,22), dertig keer meer dan in China (0,24) en 361 keer meer dan in de Verenigde Staten (0,02).

In geen enkel van de 34 belangrijkste industrielanden, verenigd in de Organisatie voor Economische Ontwikkeling en Samenwerking (Oeso), gebeuren er per jaar meer ongelukken op het werk dan in Turkije: gemiddeld zo’n 70.000. Het aantal bedrijfsongevallen met dodelijke afloop is volgens de toenmalige minister van Arbeid en Sociale Zaken, Faruk Çelik, tussen 2002 en 2013 met 55,5% toegenomen. De bouwsector, tijdens het bewind van Erdoğan een van de dynamo’s van de snelle economische groei, is de gevaarlijkste sector. Honderden bouwvakkers per jaar vinden op het werk de dood. Bijna 1 op de 4 dodelijke arbeidsongevallen gebeurt in die bedrijfstak.

Wat loon en vrije tijd betreft zijn de mijnwerkers er na die noodlottige 13e mei 2014 op vooruitgegaan. Ze krijgen nu 650 euro per maand. Dat is twee maal het minimumloon, terwijl de betaling voor de catastrofe lager was dan het minimumloon. De werkweek is teruggebracht van zes naar vijf dagen. Maar de arbeidsomstandigheden en veiligheid in de mijnen zijn amper verbeterd, aldus parlementslid Özgür Özel.

© Joris Van Gennip

Ayse Nur, zus van de door de mijnramp omgekomen mijnwerker Bilal Malkoc (29)

In juni vorig jaar begon de laatste fase van het drie jaar voortslepende proces over de catastrofe in de mijn die het graf werd van 301 arbeiders. De zondag voorafgaand aan de eerste zitting was het Vaderdag. Kinderen van omgekomen mijnwerkers kwamen met hun moeders naar de begraafplaats om hun vaders te bezoeken met bloemen, tekeningen, en briefjes. Op het graf van elektrotechnicus Ferhat Tokgöz (31) legde zijn 7-jarige zoontje Selim een papier met zijn blauw geverfde voetafdrukken en de boodschap ‘Lieve papa, ik hou heel veel van jou, van mijn neus tot mijn tenen’.

Emirhan, een zoontje van een andere mijnwerker, bezorgde een briefje bij het graf van zijn papa waarin hij ondermeer schrijft: ‘Ik voel me niet lekker vandaag. Ik heb een diep gat in mij. Ik mis je. Je bent te vroeg vertrokken. Je ademhaling stopte en je werd levend begraven. Rust in vrede in de hemel, lieve papa’.

De 7-jarige Ismail Ayaz tekent ook om zijn gevoelens van verdriet, angst en woede aan het papier toe te vertrouwen. Enkele van zijn tekeningen hangen in het kantoor van Ismail Colak, die 25 jaar in de mijn werkte, voorzitter is van de vereniging van nabestaanden van de ramp, en wiens zoon Uğur in de mijn omkwam. ‘Vaak tekent mijn kleinzoon mijnwerkers, zoals deze. Van de vier mannen heeft hij er drie vrolijk gekleurd. De vierde is helemaal zwart. Dat is mijn vader, zei hij. Nu is hij in therapie. Hij is getraumatiseerd. Dat uit zich in agressief gedrag naar leerkrachten. En hij schreeuwt op school leuzen tegen de AKP die hij gehoord heeft tijdens onze protesten’.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
In de volgepakte rechtszaal is er bij de hoofdverdachten geen spoor van begrip voor de problemen en pijn van de nabestaanden. Noch van schuldbesef of spijt. Als koele kikkers doen ze hun verhaal. Hoe ze gewoon hun werk deden. Geen van hen acht zich medeverantwoordelijk voor de ramp. ‘Het is alsof we Adolf Eichmann tijdens zijn proces horen’, zegt advocate Secil Ege Degerli. Ze verwijst naar het boek van Hannah Arendt “Eichmann in Jeruzalem. De banaliteit van het kwaad” (1965), waarin de politiek filosofe concludeert dat de voormalige nazileider een typische bureaucraat was die deed wat hem was opgedragen en niet het vleesgeworden kwaad zoals de openbare aanklager hem afschilderde. In de autoritaire, hiërarchische structuur van de Turkse bedrijfscultuur hebben medewerkers en managers geen inspraak. De baas is de baas. Hij is verantwoordelijk.

Dat weet topmanager Can Gürkan maar al te goed, maar in de beklaagdenbank schildert hij zichzelf af als slachtoffer en blinkt vooral uit in zelfmedelijden. In een monoloog van anderhalf uur over wat hij consequent ‘het ongeluk’ noemt, benadrukt hij dat nog steeds niet duidelijk is wat de oorzaak was van het ontstaan van de brand. ‘Voor we dat konden achterhalen, sloten ze de mijn. Het is een provocatie. Ze willen niet weten wat er gebeurd is. Ze willen ons gewoon als zondebokken gebruiken en straffen. Er is geen enkel bewijs tegen mij’. Wanneer hij het heeft over gasmaskers roepen diverse weduwen in de zaal ‘maar die werkten niet’. Niet één keer noemt hij de slachtoffers. Hij zegt dat hij economie studeerde en weinig weet van technische zaken in de mijn. Voorzitter Ismail van de vereniging van nabestaanden lacht schamper. ‘Hij liegt. Gürkan liep al als kleine jongen vaak mee met zijn vader in de mijnen. Hij weet heel wat meer dan hij doet voorkomen’.

© Joris Van Gennip

 

Wanneer de voorzitter van de rechtbank de zitting schorst en agenten van de militaire politie aanstalten maken om de verdachten weg te voeren, explodeert de rechtszaal in een vulkaan van woede, verbale agressie en chaos. Geëmotioneerde weduwen springen op met hun vuisten dreigend richting verdachten. Hun gezichten verkrampen tot grimassen van pijn en haat. ‘Jullie zullen eeuwig branden in de hel’, schreeuwt een van de vrouwen. ‘Hoerenzonen, ik hoop dat jullie achter tralies zullen sterven’, roept een andere weduwe met overslaande stem. Bijna twintig agenten van de oproerpolitie springen op en houden hun schilden van doorzichtig plastic omhoog om de verdachten te beschermen.

De tijd heelt niet alle wonden. Woede en pijn etteren voort in Soma door het uitblijven van processen tegen de belangrijkste verantwoordelijken voor wat nabestaanden “de massamoord” noemen. Geen enkele minister is aangeklaagd of afgetreden, noch inspecteurs die namens de overheid halfslachtige controles uitvoerden. De officier van justitie wilde een strafrechtelijk onderzoek instellen naar twee inspecteurs, maar het ministerie van Arbeid stond dit niet toe.

Wat de oude wonden weer openrijt, is dat de general manager van de mijn, Can Gürkan, een paar weken geleden vervroegd werd vrijgelaten. Hij had minder dan vijf jaar vastgezeten terwijl de rechtbank hem vorig jaar in de ogen van de familieleden ‘een belachelijk lage’ gevangenisstraf oplegde van 15 jaar wegens ‘doodslag door opzettelijke nalatigheid’. ‘Gürkan heeft maar 6 dagen achter tralies gezeten voor elk leven dat we verloren¹, zegt activist Ismail Colak.

Boven de ingang van Soma’s dodenakker staat ‘We zijn het niet vergeten. We zullen het niet vergeten’. Die plechtige belofte is de afgelopen vijf jaar verwaterd tot een soort bezweringsformule, want nabestaanden klagen dat er steeds minder mensen deelnemen aan de herdenking van de ramp. De tragedie zakt langzaam maar zeker weg in de vergetelheid. Amper 75 nabestaanden, familieleden en sympathisanten deden mee aan de stille protestmars ter gelegenheid van de vijfde verjaardag van de ramp.

© Joris Van Gennip

 

Boerin Suna Parca vindt het jammer dat ze er niet bij kon zijn, maar ze is het drama waarbij ze haar 24-jarige zoon Bayram verloor zeker niet vergeten. Op weg naar haar dorpje Yayladali, hoog in de heuvels die zijn begroeid met slanke cipressen en olijfboomgaarden, staan in de bermen overal groepen bloedrode klaprozen. De akkerbloem met zijn korte levenscyclus en flinterdunne blaadjes, fragiel als het leven, en een zwart hart als de dood, lijkt hier sinds de mijnramp de 301 slachtoffers te symboliseren. Net als klaprozen sinds de bloedbaden op de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog in Noord-Frankrijk en Vlaanderen uitgroeiden tot herdenkingssymbool van gesneuvelde soldaten.

© Joris Van Gennip

 

In het dorpje van boerin Suna is het armoe troef. Vroeger leefden veel boeren van de tabaksbouw. Tot ook in Turkije de globalisering toesloeg en de lokale tabaksindustrie moest zien te overleven in de ongelijke concurrentiestrijd tegen prestigieuze Amerikaanse en Britse merken als Marlboro, Camel en Lucky Strike.

De leegloop van het platteland raakte in een stroomversnelling toen de regering staatsmonopolies zoals van tabak, met de bijbehorende garantieprijzen en subsidies voor de boeren, afschafte. Tabak verbouwen was niet langer rendabel en een voor een sloegen de jong volwassenen in de dorpen voor de armoede en het uitzichtloze leven op de vlucht.

© Joris Van Gennip

 

Veel van deze ongeschoolde goedkope arbeidskrachten vonden werk in de bruinkoolmijnen van Soma. ‘In ons dorp wonen amper nog 30 inwoners en mijn 9-jarige kleindochter Havanur is het enige kind hier’, zegt boerin Suna. Net als andere keuterboertjes leeft ze van haar moestuin, haar schapen en geiten, waarvan ze er tegen het Offerfeest veel verkoopt. Op de voormalige tabaksvelden wordt nu vooral genetisch gemodificeerd maïs uit Amerika verbouwd.

Mijnwerker Ahmet (33), die zoveel levens redde, moest van zijn huisarts beloven dat hij nooit meer terug naar de mijn zou gaan. Inmiddels heeft hij een kruidenierswinkeltje annex cafetaria net buiten zijn dorp Kayrakalti, naast een nieuwe elektriciteitscentrale die draait op bruinkool uit Soma. ‘Ze weigeren mij stroom te leveren, dus heb ik maar zonnepanelen op het dak gemonteerd’, zegt Ahmet met een grimlach. ‘Ik verdien net genoeg om mijn gezin te onderhouden. Alleen families van de slachtoffers krijgen steun, wij als getraumatiseerde overlevenden niet. Ik had geluk dat ik die dag niet om het leven kwam, maar net als veel andere kameraden die ontsnapten, kon ik geen werk meer vinden. Een zorgverzekering hebben we niet, want de premie kan ik niet betalen. Daarom moet ik toch weer onder de grond. Als ik bovenop mijn aantal dienstjaren nog drie jaar in de mijn werk, heb ik recht op een uitkering en zorgverzekering. Ik zie geen andere uitweg dan opnieuw bruinkool te gaan delven’.

© Joris Van Gennip

Ahmet Iren overleefde de mijnramp en verdient net genoeg om rond te komen in zijn kleine winkel annex cafetaria.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift