Farish A. Noor: religieus geweld is niet godsdienstig

Farish A. Noor: religieus geweld is niet godsdienstig

01 maart 2000

Het behoort stilaan tot de vaste ingrediënten van ons nieuwsmenu: gewelddadige botsingen tussen christenen en moslims. Onlangs nog in Nigeria, naar aanleiding van een dubieuze en overhaaste invoering van de sharia. Al jaren in Sudan. Zo nu en dan in Egypte. En sinds vorig jaar ook in Indonesië.

Vaak worden deze conflicten verklaard vanuit een onverwerkt verleden. De kruistochten, mijnheer. Dat kan gedeeltelijk opgaan voor rellen in het Midden-Oosten, maar Afrikanen en Zuidoost-Aziaten hebben die duizend jaar oude frustraties niet. Waarom gaan moslims en christenen elkaar dan toch met geslepen machetes te lijf in Ambon, Oost-Timor en Atjeh? Farish A. Noor, moslim en secretaris-generaal van de in Maleisië gevestigde ‘International Movement for a Just World’ probeert de waanzin te begrijpen.

‘In de Molukken -zoals in de meeste andere regio’s van het Indonesië onder Suharto- werd de inheemse bevolking verdeeld en in hokjes geklasseerd naargelang hun toebehoren tot etnische, culturele of religieuze groepen. Deze oefening in verdeel-en-heersstrategieën zorgde ervoor dat de socio-economische kloven die ontstonden tussen mensen gingen samenvallen met de cultureel-religieuze verschillen. Vaak betekende dit dat moslims bevoordeeld werden tegenover niet-moslims, maar soms bleek het ook nuttig om dat om te draaien. In elk geval was de doelstelling in grote lijnen dezelfde: het creëren van een achterban -hoe fragiel en kwetsbaar die ook was- die wat verschuldigd was aan de machtigen van het moment en die dus ook bereid zouden zijn de bevelen van bovenaf uit te voeren.’

Dat bleek uiteindelijk toch geen duurzame strategie geweest te zijn?

‘Het werkte, zo lang het economisch gesmeerd liep in Indonesië en het geld binnenstroomde. De economische crisis van de jongste jaren toonde echter de ware Indonesische economie: een geheel van banken die diep in de schulden staken en waarvoor er een ontoereikende wetgeving was, met daarnaast een hoop bedrijven die allemaal gebonden waren aan de belangen van buitenlands kapitaal en van de binnenlandse elite. Met de economie op de knieën droogde de stroom van fondsen en middelen naar de afgelegen gebieden op. De verschillende etnische en religieuze gemeenschappen kwamen tot de vaststelling dat ze vanaf nu in een niets ontziende concurrentie met elkaar kwamen te staan voor de overblijvende kruimels. Die concurrentie escaleerde in gewelddadige conflicten tussen en binnen gemeenschappen. Met andere woorden: de economische crisis legde de bestaande, maar verholen sociaal-politieke crisis aan het licht.’

Is er een goede reden waarom dan uitgerekend religieuze sentimenten de boventoon voerden in de botsingen tussen gemeenschappen?

‘Dat heeft wellicht te maken met het belang dat gehecht wordt aan godsdienst én met het feit dat de religies zich niet goed beveiligd hebben tegen de zeloten en opportunisten onder hen. Het werd immers snel duidelijk dat wie zijn eigen macht of die van zijn omgeving wou uitbreiden, geen beter vehikel daarvoor zou vinden dan dat van de religie. De religies hebben Indonesië dus niet verdeeld, maar de bestaande tegenstellingen boden religieuze fanatici en extremisten -vaak misdadigers, moordenaars en brandstichters- een unieke kans om zich op te werpen als leiders van hun respectieve gemeenschappen. In de plotse crisis waarin Indonesië ondergedompeld werd, maken slogans als ‘eigen volk eerst’ ook véél meer kans om gehoord te worden dan de oproepen tot verzoening en wederopbouw, die nochtans ook gelanceerd werden.’

Wat te doen?

‘De eerste verantwoordelijkheid ligt bij de Indonesische regering nu snel moet handelen en vooral moet vermijden om de conflicten zelf ook te benaderen als religieuze conflicten. Op de langere termijn hoop ik dat de desastreuze ervaring van Indonesië andere landen en machthebbers leert dat het verdelen van mensen op religieuze of etnische basis altijd als een boemerang terugkeert. Voor de Molukken is het in zekere zin te laat: daar zijn mensen vermoord in de naam van christendom en islam. Voor anderen kan deze bloedige waarschuwing misschien nog op tijd komen.’