Compay Segundo: een eeuw in de hitparade

Compay Segundo: een eeuw in de hitparade

01 oktober 1999

Francisco Repilado is een van die mensen aan wie de geschiedenis nog net op het nippertje recht doet. Hij is nu haast 92. Zijn grote succes boekte hij toen hij 85 was. Repilado -of Compay Segundo, zoals zijn artiestennaam is- componeerde vóór de Cubaanse revolutie veel liederen en zong met de beste groepen in Havana.

Hij was lid van de groep Matamoros, hij speelde muziek in twee Mexicaanse films, hij was dikke maatjes met Beny Moré en hij zong met Nat King Cole in het casino van het hotel Nacional, in de dagen dat de hoofdstad van Cuba de plek was voor de Amerikanen die hielden van feesten en luxe. Toen Castro met zijn revolutionairen de overwinning had behaald, verdween Compay Segundo in de vergetelheid: de nieuwe machthebbers hielden immers niet van ‘boerenmuziek’, omdat die te veel deed denken aan de slavernij en de lijdzame berusting, zaken die geen betekenis meer mochten hebben in de revolutionaire dagen van de nieuwe, vrije Cubanen.

Veel jaren was Compay dus een onbekende mijnheer tussen zijn landgenoten totdat hij, zoals andere son-zangers, door Europa werd ontdekt. Hij was nog met zijn muziek bezig, maar hij kon ze slechts kwijt in tweederangshotels tussen de tafeltjes van drinkende toeristen. Nu hij in de halve wereld een ster is geworden van de bolero en de son, wordt hij in eigen land met lof en eretitels overladen. Ook leuk om vast te stellen is dat deze oude man helemaal niet oud wil zijn en niets laat zijn hoge leeftijd vermoeden. De mensen van zijn platenmaatschappij zeggen wel: ‘Hij hoort niet zo goed, u zult luid moeten spreken…’, maar het ligt niet aan zijn leeftijd wanneer hij al eens een vraag in de wind slaat. Hij heeft een sterke persoonlijkheid, kan snedig antwoorden, maar weet precies wanneer hij moet zwijgen, want hij laat de dagen na 1960 wel volledig in de mist zodat hij geen kritisch woord moet laten vallen over het politieke systeem in Cuba. Uit een interview dat Sol Alameda met Compay Segundo had voor het Spaanse blad El Pais, enkele ideeën over de liefde en de dood.

‘Ik ben aan een nieuw leven begonnen. Dat is een enorme ervaring. Ik ben zoals mijn grootmoeder, zij was een vrijgekomen slavin, een negerin, een Afrikaanse vrouw. Ik weet niet zeker waar zij vandaan kwam, zij was een slavin van de Spanjaarden, maar ze is Cubaanse. Goed, mijn grootmoeder dus, die slavin was, is als een vrije vrouw gestorven, ze was 115, dat wil ik haar nadoen… Ik zal je dit zeggen: ik ben haast 92, een man van die leeftijd gaat niet meer op jacht, hij wil zelf veroverd worden.’

Omdat de lust verdwijnt?

‘Ja. Ik sta ‘s morgens niet op om nog eens op veroveringstocht te gaan… Luister, ik ben intiem geweest met veertig, misschien wel vijftig vrouwen, omwille van de kunst, de kunst die me dreef. Als ik Macusa (een lied, opgedragen aan zijn eerste en grootste liefde) zing, dan gaat er iets aan het trillen binnen in mij, dat is een onthutsend gevoel. Ik voel me niet oud, zolang je het bloed in je aderen voelt stromen, brandt je kaars. Jij ziet dat ik leef, toch?’

‘Ik geloof dat de mens niet sterft, hij verandert. Ook ik zal niet sterven, ik zal een ander lichaam aannemen zoals iedereen. Als je naar de loop van de natuur kijkt dan zie je bijvoorbeeld hoe een stuk vlees dat je niet in de koelkast bewaart, dood is en vergaat. De wormen vreten het weg. Mijn vlees ook zal door wormen opgevreten worden, zo worden die wormen een stuk van mij. En die wachten dan tot de dag van de verandering aanbreekt, lach niet, ik heb dat gezien, ik heb vlinders zien opstaan, ze buigen hun fijne lichaampje recht, ze dansen wiegend op hun pootjes en plotseling gaan ze groeien, groter, groter en groter en dan botten de vleugels uit, ze slaan ze open en vliegen, omhoog en omhoog. Zo zou ik zeggen: die vlinder daar, dat ben ik.’