Hommage aan Mark Fillet, hoofdredacteur Wereldwijd (1974-1986)

‘Al gaande heb jij onze weg gebaand’

CC Gie Goris (CC BY-NC 2.0)

 

Vorige week overleed Mark Fillet, die als hoofdredacteur van Wereldwijd een belangrijke rol gespeeld heeft voor de mondiale journalistiek in Vlaanderen. Gie Goris werd enkele jaren later zijn opvolger, maar was daarvoor al lange tijd bevriend met hem. Een persoonlijke hommage.

Op 5 januari 2023 overleed Mark Fillet. Hij was veertien jaar lang hoofdredacteur van Wereldwijd (1974-1987), het blad waarvan ik later zelf 12 jaar hoofdredacteur mocht zijn en dat een van de twee pilaren vormde waarop we MO* konden bouwen.

Ook in de jaren ’90 schreef Mark nog vaak voor Wereldwijd, want toen maakte hij deel uit van de redactie van ons Nederlandse zusterblad BIJeen, waarmee we maandelijks een gezamenlijk katern van 16 bladzijden produceerden.

Het nieuws was voor iedereen een donderslag bij heldere hemel. Hoe zwaar die slag aankomt bij vrouw en kinderen, bij geliefden en buren, bij vrienden en familie: dat kan ik me proberen inbeelden. Het plotse verdwijnen van zo’n man, dat doet pijn tot diep in ziel en hart, daarvan ben ik zeker.

Zelf keek ik die dag uit over de Atlantische Oceaan, het zilte blauw tussen de kust van Portugal en de kusten van de Amerika’s, de wateren ook waarover Portugese galjoenen vertrokken naar de kusten van Afrika en het Verre Oosten. Het is toeval dat ik me bevond op de plek waar de koloniale expansie van christelijk Europa begon op het moment dat de man die me leerde nadenken, over koloniaal onrecht, kerkelijke collaboratie en de noodzakelijke strijd voor rechtvaardigheid, sterft. In zijn slaap.

Het is niet makkelijk om over Mark te schrijven in 2023, omdat hij sinds zijn – gedwongen – vertrek bij Wereldwijd eind 1986 grotendeels uit het openbare leven in Vlaanderen verdween. Zo vurig en strijdvaardig hij anderhalf decennium lang aanwezig was, zo stil en bescheiden trok hij de deur achter zich dicht. Dat betekent dat veel oudere lezers heel levendige herinneringen hebben aan Mark Fillet en aan alles wat hij belichaamde, maar ook dat het mij zou verbazen als zijn naam een belletje doet rinkelen bij veel min 50-jarigen.

Toch enkele gedachten.

Mark groet de dingen (en noemt ze bij naam)

Mark Fillet was een missionaris, meer bepaald scheutist. Waarom hij als rebelse Antwerpenaar was ingetreden bij een grotendeels West-Vlaamse en nogal gezagsgetrouwe congregatie, dat heb ik nooit gevraagd. Maar het tekende hem misschien wel: het leven is geen zoektocht naar safe spaces, maar een strijd om elke ruimte veilig en rechtvaardig te maken. Waar je begint, maakt minder uit dan dát je begint.

Ik leerde Mark kennen in het najaar van 1974, in Leuven. Hij was nog niet lang terug uit Congo, waar hij moeizaam gezocht had naar een plek en naar de betekenis van missionering in de context van dekolonisering. Ik was net aangekomen in de universiteitsstad. Hij had de opdracht om de jonge garde scheutisten te begeleiden in de woelige jaren ’70 en hij werkte bij Wereldwijd.

Hij wist alles wat ik wou weten, want hij had in Afrika geleefd. En met denkers allerhande gesproken. En boeken gelezen waarvan ik toen het bestaan nog niet afwist. Het Scheutistenhuis aan het Kardinaal Mercierplein was een open en gastvrij huis waar het woord missionaris geschoren werd en zonder habijt de maatschappijkritische studenten ontving. Mijn lief zat op een strenge peda en mijn kortmadam had een no pasaran over haar uitgesproken, maar van Mark en zijn seminaristen kregen we ruimte, koffie en ’s avonds een pintje.

Het was het begin van een jarenlange vriendschap en verbondenheid. Toen ik een paar jaar later mijn licentiaatsthesis schreef over de Oost-Afrikaanse (en meer bepaald de Tanzaniaanse) kerk, kreeg ik van Mark meer begeleiding en via Wereldwijd meer toegang tot documenten dan via mijn eigenlijke “promotor”.

Dat ik Mark Fillet vooraan in dat proefschrift ook nog eens bedankte, onder andere voor ‘de morele steun in de slotfase van dit werk’ heeft er volgens mij trouwens toe bijgedragen dat ik op mijn verdediging minder punten kreeg van mijn promotor dan van de medelezers. Die promotor was namelijk ook scheutist, maar van een heel andere fractie. Zo ging dat toen in kerkelijke kringen: er waren nog zoveel gelovigen, dat er strijd om geleverd werd. Conservatief tegen progressief, rechts tegen links, instituut tegen basisbeweging, gezag tegen verzet, zekerheid tegen creativiteit.

Die strijd tekende de jaren 1970-1980 voor Wereldwijd, niet alleen maar zeker ook voor Mark Fillet.

Wereldwijd ontstond eind 1969 als het samengaan van diverse blaadjes die de vele missionaire congregaties uit de Rijke Roomse jaren in Vlaanderen publiceerden. De missieblaadjes brachten ‘pakkende verhalen over het heldhaftige leven van “de beste onzer broeders en zusters”.

Wereldwijd weigerde dat te doen. De redacteurs kozen een journalistieke koers net omdat missionarissen veel beter dan de meeste Vlamingen destijds weet hadden van de strijd voor onafhankelijkheid en tegen onderdrukking: ze maakten er soms actief deel van uit of ze stonden naast de mensen die hun eigen toekomst in eigen handen wilden nemen.

Maar er waren natuurlijk ook veel missionarissen die liever gevierd werden dan zich in polariserende politieke kwesties te mengen. Er waren ook veel instituten die meer begaan waren met hun eigen voortbestaan dan met de evangelische opdracht om de aarde tot een huis voor allen te maken. En er was een hele brede achterban, toen nog, die liever wilde geloven dat de CVP gelijk had dan te moeten lezen wat de kolonisatie en de neokoloniale Koude Oorlog allemaal aanrichtten.

In een kort overzicht van 30 jaar Wereldwijd, dat Mark schreef in december 1999, staat over die kritiek deze relevante passage: ‘Missiebladen hoeven zich niet met politiek bezig te houden, zoals de eis voor onafhankelijkheid van de Portugese gebieden. Ze horen zich zeker niet te verdiepen in binnenlandse vraagstukken, zoals het stemrecht voor wie toen nog gastarbeider heette, of het uitkeren van een bestaansminimum. Oostpriesterhulp, toen al Kerk in Nood, een van de rijkere medeoprichters van Wereldwijd… trok zich als lid van de stichting terug… Via Gazet van Antwerpen en ’t Pallieterke bleven de heren van Tongerlo, af en toe door de Boerenbond bijgesprongen, hun ongenoegen ventileren. Ze vonden enkele journalisten bereid om Wereldwijd voortdurend te kijk te zetten als een kerkonwaardig, links, zo niet marxistisch blad.’

Hoop doet beven

Mark Fillet had veel talenten: hij was scherp van geest en had een encyclopedische kennis over de wereld, hij wist van iedereen waar die vandaan kwam of mee verbonden was, en hij combineerde historisch inzicht met messcherpe actuele analyses. Hij luisterde zo intens dat je jezelf plots beter ging begrijpen of net in vraag stellen, en hij voelde zich betrokken op de levens van heel veel andere mensen, veraf of net heel dichtbij. Eén talent had hij in die cruciale Wereldwijd-jaren niet, of hij verborg het goed: het talent om confrontaties uit de weg te gaan.

Als Kerk in Nood de linkse koers van Wereldwijd niet kon velen, dan deed Mark voor Humo een boekje open over de duistere (boek)houding van de Spekpater in toenmalig Oost-Europa. De christendemocraten waren ongelukkig over de verhalen die Wereldwijd bracht vanuit El Salvador – waar de christendemocratische internationale een dictator en zijn repressie bleef steunen? Dan koos Mark er met zijn ploeg voor om nog veel meer van die verhalen uit te spitten en midden de Vlaams-katholieke publieke opinie te gooien.

Werd met Karol Woytila als paus Johannes-Paulus II een harde en rechtse restauratie van de katholieke kerk ingezet, dan koos Wereldwijd en met name Mark voor het journalistieke fileren van de gevolgen van die strijd tegen bevrijdingstheologie en basiskerk. Dat wil zeggen: ze toonden wie er vermoord werd, en door wie; wie van zijn land verdreven werd, en door wie; wie achter de tralies verdween, en waarom; welke geopolitieke allianties er gesmeed werden, en hoe onevangelisch dat was.

Dat klinkt als moedwillige weerspannigheid, maar dat was het niet. Ik heb Mark nooit gekend als een tegendraadse man die het conflict zelf opzocht. Hij was eerder iemand die recht door zee ging omdat elke bocht een onterechte toegeving was aan de toevallige macht. Plooien was onaanvaardbaar, niet uit hovaardigheid of zelfingenomenheid, wel uit eerlijke overtuiging en omdat het onrecht zou doen aan al wie met recht en rede voor vrijheid, zelfbeschikking en rechtvaardigheid streed. Over die strijd en over de menselijke waardigheid van de armsten kon niet onderhandeld worden. Dat leidde tot botsingen met de behoeders van het status quo, en uiteindelijk tot het gedwongen ontslag eind 1986.

‘Wie de vermetelheid heeft te hopen, moet bereid zijn ervoor te strijden. Hoop doet beven, pas dan wordt het leven.’ Met die woorden beëindigde Mark het dossier over Nicaragua dat in 1985 verscheen. Hij had hoop, hij heeft ervoor gestreden, en dat deed de machtigen beven. Daarna sloegen die terug.

In het afscheidsinterview dat Marc Colpaert met zijn vroegere hoofdredacteur in het WW-nummer van februari 1988 neerschreef, ventileert Mark Fillet zijn opstandige gevoelens tegenover de kerk en de congregaties waar hij zijn beste jaren aan gegeven had: ‘Ik ben kwaad op die mannen. Wat zij van de kerk aan het maken zijn, vind ik een schande. Als ik kijk naar wat Jezus met zijn leerlingen deed, dan zeg ik: wat zijn wij nu bezig met onze kerk? We beschermen wie geen bescherming nodig heeft; we vertrappen wie om leven smeekt. Jezus en zijn leerlingen deden het tegenovergestelde. Die verdienen nu beter, vind ik. Als we dat niet kunnen doen, dan hoeft de kerk ook niet. Als dat in de kerk niet meer gezegd mag worden, dan is ze fout.’

Mark was gekwetst en onrecht aangedaan, maar hij verkoos zelf te vertrekken in plaats van het blad te laten ondergaan. Het was een bitter vertrek en hij zou een nieuw leven beginnen, aan de overkant van de Atlantische Oceaan. Maar Mexico bracht niet een nieuwe lente, het was er eerder de voortzetting van een lange winter. Mark keerde ziek terug – net als begin jaren ’70 uit Congo.

Ik was toevallig op de redactie in de Goemaerelei toen Mark terugkeerde uit Mexico. Ik herinner me nog de schok bij het zien van de man die alle aanvallen afsloeg en door elke vuur gegaan was: hij was mager, uitgeblust en leek verslagen. Maar dat was schijn. Misschien had hij de lange retraite in Mexico nodig gehad om te beseffen dat het nieuwe leven dat hij zocht al begonnen was, in Antwerpen, op Wereldwijd, met Annie Arnou.

Zoals hij na Congo twee decennia gevochten had om Vlaanderen te evangeliseren door over de realiteit en de eigen strijd van het Globale Zuiden te berichten, zo begon hij na Wereldwijd aan een leven waarin huwelijksliefde en vaderliefde centraal stonden – zonder het vuur van de mondiale journalistiek of de evangelische missie op te geven.

CC Gie Goris (CC BY-NC 2.0)

 

Zin in samenleven in een wijde wereld

Nadat ik Mark Fillet in Leuven had leren kennen, werd ik ook een regelmatige gast op de redactie van Wereldwijd. Eerst nog aan de Turnhoutsebaan in Deurne, daarna in de poepchique Goemaerelei in Antwerpen. ‘Wat werd er in die dagen op de redactie nog gulzig gerookt en flink gedronken’, noteert Mark in zijn korte geschiedenis van 30 jaar Wereldwijd.

‘En goed gegeten’, had hij eraan kunnen toevoegen. Het was een plezier om tegen twaalven binnen te lopen bij Wereldwijd. In Deurne werden dan de flessen whiskey bovengehaald, op de Goemaerelei werd overgeschakeld op trippel van Westmalle. Maar het ging niet om de drank, maar om de tijd die de redacteurs maakten om met elkaar te discussiëren.

Als ik ooit, ergens, de waarde van niet-nuttige tijdsbesteding geleerd heb, dan op de middagen van de Wereldwijd-redactie. In de jaren ’90 deden wij, met gewone lekenredacteurs die ’s avonds wel op tijd naar huis wilden en dus niet elke middag twee uur konden tafelen, dat dunnetjes na: wie terugkeerde van een reportagereis trakteerde ’s middags met een lokale fles sterkedrank en de belangrijkste verhalen – daaruit ontstond bijna vanzelf een structuur en een focus voor de reportage. Later kromp dat verder tot een happy hour op vrijdag, zo rond 16 uur. En dan verdween het.

Ik spendeerde ook menige avond met Mark in een vast circuit van Antwerpse kroegen: De blauwe dorpel, De gladdige gans, Het elfde gebod … Die avonden werden steevast nachten omdat er zo veel te vertellen en nog meer te bediscussiëren viel.

Het kon urenlang gaan over mijn teleurstelling dat de solidariteitsbewegingen met Centraal-Amerika als puntje bij paaltje kwam toch ook ten onder gingen aan ideologische scherpslijperij. Over wat het betekende als we zeiden dat Afrika het recht had op Afrikaanse ontwikkeling, of dat voor ons überhaupt kenbaar zou zijn, dat “Afrikaanse”, en of de presidenten die hun bevolking zo genadeloos onderdrukten wel tot die “Afrikaanse” realiteit behoorden, louter op basis van hun geboorte en etnische achtergrond.

Maar het ging vaak ook over liefde en de beperkingen die daaraan opgelegd werden door traditie, moraal of gewoon door de gemakzucht van de mens. En over de vraag of liefde politiek was, en omgekeerd. ‘Aktie die niet de tederheid als toetssteen heeft, moet gewantrouwd worden: zij versterkt de sterken en vertwijfelt de zwakken, ook al is het tegengestelde de bedoeling’, schreef ik in 1984. Het klinkt nu als een waardevolle gedachte die overbleef na een lange nacht in Antwerpen.

In 1984 doken we een maand lang onder in de Nicaraguaanse revolutie. Drie weken lang trokken we met een veertienkoppige delegatie vanuit de Vlaamse kerk als “Getuigen voor Vrede” door Managua, Esteli, Granada en Jalapa. We schreven samen de basisversie van het verslag en bleven samen een extra week om de aanloop naar de eerste democratische verkiezingen in het nieuwe Nicaragua mee te maken.

We logeerden bij Dirk Vandersypen en zijn camaraman Jan Van Bilsen. We dronken meer Flor de Caña dan goed is voor een mens (maar wat slecht is voor een individu, kan nog goed zijn voor de revolutie, geloofden we toen). Het intense privilege van de reportagereis (aanwezig zijn bij de geschiedenis van anderen, vragen stellen en blijven graven, deuren die open gaan en realiteiten die je mag betreden…) werd gecombineerd met mateloze vriendschap en passionele vertogen. Als mijn toekomst al niet vastlag, dan werd ze daar en toen, en in bijzijn of door toedoen van Mark Fillet geboren.

In december 1990 werd ik zelf hoofdredacteur van Wereldwijd. Daarvoor had ik nog maar een paar stukken in het blad geschreven. Voor mijn Pleidooi voor tedere actie ruimde Mark in juli 1984 eenmalig de plaats en zette het vooraan, in plaats van zijn eigen redactionele commentaar. Mijn verslag van de nadagen van de Marcos-dictatuur in de Filipijnen werd te kritisch bevonden door verantwoordelijken bij Broederlijk Delen, waar ik toen werkte, maar kreeg van Wereldwijd wel “de cover” in juli 1986. Mijn interview met Salman Rushdie ging niet door (de man zat aan zijn Duivelse verzen te werken toen ik in Londen aan zijn deur stond) en werd vervangen door goed gekozen citaten uit Middernachtskinderen en Schaamte…

Kortom: toen ik in 1990 aan de slag ging, had ik zero ervaring. Bovendien was de helft van de redactie kort daarvoor opgestapt of ontslagen, terwijl mijn onmiddellijke voorganger zonder een woord een maand op reis vertrok. Tot overmaat van ramp was ook nog eens overgeschakeld op een heel nieuw computersysteem (ik had zelf nog maar een paar maanden een eerste computer en was nog onhandig met Word Perfect), viel de directeur/programmeur ziek op de eerste werkdag en zou ik samen met een nieuwe vormgeefster het blad gaan maken. En er was níéts voorbereid voor de nieuwe jaargang of het nieuwe nummer dat 30 dagen later afgewerkt moest zijn.

Er was één iemand met wie ik over de existentiële eenzaamheid van een bijna zekere mislukking kon spreken: Mark Fillet. Hij sprong binnen in het kamertje dat jarenlang het zijne was geweest, luisterde, gaf zijn feedback, was bereikbaar.

De man die dit huis was uitgegooid omdat hij weerspanning en twistziek zou zijn, was weer eens grootmoedig en gul. Hij stapte over de al wat grijs geworden schaduw van zijn eigen kwetsuren heen om een project én een vriend uit de nood te helpen. ‘Mensen zin geven om in de wijde wereld met andere samen te leven in respect, blijft broodnodig’, schreef Mark in 1999.

Of hij de redactionele keuzes van de volgende twee decennia altijd enthousiast begroet heeft, weet ik niet. ‘Ik zou al blij zijn met nieuws van onder de kerktoren’, zei Mark in 2003 in het allerlaatste nummertje van Wereldwijd tegen collega Alma De Walsche. ‘Maar dan het nieuws … bekeken vanuit de ogen van mijn buurman, de allochtoon. De hele geglobaliseerde wereld wandelt hier op straat rond… Daarover wil ik een blad, over de Noord-Zuidkloof hier bij ons aanwezig.’

Wij verhuisden in december 1999 de redactie naar Brussel en drie jaar later doekten we Wereldwijd op om MO* te kunnen laten ontstaan. In MO* combineerden we het nieuws uit de héle wereld met nieuws over de wereld onder de nieuwe kerktoren, met veel journalistiek vuur maar minder missionaire gedrevenheid.

We verloren elkaar stilaan uit het oog. Het leven gaat zijn gang. Tot het stopt. Dan geldt wellicht voor iedereen dat er veel vragen niet gesteld, veel verhalen niet verteld, veel gevoelens niet geduid zijn. Voor mij geldt het alleszins.

Geen blauwdruk voor het leven

Mark. In 1980 kreeg ik van je het boek Al gaande wordt de weg gebaand, verschenen naar aanleiding van de tiende verjaardag van Wereldwijd – ook toen al bleek dat verrassend lang. Jij stelde het boek samen en schreef op de laatste pagina: ‘Een blauwdruk voor het leven is er niet. Pas al gaande, wordt de weg gebaand.’ En verder: ‘Het verhaal van deze tocht wordt verder geschreven. Nu eens op de tonen van triomf, dan weer met een kreet van lijden en rouw.’

De voorbije 30 jaar heb ik altijd het gevoel gehad dat jij me op weg gezet hebt, en dat mijn gevecht om mondiale journalistiek in Vlaanderen haar plek en haar relevantie te geven, ook een gevecht was om jou recht te doen. Jij en de collega’s van Wereldwijd zijn begonnen met het banen van de weg van onafhankelijke, mondiale journalistiek in Vlaanderen. Ik heb, met jouw inspiratie en steun, jarenlang verder gestapt. Al gaande is de weg gebaand en breder geworden – tot onze verbazing, en soms tot twijfel: zijn we wel eerlijk genoeg als we niet meer tegenwind krijgen?

Maar er is geen blauwdruk. Niet voor het leven, niet voor journalistiek, niet voor verzet. We hebben allemaal onze weg te gaan. Jij hebt dat moedig, rechtdoor en consequent gedaan. Op heel verschillende plaatsen en manieren, en ik ben je eeuwig dankbaar dat ik daar soms, een tijdje, maar altijd intens deel van heb mogen uitmaken.

Wat dat laatste betreft: nu jij daar toch bent, kan je voor ons eens uitzoeken hoe het met die eeuwigheid werkelijk zit, en of de dingen in die niet eindigende tijd een beetje rechtvaardig verdeeld zijn? Is er echt meer sprake van liefde en hoop dan van geloof en gehoorzaamheid? Een goed geschreven reportage daarover, daarvoor maken we graag acht pagina’s (mét foto’s weliswaar) vrij in het volgende nummer.

Hasta siempre, padre!

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3306   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift

Over de auteur