Were Were Liking: een liefde van honderd levens

Were Were Liking: een liefde van honderd levens

01 november 1999

Ze is de matriarch van een bruisend kunstenaarscollectief in het centrum van Abidjan, Côte d'Ivoire. Ze is ook schrijfster, theatermaakster en toeverlaat van zoekende zielen: de Kameroense Were Were Liking is een broeinest aan ideeën en artistieke initiatieven. Haar taal is als de omgeving waarin en waaraan ze werkt: tropisch, hedendaags én Afrikaans. Wie een blik wil werpen op de liefde van de toekomst, kijkt in de spiegel en ziet achter zich een oerwoud aan ervaringen en verhalen uit het verleden. Dat is een wat filosofische samenvatting van de reden waarom we u in deze special een voorpublicatie cadeau doen uit de nieuwe roman van Were Were Liking: 'Een liefde van honderd levens'.

Sommige levens dragen een bijzonder stempel. En degenen die ze leven kennen geen alledaagsheid. Zowel hun lafheid als hun moed, hun kracht als hun zwakte, hun gebreken als hun kwaliteiten hebben altijd iets uitzonderlijks. Dat geldt ook voor het leven van mijn broer, Lem Liang Mianga…

Ga maar na… Zijn naam alleen al is een heel verhaal. ‘De Gewoonte’ of ‘de Manier om bruggen te slaan’.

Hij is inmiddels een bekend kunstenaar, gehuwd en vader van een aantal kinderen, maar hij heeft zijn hele leven slechts van één vrouw gehouden en dat zal ongetwijfeld altijd zo blijven: van Madjo, onze grootmoeder van vaderskant. Zijn vrouw weet dit en neemt het voor lief: zo’n vreemd, van elders gekomen wezen had natuurlijk ook vreemde gevoelens…

Wanneer je kijkt naar zijn prachtige beeldhouwwerken, wanneer je zijn kinderen ziet, wanneer je hem met zijn mooie stem zijn droomliederen hoort zingen, betreur je oprecht dat niet meer ongelukkigen zijn verbeeldingskracht bezitten om een of ander verhaal te verzinnen, vooropgesteld dat het de anderen schoonheid laat zien en zij daardoor weer hoop kunnen koesteren.

En als dit krankzinnige verhaal van een liefde-van-honderd-levens in staat is de fantasie te prikkelen van enkele krankzinnigen (zelfs onder degenen ‘die ons regeren’) en ervoor kan zorgen dat zij hun meest dierlijke `driften sublimeren’ om er vallende sterren, een sprankje hoop van te maken in dit leven, dan kan ik tegen mezelf zeggen dat ik, door het te vertellen, mijn lotsbestemming heb aanvaard waarvoor ik ben geboren, naast het zo uitzonderlijke leven van die ander.

Iedereen was het er over eens dat het opvallendste aan Madjo haar ogen waren. Haar ogen en haar tanden. Tanden als paarlemoer, als iets kostbaars, waarlangs nimmer een onvertogen woord zou komen. Daarom sprak ze ongetwijfeld weinig en lachte ze des te meer…

Haar ogen waren nu eens peilloze diepten, meren die tot de verdrinkingsdood noodden, dan weer magische spiegels die het in de angsten en verlangens van dat ogenblik gehulde beeld weerkaatsten, laserstralen die doordrongen tot in de intiemste gedachten en gevoelens, door geen obstakel gehinderd…

Tatoeages, de sporen van haar inwijding als jong meisje, kronkelden langs haar armen en haar uitzonderlijk lange hals, eindigend in zonnebloemblaadjes rond haar mond; indigoblauwe tatoeages die donker afstaken tegen haar goudbruine huid; deze tatoeages waren als door een wonder intact gebleven ondanks de brandwonden die haar op een bizarre manier hadden verminkt toen Lem werd geboren. Daar vertel ik u dadelijk meer over…

Lijnen, blikken en een lach, tanden en licht, kleuren en stem, Madjo…

Lem had het gevoel dat hij haar al een aantal levens kende, daar durfde hij een eed op doen. Hij had altijd geleefd met deze zekerheid, maar had er verder niets achter gezocht. Kwam het door de brandwonden in haar gezicht dat Lem haar niet strak kon aankijken, noch zichzelf?

Maar die dag, toen hij haar daar zag staan onder zijn strop van navelstrengen, voelde hij een hevig en onbedwingbaar verlangen opkomen, de onweerstaanbare behoefte haar eindelijk een plaats te geven. Wie was zij werkelijk? Wie was zij voor hem?

Net als wij allen kende hij alleen haar verhaal: ze was op haar negende met grootvader getrouwd, kort na haar inwijding als meisje. Ze werd `Ngo Bakéña’ genoemd, `zij die omsloten werd’, `Ngo’Kéña de Gewiekste’. Die naam had ze gehouden, en alleen onder die naam kende ik haar. Later zou ik haar meisjesnaam ontdekken, tegelijk met de naam van mijn verwekker…

Ze was bij mijn grootvader gearriveerd, vergezeld door veertig bediendes en met veertig Venetiaanse en Amsterdamse parelkettingen om haar frêle heupen, een kolossale rijkdom voor die tijd.

Desondanks ging ze ‘s morgens heel vroeg naar haar velden en keerde ze terug wanneer de andere vrouwen op weg gingen. Men vergeleek haar met de karamelvrouw uit onze verhalen, die smolt toen men haar dwong in de zon te werken, want ze bracht haar tijd altijd door in de schaduw of in haar kookhut, waar ze hapjes klaarmaakte of halskettingen en andere kunstvoorwerpen vervaardigde, en ze wekte de indruk dat ze zou doodgaan als haar handen niets meer konden maken…

Later, toen ze kinderen begon te krijgen, vervaardigde ze uitzetten waarover de hele streek sprak. Ze bracht tien kinderen ter wereld, onder wie de vader van Lem. Deze trouwde heel jong en kreeg Lem terwijl Madjo zwanger was van haar laatste kind, dat wil zeggen van mij, degene die tot u spreekt… Zodat haar eerste kleinzoon ouder was dan haar laatste kind, wat wellicht verklaart waarom ik haar altijd `grootmoeder’ of Madjo noemde, net als Lem, en ik mijn vader altijd `grootvader’ heb genoemd… Ik heb trouwens lang gedacht dat de ouders van Lem mijn ouders waren; misschien wel omdat mijn moeder, die haar nieuwe rol van grootmoeder met verve vervulde, veel liever en geduldiger was voor Lem dan voor mij, en omdat de moeder van Lem haar toevlucht tot mij had moeten nemen…

Maar in werkelijkheid was de vader van Lem mijn oudere broer, en was Lem mijn neef, ook al was hij ouder dan ik… Omdat ik nu eenmaal gewoon ben hem mijn broer te noemen en omdat mijn relatie met hem veel meer broederlijk is dan die tussen oom en neef, staat u mij hopelijk toe dat ik hem mijn broer blijf noemen. Trouwens, wie weet waren wij ooit wel broers, ergens lang geleden, in den beginne?

Maar als je de verhalen mag geloven, zou Madjo dol op mij geweest moeten zijn, want ik was, zo zei men, de nakomeling van een minnaar van wie ze hartstochtelijk veel had gehouden, zoals men alleen kan liefhebben in de bloei van het leven… Een minnaar die voor mijn geboorte gestorven was, vlak voor Lem ter wereld kwam…

Ik hoop niet dat u al over grootmoeder geoordeeld hebt volgens de gangbare normen, of bedacht hebt dat zij een ontrouwe echtgenote was… Want ziet u, er bestonden in die landen gewoonten die men binnenkort als iets futuristisch’ zal beschouwen, omdat we daar misschien wel op terug moeten grijpen om de instituten te redden die vandaag de dag `op springen staan’, zoals huwelijk en religie…

Zo beschouwde men bij de Verzamelaars het huwelijk niet als een individuele aangelegenheid van het hart, maar als een instituut en een sociale plicht waarbij de hele gemeenschap betrokken was; een zaak van het verstand dus, van volwassenen… Twee clans veranderden immers van structuur, kregen nieuwe takken aan hun stamboom, kregen te maken met verbintenissen die zich niet beperkten tot twee individuen. Daarom waren het veeleer families die elkaar kozen dan individuen. Maar omdat men wist dat mensen behoefte hebben aan liefde om zich als individu te kunnen ontplooien, waren er bepaalde uitwegen en restricties voorzien…

Hoewel de vrouw vergeleken met de man benadeeld werd – polygamie was geoorloofd bij de Verzamelaars, maar polyandrie niet – was men haar niet helemaal vergeten: ze had recht op een minnaar naar keuze, ze had recht op liefde… Als deze minnaar de liefde van de vrouw met hart en ziel beantwoordde, moest hij zijn opwachting maken bij haar echtgenoot en vanaf dat moment had hij bepaalde plichten, zoals wild verschaffen en kleine cadeaus geven, extraatjes. Maar de verhouding mocht nooit in het dorp zelf zichtbaar zijn. De minnaar moest een `liefdesnest’ bouwen in de rimboe en mocht de vrouw nooit openlijk aanspreken. Hoewel iedereen op de hoogte was, moesten de geliefden doen alsof het een groot geheim was: nooit toegeven, nooit samen gezien worden, elkaar nooit openlijk cadeaus geven… De vrouw had het recht haar minnaar van voedsel te voorzien; men ging er trouwens van uit dat bepaalde stukken van het wild en gevogelte rechtens aan de minnaar toekwamen, maar het voedsel moest naar de rimboe, naar het `liefdesnest’ worden gebracht. Bovendien moest het eten voor de minnaar altijd door een tussenpersoon worden gebracht en nooit door de vrouw zelf, ongetwijfeld om te voorkomen dat de dagelijkse sleur werd nagebootst van het huwelijk met zijn vele plichten, die immers de Liefde `vermoorden’.

De kinderen die uit deze verhoudingen werden geboren, waren altijd de kinderen van het gezin. Bij de Verzamelaars stond het begrip vader veeleer voor degene die verantwoordelijk was voor de opvoeding en de vorming van de kinderen dan voor de verwekker. Trouwens, een volkswijsheid zegt dat zelfs een hond vruchtbaar zaad heeft, maar dat het niet iedereen is gegeven een gezin te stichten en een stam of zelfs een volk voort te brengen…

Men kon een vrouw dus niet van ontrouw beschuldigen omdat zij een minnaar had van wie ze hield. Er was pas sprake van ontrouw wanneer zij deze minnaar bedroog met iemand anders, om welke reden dan ook. Dan moest de echtgenoot ingrijpen… De minnaar mocht zijn minnares onder geen beding slaan: hij moest al het goede van de liefde aandragen, omdat het huwelijk al genoeg opoffering en aanvaarding van de vrouw eiste.

Madjo leefde jarenlang zonder minnaar, zo lang dat iedereen ervan overtuigd was dat zij het geluk had gehad een man te trouwen van wie ze hield. Iedereen was dan ook verbaasd toen ze op latere leeftijd een jonge minnaar nam… Maar deze minnaar – wiens naam men nooit in mijn bijzijn noemde – was zo’n uitzonderlijk iemand dat men besloot dat deze vrouw wel bijzonder veel geluk met mannen moest hebben. Het was ongetwijfeld haar lot om uitzonderlijke mannen tegen te komen… En deze minnaar had zoveel van haar gehouden dat hij haar bijna als een fetisj, als een godin zag…

Dus omdat ik de natuurlijke dochter van zo’n liefde was en haar allerlaatste kind, had Madjo het meest van mij moeten houden; en ik begreep niet waarom ze de voorkeur gaf aan haar kleinzoon Lem… Kwam het misschien omdat ze zo door hem had geleden?

Toen Lem werd geboren zorgde een elektriciteitsstoring er voor dat de kraamkliniek in een bijna bovennatuurlijke duisternis werd gehuld… Men kon zelfs geen lucifer vinden, terwijl het kind juist tevoorschijn was gekomen als een ei, samen met de hele placenta, waar hij zo snel mogelijk uit gehaald moest worden… Grootmoeder rende als een gek door de keukens en fabriceerde snel een olielamp die ze aanstak met een gloeiend kooltje… Bij het schijnsel van deze lamp bevrijdde mijn oudste zuster, die vroedvrouw was, Lem uit zijn cocon. Maar toen hij eindelijk huilde, deed hij iedereen in de kraamkliniek verstijven met zijn kreten: het geluid was als een lied, of beter een bezwering, een magisch geluid… Grootmoeder liet de lamp vallen en schreeuwde: `Roumben!’, en toen ze flauwviel kwam ze in de vlam terecht! De vlammen lekten aan haar gezicht en verbrandden haar op een vreemde manier: het leek wel of ze haar hulden in een masker als om haar te verbergen, zodat ze niet meer herkend zou worden… Alleen de tatoeages drongen door het masker alsof het transparant was, een magisch teken… Sindsdien leken haar ogen en tanden helderder; zijn ze daarom zo beroemd geworden en opgenomen in het verhaal van Madjo dat men zo graag aan de kinderen vertelde?

Dan stelden we allerlei vragen en ik vroeg altijd: `Maar waarom schreeuwde ze de naam Roumben?’ En elke keer hield men dan op met vertellen, de ogen neergeslagen… Ten slotte stelde ik de vraag niet meer… Later, veel later, zou ik het begrijpen: de liefde tussen de ouders (als echtgenoten of minnaars) is in de ogen van kinderen altijd veel sterker dan de affectie die de ouders hen geven. Lem, dat was liefde, en ik affectie…

Were Were Liking. Een liefde van honderd levens. In de Knipscheer. ISBN