Water als koopwaar

Water als koopwaar

01 maart 2002

Water wordt schaars. En dus kan het een rendabele koopwaar worden, vinden het bedrijfsleven en de Wereldbank. Dat zou ook het beste zijn voor de mensheid, menen ze. Tegenstanders van die visie steken de neus aan het venster, maar hebben nog veel werk te doen. John Vandaele sprak met beide kampen.

Het klinkt raar maar het is waar: er stroomt minder water naar zee dan vroeger. Rivieren zoals de Gele Rivier (China), de Nijl of de Brahmaputra worden zozeer door de mens ‘benut’ dat ze minder, en tijdens bepaalde periodes van het jaar, zelfs helemaal geen water meer naar de monding voeren. Het toont aan dat de mens tegen bepaalde grenzen stoot in zijn omgang met water. Water wordt schaarser. Erg geloofwaardig komt zo’n stelling wellicht niet over voor wie alweer een Belgische winter van eindeloos veel regen achter de rug heeft. Als je de cijfers echter in een globaal en ruimer tijdskader plaatst, krijg je een ander verhaal.

Landbouw als slokop
Op het eerste gezicht verzuipt de aarde in het water: 1,386 miljard kubieke kilometer om precies te zijn. Zoetwater is echter slechts goed voor een kleine drie procent daarvan. Zoetwater ligt echter vooral opgepakt aan de polen en in de bergen als ijs en sneeuw. Van 11 miljoen km3 vloeibaar zoet water zit dan weer twee derde onbereikbaar diep. Per mens blijft er 508 000 m3 of 500 miljoen liter water over. Oneindig veel meer dan het gemiddeld jaarlijkse huishoudelijk verbruik van de Vlaming: 42 340 liter.
De vraag is hoeveel water de mens mag gebruiken zonder de hoeveelheid zoetwater te doen verminderen? Wat is een duurzaam watergebruik? De mensheid zou jaarlijks 16.000 km3 zoet water mogen gebruiken. Dat is 7.300 liter per dag per persoon. Vlamingen doen het gemiddeld met 116 liter huishoudelijk verbruik en zuinig zijn we niet met water. Het huishoudelijk verbruik is echter maar een fractie van het water dat we nodig hebben. De productie van alles wat we per dag eten, vereist tussen de 7.000 en 9.000 liter water – 70 procent van het menselijk watergebruik gebeurt via de landbouw. Zo bekeken is dat wereldgemiddelde niet zo gigantisch veel.

Waterstress
In een regio is sprake van ‘waterstress’ – druk op het water – als er per persoon minder dan 1.700 m3 per jaar of 4.650 liter per dag beschikbaar is. Komt daarbij dat het water erg ongelijk is verdeeld over de planeet. Zuid-Amerika zit er natjes in. Het Amazonebekken heeft 16 procent van de wereldvoorraad aan zoetwater hoewel er slechts een kleine 3 procent van de wereldbevolking woont. Noord-Afrika en het Midden-Oosten tellen drie maal zoveel mensen, maar die beschikken slechts over één procent van de wereldvoorraad zoetwater. Omdat water moeilijk transporteerbaar is, kan de mens in feite slechts 12.000 km3 van de beschikbare 16.000 km3 zoetwater effectief gebruiken. Dat brengt ons op een gemiddelde van 2.000 m3 per mens per jaar, dat is 5.400 liter per dag. Noord-Afrikanen hebben gemiddeld minder dan 2.700 liter per dag. Catastrofaal laag, noemen experts dat. Het Midden-Oosten, Zuidwest- en Centraal-Azië scoren tussen de 2.700 en 5.400 liter per dag: ernstige tekorten doen zich voor. 35 procent van de wereldbevolking leeft in een van deze twee categorieën. Noord-Europa zit goed, Zuid-Europa heel wat slechter.

Toekomst: ramp?
Noord-Europa, Canada, Zuid-Amerika, Centraal-Afrika en Oceanië beschikken over veel water. Het is vooral in Azië en grote delen van Afrika dat het waterschoentje knelt. Als er niets verandert, heeft tegen 2025 twee derde van de wereldbevolking minder dan 5.400 liter per dag. De helft van de wereldbevolking zal in regio’s met ‘waterstress’ leven. Die waterschaarste ontstaat niet alleen omdat we met steeds meer mensen zijn, maar ook omdat we steeds meer water vervuilen en verspillen. De irrigatie in de landbouw – goed voor 70 procent van ons watergebruik – zou bijvoorbeeld veel efficiënter kunnen.
Als er niets drastisch verandert, stevenen we op een menselijke ramp af. Momenteel heeft 1,4 miljard mensen geen drinkbaar water. Tegen 2025 zouden het er drie miljard zijn. Als mensen drinkwaterleidingen ontberen, heeft dat grote gevolgen. Dagelijks sterven nu al tussen de 20.000 en 30.000 mensen bij gebrek aan zuiver water. Water halen vergt ook veel arbeidskracht. In vijf Oost-Afrikaanse landen die UNICEF, het Kinderfonds van de VN, onderzocht, moest elke familie dagelijks één huisgenoot inzetten om aan water te komen. Elk jaar besteden wereldwijd vooral vrouwen 2 tot 3 miljard werkdagen aan het halen van water.
Ook de enorme verstedelijking in het Zuiden is een uitdaging. Tegen 2025 telt het Zuiden 600 miljoenensteden. Deze megasteden strijden met de landbouw om het schaarse water. Bij gebrek aan goede riolering en waterzuivering vormen ze ook bron van watervervuiling.

Koopwaar of recht?
In het Zuiden zijn dus immense investeringen nodig om drama’s te vermijden, maar hoe? Veel ontwikkelingslanden hebben immers het geld, noch de technische kennis om drinkwatervoorzieningen aan te leggen. Toen de Belgische gemeenten in het begin van de 19de eeuw de verantwoordelijkheid voor de drinkwatervoorziening kregen, ontbrak het hen ook aan geld en kennis. Geïndustrialiseerde gemeenten waren de eersten om een waterleiding aan te leggen. In landelijke gemeenten lukte dat maar niet. Uiteindelijk kwam de staat in 1913 tussen via de oprichting van de Nationale Maatschappij der Waterleidingen (NMDW). Met één miljoen aansluitingen is de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening (VMW) nog altijd de grootste van Vlaanderen.
Kunnen landen in het Zuiden zelf voor waterleiding zorgen als lokale actoren onvermogend blijven? Vele ontwikkelingslanden torsen een zware schuldenlast, beschikken niet over de knowhow en hebben ook niet altijd de intentie om iedereen drinkbaar water te geven. Als de inspanning over eeuwen kan worden gespreid, ligt het misschien anders. Maar die keuze durft eigenlijk niemand maken. Nu al is er sprake van ‘watervluchtelingen’. Voor de Europese Unie is dat geen ijl gepraat, want vlakbij liggen de droogste regio’s ter wereld: Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Waterbeleid
Er moet een beter waterbeleid komen in de wereld. Ruime overeenstemming is er over het feit dat een waterbeleid globaal of geïntegreerd moet zijn, uitgaande van de globale noden: huishoudens, landbouw én de industrie, zowel van waterarme als van waterrijke landen. Dat klinkt makkelijk, maar we zijn er nog lang niet aan toe.
Maar er is natuurlijk ook geld nodig. 50 miljard dollar per jaar. Sinds de jaren negentig dringt het Westen – dikwijls bij monde van de Wereldbank en haar zusjes – aan op privatisering. De redenering luidt dat de waterproblemen in sterke mate voortvloeien uit het feit dat water veel te goedkoop is. Dat veroorzaakt verspilling – in de landbouw bijvoorbeeld door het subsidiëren van irrigatiewater – en belet dat de privé-sector rendabel kan investeren in watervoorzieningen. Bij zulke lage prijzen is immers geen winst te maken met water. De roep om privatisering werd de voorbije tien jaar wereldwijd uitgedragen en toegepast. Het Westen beschikt in veel ontwikkelingslanden over belangrijke hefbomen om die visie door te drukken: geld. Stef Lambrecht van PROTOS, de Belgische NGO gespecialiseerd in watervoorzieningen, zegt: “De internationale gemeenschap is minder happig om regeringen of openbare waterbedrijven te financieren. Privé-watermaatschappijen komen wel in aanmerking.”
Het is onder meer als protest daartegen dat prof. Riccardo Petrella zijn ‘Watermanifest’ schreef in 1999. Hij, samen met grote delen van de andersglobalistenbeweging, vindt dat water zowat het laatste is dat je moet privatiseren. “Het water is een levensnoodzakelijk goed. Iedereen heeft recht op de hoeveelheid water die hij nodig heeft om te leven, of hij nu arm of rijk is. De gemeenschap moet ervoor zorgen dat dit recht ook gerespecteerd wordt.” Via een wereldwijde campagne hoopt Petrella een tegenwicht tot stand te brengen voor de privatiseringslobby. En de wereld warm te maken voor 3 miljard extra waterkranen tegen 2025. Via een heffing die de banken zichzelf zouden opleggen, hoopte Petrella geld bijeen te brengen voor de watervoorziening in miljoenensteden van het Zuiden.

Watervisie
Heeft Petrella’s watermanifest het tij kunnen keren? Op het eerste gezicht niet. De privatiseringstrein dendert verder. Wateraandelen scoren goed op de beurs: de beleggers geloven dus in de commercialisering van water. Het succes van de privatiseringsvisie blijkt ook uit de opgang van de World Water Council (WWC). De indrukwekkende ledenlijst van WWC bevat namen van academici, waterbedrijven uit heel de wereld en internationale organisaties. De WWC stelde in 1998 een commissie samen die een ‘Wereldwatervisie’ op papier moest zetten. De Wereldbankgroep was hierin dominant aanwezig, evenals vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, waaronder Suez-Lyonnaise-des-Eaux, nu Ondeo, ‘s werelds grootste watermulti.
De Wereldwatervisie stelt dat “het water moet worden verkocht tegen zijn volle kostprijs aan alle gebruikers. De basisnoden moeten voor alle mensen vervuld kunnen worden, maar dat gebeurt efficiënter als het niet ver onder de kostprijs ter beschikking wordt gesteld van de gebruikers”. De Council wil de armsten aan water helpen door hen te subsidiëren of door de installatiekosten te verlagen door hen te laten meewerken aan het aanleggen van de infrastructuur. De belangrijkste taak van de overheid bestaat dan uit het normeren van de sector: het opleggen van regels aan de privéactoren inzake prijzen, kwaliteit en uitbreiding van het netwerk.

Knowhow
Lambrecht vindt dat problematisch: “Er wordt geprivatiseerd omdat de overheid geen knowhow heeft, maar als regulator moet je feitelijk meer kennis van zaken hebben dan als investeerder.” Als die knowhow er niet is, krijgen de privé-maatschappijen zowat vrij spel. Maris Dela Cruz van de Freedom from Debt Coalition, een koepel van Filipijnse NGO’s, zegt het zo: “We zijn niet per se tégen privatisering, maar het werkt niet zonder goede regulering. Bij nutsvoorzieningen als water of stroom beschikt een bedrijf over een monopoliepositie: zonder strakke regels kan het makkelijk de prijzen optrekken. In een corrupt land als de Filipijnen vind je echter moeilijk onafhankelijke regulatoren. Gevolg: de waterprijzen stegen sterk na privatisering hoewel de dienstverlening niet verbeterde. IMF en Wereldbank leggen ons een beleid op dat vooral hun broodheren – de rijke landen – goed uitkomt: Europese en Amerikaanse bedrijven varen wel bij een privatisering van onze nutsvoorzieningen.”
Zonder sterke democratische controle en instellingen is privatisering absoluut geen wondermiddel. Er zijn voorbeelden van privatiseringen waar ook arme mensen betere watervoorzieningen kregen, maar de bedrijven neigen toch sterk naar ‘cherry picking’: ze leggen het liefst waterleidingen aan in rijke stadsdelen waar mensen wonen die de prijs van het water kunnen betalen.

Water & democratie
“De reden is dat de privé-sector in veel landen weinig of geen tegenwicht krijgt”, aldus Stef Lambrecht. “In een aantal landen wordt de watersector gewoon overgenomen door het buitenland. Ze voeren het beleid niet alleen uit, ze tekenen het ook uit. Dat gebeurt door studiebureaus die vaak structurele banden hebben met de waterbedrijven. Zo voert het Belgische Tractebel studies uit hoewel het in dezelfde groep zit als Ondeo. In Madagaskar gebeurde de zogeheten ‘actualisering’ van het waterbeleid door drie partijen: de Wereldbank, een studiebureau dat heel erg pro-privatisering is en een specialist uit Madagaskar die betaald wordt door de Wereldbank. Die laatste heeft wel zijn eigen mening, maar zit uiteraard in een dubbele positie.”
Christian Legros van Belgaqua, de vereniging van de Belgische openbare waterbedrijven, beaamt: “Democratie en watervoorziening gaan samen. Dat was bij ons zo. In het Zuiden is het niet anders.” Belgaqua is net als Protos lid van de Belgische Vereniging voor het Wereldwatercontract die het Watermanifest van Petrella naar de Belgische context vertaalt. Legros: “Wij zijn de tegenhanger van het World Water Council zoals Porto Alegre tegenover Davos staat. Privatisering heeft soms positieve resultaten, maar dikwijls ook niet. Dat model mag dus niet overal worden opgedrongen; er zijn ook andere werkbare modellen.” Het Belgische watermanifest wil de openbare watervoorziening veilig stellen, het kraantjeswater herwaarderen, de waterburgerzin aanscherpen evenals de wereldsolidariteit over water.

Privatiseringsdenken
Stef Lambrecht meent dat “die tegenwind de financiële organisaties en bedrijven toch onder druk heeft gezet om meer oog te hebben voor de sociale kanten van het waterverhaal”. Toch blijft het privatiseringsdenken dominant. Het alternatief is immers dat de internationale gemeenschap met overheidsmiddelen de openbare watervoorziening in het Zuiden zou gaan financieren. En daar lijken de internationale financiële instellingen en de rijke landen niet aan toe. Lambrecht: “Daarom willen we ook niet àl onze energie stoppen in de strijd tegen privatisering. We willen bestaande privatiseringen zo sociaal mogelijk maken. Dat is ons al wat gelukt in Haïti. Verder willen werken aan de uitbouw van alternatieven: participatieve modellen waar verbruikers en lokale gemeenschappen zélf hun watervoorziening uitbouwen.” Wordt vervolgd.