Voorpublicatie uit 'Macht in vraag gesteld'

Jeugdwelzijnswerk vroeger en nu

© Uit De Marge/Acco

‘Macht in vraag gesteld, Strategieën en werkvormen in het jeugdwelzijnswerk’, Ikrame Lastit & Fleur Van Oyen (red.), 2018

Welke veranderingen heeft het jeugdwelzijnswerk de voorbije vijftien jaar ondergaan? En wat betekenen die veranderingen voor het werkterrein van jeugdwelzijnswerkers? Veerle Van Assche en Ikrame Kastit beantwoorden deze vragen op basis van een artikel over de situatie van het jeugdwelzijnswerk dat Van Assche in 2001 schreef.

Ikrame Kastit is cocoördinator van Uit De Marge. In haar functie heeft ze contact met jeugdwelzijnswerkingen en lokale overheden in Vlaanderen en Brussel. Veerle Van Assche is vandaag docente en onderzoeker aan de Artesis Plantijn Hogeschool, maar was daarvoor bestuurslid van de jeugdwelzijnswerking Kras in Antwerpen en de organisatie Uit De Marge.

Veiligheidscontracten

Als doctoraatsstudent belichtte ze de thematiek van het jeugdwerk met maatschappelijk kwetsbare jongeren in Vlaanderen en Brussel. In het artikel ‘Jeugdwerk met maatschappelijk achtergestelde jongeren’ dat in 2001 verscheen in de Gids sociaal-cultureel en educatief werk beschreef ze onder meer de ontstaansgeschiedenis van het jeugdwelzijnswerk en gaf ze een overzicht van hoe het jeugdwelzijnswerk door de decentralisering minder garanties kreeg op middelen.

‘In de jaren negentig pasten de veiligheidscontracten in een beleid dat na rellen in onder meer Brussel het veiligheidsgevoel moest verbeteren bij een deel van de bevolking’

Meer dan een decennium later is de situatie van toen nog altijd heel herkenbaar voor zowel Van Assche als Kastit.

Beiden zien gelijkenissen tussen vroeger en nu in de middelen voor de preventie van zogeheten radicalisering. Waar het jeugdwelzijnswerk vroeger spanning en veel discussie teweegbracht door de zogenaamde veiligheidscontracten, is er volgens Kastit en Van Assche nu eenzelfde spanning te merken in middelen die “radicalisering” zouden moeten voorkomen.

In de jaren negentig pasten de veiligheidscontracten in een beleid dat na verschillende rellen in onder meer Brussel het veiligheidsgevoel moest verbeteren bij een deel van de bevolking.

Dat beleid bestond uit een versterking van de politiediensten, gekoppeld aan een sociaal onderdeel waarbij ook het jeugdwerk recht had op middelen. In het jeugdwelzijnswerk werd dat niet zelden ervaren als een vorm van instrumentalisering die inging tegen de eigen visie op maatschappelijk kwetsbare jongeren.

Fusies en schaalvergrotingen

‘Veel organisaties die zestien jaar geleden bestonden, zijn nu nog steeds actief. Ken- merkend is echter dat de verzuiling binnen de jeugdsector destijds duidelijker was’, oppert Ikrame Kastit wanneer ze terugblikt op het artikel van Van Assche. ‘Ik denk bijvoorbeeld aan organisaties die ontstaan zijn vanuit een socialistische zuil en zich richtten op de arbeidersjeugd. Vandaag proberen jeugdorganisaties veel pluralistischer te zijn.’

Bovendien ziet Kastit vandaag nog veel grassrootsinitiatieven, terwijl die ooit minder kans op ontplooiing leken te hebben. ‘Een voorbeeld daarvan zijn de jeugdafdelingen die verbonden zijn met de hedendaagse verenigingen waar armen het woord nemen. Vroeger bestond de vrees dat grote organisaties de kleinere zouden opslorpen en geen ruimte zouden laten.’

Kastit verwijst daarmee naar het begin van de jaren 2000 dat gekenmerkt werd door fusies en schaalvergrotingen, zoals het ontstaan van Gigos in Genk en D’Broej in Brussel. ‘Vandaag zien we dat het zeker anders kan met lokale en kleinschalige initiatieven. Bovendien is het interessant te weten dat ze ook kunnen evolueren naar iets groters, zoals in het verleden al is gebeurd.

Eind jaren negentig bijvoorbeeld was er het jeugdhuis The Rif Boys dat zich richtte op jongeren met een Marokkaanse migratieachtergrond. Vandaag vormt dat jeugdhuis een deel van het verhaal van vzw Jong.’

Hoewel Kastit blij is met de ruimte die er vandaag is voor kleinschalige initiatieven, erkent ze dat het voor het jeugdwelzijnswerk soms een uitdaging is om die initiatieven ervan te overtuigen mee te stappen in een emancipatorisch verhaal.

Rondhangen op zich geen probleem

‘Dat verhaal ontbreekt wanneer bijvoorbeeld bij het organiseren van vrijetijdsactiviteiten de nadruk ligt op jongeren van de straat houden. Het is begrijpelijk dat de straat wordt geassocieerd met problemen die te maken hebben met drugs of contact met de politie, maar we zien gelukkig ook dat zelforganisaties, die opgestart worden door jongeren die zelf zijn opgegroeid in een jeugdwelzijnswerking, een heel andere visie hebben, waarbij rondhangen op zich geen probleem is.’

Bij de bespreking van de situatie van kleine initiatieven en meer speciek van zelforganisaties, merkt Kastit op dat dergelijke verenigingen zich minder uitdrukkelijk richten op een jongerengroep die dezelfde etnisch-culturele afkomst deelt.

‘Dat is ook logisch als je ziet hoe jongeren vandaag vaker met elkaar omgaan omwille van een gedeelde cultuur en dat het minder draait om een gedeelde etniciteit en moedertaal zoals dat vroeger het geval was. De invloed van de superdiversiteit is dus ook in de jeugdsector te merken en dat zorgt voor boeiende veranderingen.’

‘Benadrukken dat je als organisatie de aangeboden middelen enkel wil gebruiken in een kader dat aansluit bij de doelstellingen van het jeugdwelzijnswerk is echter niet altijd simpel’

Kastit merkt bij de visie van overheden een grotere behoefte voor het jeugdwelzijns- werk om een bijsturende rol op te nemen.

‘Door de verdere decentralisering van de middelen gaat het vandaag vaker over lokale overheden die zelfs niet eens verplicht zijn om die middelen te investeren in maatschappelijk kwetsbare jongeren. Bij overeenkomsten tussen een overheid en een jeugdwelzijnswerking is het daarom erg belangrijk om afspraken te maken die garanderen dat je emanciperend kan werken.’

Vandaag blijkt regelmatig het belang van die afspraken als het gaat over radicalisering. Volgens Kastit zien we daar soortgelijke valkuilen en dilemma’s voor de sociale sector, net zoals dat in de jaren negentig het geval was met de zogenaamde veiligheidscontracten.

‘Volhouden en benadrukken dat je deze middelen enkel wil gebruiken in een kader dat aansluit bij de doelstellingen van het jeugdwelzijnswerk is echter niet altijd simpel’, zegt Kastit. ‘Het wordt namelijk moeilijk als die keuze betekent dat een werking mensen moet ontslaan door een tekort aan financiering.’

Minimale aanvaarding van probleemgedrag

‘Er blijft veel herkenbaar. De geschiedenis van het jeugdwelzijnswerk blijft nawerken’, stelt Van Assche wanneer ze haar oude tekst opnieuw doorneemt. ‘Tegelijkertijd zijn er nog veel verschillen te merken in de aanpak en filosofie van jeugdwerkingen die te maken hebben met hun wortels. Ik denk dat er soms teruggekeken moet worden naar het verleden om de huidige verschillen te begrijpen.’ 

Tevreden constateert Van Assche dat er vandaag nog dezelfde grote zorg is voor laagdrempeligheid en een minimale aanvaarding van probleemgedrag in het jeugdwelzijnswerk. Wat betreft de middelen voor het jeugdwelzijnswerk, is Van Assche minder positief, nu een decentralisering van de middelen zich volledig heeft doorgezet.

Deze decentralisering leidt tot een grotere afhankelijkheid van lokale middelen. Door de lokale financieringsbronnen is het volgens Van Assche echter moeilijker om een overzicht te krijgen van wat er op verschillende plaatsen wel of niet gebeurt.

‘Hier is er vandaag een rol voor een organisatie als Uit De Marge om problemen en mogelijke oplossingen over de stadsgrenzen heen te bespreken.’

Marktlogica en liefdadigheid

Behalve de decentralisering van middelen ziet Van Assche ook een lastigere situatie door wat ze een marktlogica noemt. ‘Deze marktlogica is doorgedrongen in zowel het welzijns- als het jeugdwerk. Bovendien is er meer concurrentie door de manier waarop middelen verdeeld worden. Wie een maatschappelijk kwetsbare groep als doelgroep kiest, zal moeilijker kunnen voldoen aan hedendaagse verwachtingen die erg verbonden zijn met meetbare resultaten.’

‘Wie een maatschappelijk kwetsbare groep als doelgroep kiest, zal moeilijker voldoen aan hedendaagse verwachtingen van meetbare resultaten’

Iets wat volgens Van Assche hetzelfde bleef, zij het in een andere vorm, is de spanning tussen enerzijds de wensen en doelstellingen van het beleid of andere actoren en anderzijds die van het jeugdwelzijnswerk. Zo haalt ze aan dat outreaching vanuit overheden in sommige gevallen vooral wordt aangemoedigd vanuit een controlerefex, namelijk jongeren in de eerste plaats van straat te houden.

‘Het is dan ook belangrijk dat werkingen voor maatschappelijk kwetsbare kinderen en jongeren blijven vertrekken vanuit hun eigen reflex en insteken en kijken hoe outreachend werken ingevuld kan worden vanuit hun perspectieven en die van kinderen en jongeren. De noden van de doelgroep moeten het uitgangspunt blijven van het jeugdwelzijnswerk’, benadrukt Van Assche.

De voorzichtigheid in de omgang met middelen vanuit de overheid zouden we ook moeten behouden bij middelen vanuit stichtingen of fondsen, vindt Van Assche.

‘Het idee van jeugdwerk als liefdadigheid dringt zich soms op, maar ook daar moeten we onze visie duidelijk maken. Het mag niet gaan over “arme kindjes wat materiaal geven.” Daarom moeten we ook toezien op de taal waarin projecten of samenwerkingen met stichtingen, fondsen of banken worden voorgesteld. Ook omdat jongeren uit de doel- groep en hun families geen verkeerd beeld mogen krijgen over ons werk.’

Heropwaardering van achtergestelde wijken

Als laatste merkt Van Assche op hoe sociodemografische verschuivingen ook beïnvloe- den hoe het jeugdwelzijnswerk vandaag vorm krijgt. ‘Het is belangrijk om actief te blijven op plaatsen waar het nodig is. ‘Het Zuid’ in Antwerpen kende vroeger bijvoorbeeld meer maatschappelijk kwetsbare gezinnen.

Door de zogenaamde heropwaardering wonen er nu meer welgestelde tweeverdieners. Dat zorgt ervoor dat de huurprijzen stijgen waardoor anderen die er al veel langer woonden elders een woning moesten zoeken.

Het jeugdwelzijnswerk speelde daarop in door jeugdwerkers te verschuiven van ‘het Zuid’ naar andere wijken zoals het Kiel omdat daar een grotere nood is. Dus ook dergelijke gentrificatie vraagt om een verandering in de aanpak van het jeugdwelzijnswerk.’

Voorpublicatie van hoofdstuk ‘Het jeugdwelzijnswerk vroeger en nu’ uit ‘Macht in vraag gesteld, Strategieën en werkvormen in het jeugdwelzijnswerk’, Ikrame Lastit & Fleur Van Oyen (red.)​

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift