Een buswoordje

Blog

Een buswoordje

Een buswoordje
Een buswoordje

‘Guayaquil! Cuenca!’ Een chaos van stemmen die alle mogelijke bestemmingen in dit evenaarsland bezingen, weerkaatst tegen de vuile muren van het busstation in Quito. Mensen lopen af en aan, verkopen sinaasappelen en zelfgemaakte chips of betalen gehaast de tien dollarcent terminaltaksen.

‘Riobamba! Riobamba!’ Dat is de onze! De grote rugzakken gaan onderaan in de laadbak, tussen aardappelen, kippen en boodschappentassen. Zijn reispilletjes en water bij de hand om maag en darmen te beschermen?
In Riobamba zoeken we onze tassen in de berg bagage die de laadbak uitbraakt om net op tijd op een gammele bus richting Oña te springen. Onze rugzakken worden deze keer op het dak van de bus vergezeld door enkele schapen op weg naar de beestenmarkt in Guamote. De bus vertrekt terwijl wij met vallen en opstaan een plaatsje boven de wielen bereiken. Ons gestuntel wordt met grote ogen gadegeslagen door een achtjarig jongetje dat tracht zijn middageten bijeen te zingen.
In Guamote geeft een staking van de campesinos ons voldoende tijd om op de markt een voorraad gepofte maïs en enkele flesjes water in te slaan. Weer onderweg houden de steile afgronden onze vermoeide ogen wagenwijd open. We vliegen langs Andesstadjes, krottenwijken, hellingen waarop boeren hun minieme veldjes bewerken. Samen met ons rollen acht uur later de wolken over de bergen heen het dal van Oña binnen.
Een maand later … de gemeentewagen maakt rond een uur of vier in de morgen de Panamericana, de Andesweg die Ecuador met Vuurland verbindt, onveilig. Overvloedige regenval zorgt voor hevige erosie die de weg met rotsblokken en diepe putten bezaait. Nadat onze maag ons zes keer dwingt de helse rit te onderbreken, sukkelen we het busstation van Loja binnen, waar we de eerste de beste bus naar Piura, Noord-Peru, opgewipt worden. In Macará wordt ons gedommel en gedagdroom bruut onderbroken. Slaapwandelend worden we Ecuador uitgestempeld. Het is middag, het grenswater glinstert in de felle zon. Een grijnzende grijsaard geeft ons 142 Peruviaanse nieuwe soles voor de 50 verkreukelde dollar die we uit al onze zakken vissen. Met een zakje vers geperst fruitsap zeggen we Ecuador vaarwel.
In Piura stappen we op een ronkende bus die grote wolken zwarte rook uitblaast, een afgedankt Japans model, zoals er in Fujimori’s tijd hele scheepsladingen werden aangevoerd. Van tijd tot tijd worden we wakker geschud door straatventers die de bus tot hun afzetmarkt hebben gemaakt: kip met rijst, gebakken bananen, verdacht goedkope en ‘verbazingwekkend goed werkende’ medicijnen om kanker te voorkomen, pilletjes tegen griep en diarree. Panfluiten en charango’s begeleiden alles op de maat van het gehobbel.
Met een stuk kip achter de kiezen nemen we in Lima plaats voor ons persoonlijke breedbeeldscherm, voor een tweeëntwintig uur durende reportage van National Geographic, live door de voorruit. Een bezoek aan Cusco , ‘de navel van de wereld’, later, houden we een van de minibusjes tegen, waarin we het volgende halfuur met een kromme rug geklemd staan tussen niet te identificeren buiken, benen en armen en zakken fruit. Om de vijf minuten stopt het busje om mensen in en uit te laten. Door alle gaatjes heen kijken we naar twee toeristen die door een taxi aan de overdekte artisanale markt worden gedropt.
Op de haast lege Plaza van San Jeronimo worden we uitgeschud. Onze rugzakken gooien we in een van de vele lege kamers in het lokale hotelletje waarna we de steegjes naar de hoofdweg afdalen om de schoolbus naar Conchacalla op te wachten. In een vrachtwagen volgeladen met schoolkinderen en zakken patatten hobbelen we naar deze landelijke gemeenschap van San Jeronimo. Regelmatig klinkt het ‘baja baja’ waarna de auto stopt en een kind uit de laadbak springt om huiswaarts te keren.
De schaduwen zeggen vijf uur, hoog tijd om de laatste auto te strikken. Via de bergwanden die het donkere dal omringen, vertelt een vrouw ons echter dat er geen auto’s meer afdalen.
Even later vergezelt het Zuiderkruis ons op de weg te voet naar beneden. De tocht langs dit verlaten Inkapad lijkt oneindig … tot honden ons de bewoonde wereld in blaffen.  Een bus richting Bolivia raast voorbij. Wij pakken de volgende.