COP23: ‘Show us the money’

Schade beperkt maar weinig vooruitgang op Klimaattop Bonn

Er is een beeld dat de kloof die iedere klimaattop splijt goed samenvat. Na de toespraken van Merkel en Macron was het op woensdag 14 november de beurt aan de president van Gabon. De zaal liep leeg. Op een klimaattop heeft elk land evenveel recht van spreken, dat betekent niet dat naar iedereen even goed wordt geluisterd.

Nochtans zijn het net de landen met de minst globale economische impact en met de lichtere ecologische voetafdruk die tijdens klimaatonderhandelingen de meest heldere taal spreken. Neem bijvoorbeeld de Seychellen: ‘De schade wordt nu al aangericht. Wij hebben middelen nodig. Die zijn ons beloofd in Warschau, in Parijs. Tot nu is die belofte niet nagekomen.’

Drie thema’s schoven deze landen dag na dag naar voor: financiering voor klimaatschade die nu al gebeurt (loss & damages), een kader voor engagementen voor 2020 (pre-2020-commitments) en financiering van klimaatactie – en investeringen (het Green Fund en het Climate Adaptation Fund). De boodschap die impliciet al jarenlang wordt meegegeven is helder: we stoten minder uit dan andere landen, maar dragen de grootste gevolgen en willen hiervoor vergoed worden.

Historische klimaatrechtvaardigheid kan je het noemen.

“Further, faster ambition together” mocht dan de baseline van COP23 zijn, er werd vooral ter plaatse getrappeld.

De overkant van de tafel – vooral geïndustrialiseerde landen – kaatsen de ballen niet eens terug, maar werpen hen breed glimlachend in een geluidsabsorberende ruimte. Natuurlijk vinden ze elk van die thema’s belangrijk, maar om die nu te expliciteren in officiële teksten?

Er werd beslist een “expertendialoog” rond schade en verlies in te bouwen, iedereen deed een soms meer dan symbolische duit in het zakje van het klimaatfonds en voor de engagementen voor 2020 moest men erop vertrouwen dat men zich er zou aan houden.

Blijven praten

Alleen, dat vertrouwen komt na de euforie van Parijs steeds meer op de helling te staan. “Further, faster ambition together”, mocht dan de baseline van COP23 zijn, er werd vooral ter plaatse getrappeld.

Terwijl de vorige klimaattop in Marrakech die van de virtuele tijdswinst werd, ontvouwde die van Bonn zich als die van de schadebeperking. De vooruitgang was er een van punten en komma’s, maar wil men op de klimaattop van volgend jaar in het Poolse Katowice het officiële boek met de regels bekrachtigen, dan moet er tussentijds onderhandeld worden. Er is een mooie naam gevonden voor die gesprekken: de Talanoa-dialoog. Het doel: ambities verscherpen om de opwarming ‘ruim onder 2 graden’ te houden. Blijven praten, dus.

Dit maakte van Bonn eerder een top als alle anderen dan een uitzondering. Net daarin schuilt de tragedie: voor het klimaat is business as usual al zo’n twintig jaar geen optie meer.

Voor het klimaat is business as usual al twintig jaar geen optie meer.

Geen van de honderden sprekers liet het na erop te wijzen hoe luid en dwingend de tijd wegtikt. Dat klimaatverandering iets van nu is en niet iets vaags in de toekomst, was de mantra doorheen vele toespraken en tussenkomsten. Maar de kloof die zichtbaar is tussen de huidige plannen van landen en de realiteit van klimaatverandering, wordt ook weerspiegeld in de pijnlijke onmacht van onderhandelaars om fundamentele knopen door te hakken.

De olietanker in de kamer was natuurlijk de Verenigde Staten. Virtueel onderhandelde team USA mee, al waren ze duidelijk minder talrijk aanwezig dan de groep van 81 Chinese onderhandelaars of de ploeg van 161 die Canada had afgevaardigd.

Maar het was ook Amerika dat erin slaagde een avond te organiseren rond de vele voordelen van fossiele brandstoffen in de strijd tegen armoede. Het leverde een van de meest spannende en ontroerende momenten van de COP op. Nadat het volledig mannelijk panel zich had voorgesteld, stond meer dan de helft van de aanwezigen in de zaal recht. Ze draaiden hun rug naar de heren achter de lange tafel en zongen met de hand op het hart hun versie van God Bless the USA.

‘So you claim to be an American

but we see right through your greed

it’s killing right across the world

for all the coal money’

Meer, niet minder uitstoot

Ook oude spoken doken weer op. Terwijl het Akkoord van Parijs er met veel diplomatieke manicure in geslaagd was de oude opdeling tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden weg te vijlen, haalden India, China en Turkije in Bonn het argument van historische verantwoordelijkheid opnieuw boven om op de rem te gaan staan van eigen inspanningen. Die historische verantwoordelijkheid valt niet te ontkennen, maar op dit moment heeft China de VS voorbijgestoken aan de top van de landen met de grootste uitstoot; ook India stoot ieder jaar meer uit. Een trend die de rest van de wereld netjes volgde.

Europa moet eindelijk het zelfbeeld van de klimaatpioneer waarmaken.

Want dat was de realiteit achter deze COP: in 2017 nam de uitstoot van CO2 na enkele vlakke jaren opnieuw toe. De kloof tussen het plan op tafel en de realiteit van de atmosfeer wordt breder. Er is meer, heel veel meer nodig als we tegen 2050 een koolstofvrije economie willen hebben.

Voor de klimaatonderhandelingen betekent dit dat Europa het zelfbeeld van klimaatpionier eindelijk moet waarmaken. Zeker nu de VS zichzelf in de marge heeft teruggetrokken. Dat de Nederlandse minister voor Economie en Milieu, de VVD’er Eric Wiebes in Bonn pleitte om de Europese doelstellingen stevig bij te stellen en tegen 2030 niet 40 maar 55 procent minder uitstoot te realiseren, was in die zin een belangrijke boodschap.

Net zoals de Global Alliance to Power Past Coal die Groot-Brittannië samen met Canada opzette en die in totaal negentien landen – waaronder Nederland, Frankrijk en België – mee ondertekenden. Zij trekken een streep onder steenkool. Al weegt de symboliek van de alliantie waarschijnlijk zwaarder door dan de impact op de steenkoolconsumptie. De negentien landen zijn verantwoordelijk voor amper drie procent van het globale verbruik van steenkool. En de grote koolstaten – China, India, Turkije, maar ook Duitsland – doen niet mee.

Schrijnend gebrek aan ambitie

Ook dat is een vast ingrediënt van een klimaattop: de symboliek wint het van de concrete actie. Neem nu de op het eerste zicht mooie geste van de Belgische milieuminister Marghem: maar liefst 22 en 15 miljoen euro zal België in 2018 en 2019 bijdragen aan internationale klimaatfinanciering.

Negentien landen trekken een streep onder steenkool. Ze zijn verantwoordelijk voor drie procent van het verbruik.

Het lijken nieuwe engagementen, maar de minister herhaalt gewoon wat al eerder beslist was. Bovendien gaat het voor een groot deel over geld dat afgeroomd wordt van het budget voor ontwikkelingssamenwerking.

En zo doet België niet anders dan de meeste ontwikkelde landen: de mooie maatregelen die in de etalage worden gezet, verhullen een schrijnend gebrek aan ambitie om werkelijk de tanden te zetten in een klimaatbeleid.

Het is niet enkel onwil, maar ook onmacht. Want, zoals de Britse klimaatwetenschapper Kevin Anderson het samenvatte in elk van de panelgesprekken waaraan hij deelnam: ‘Twintig jaar geleden was klimaat een technisch probleem. Nu moeten we onze economie en samenleving veranderen.’

Om dat te doen zijn visie en middelen nodig en geldstromen die de kennis in het ene land overhevelen naar het andere. Natuurlijk is het goed nieuws dat de Amerikaanse staten en steden zich losscheuren van Washington en onder de vleugels van Jerry Brown, gouverneur van Californië en Michael Bloomberg scanderen ‘We’re still in’.

Ook dat was Bonn: steden en staten eisten een plaats aan de onderhandelingstafel en ondertekenden met honderden burgemeesters en gouverneurs het Bonn-Fiji-commitment.

30 euro per ton

Maar ook hier zetten burgemeesters van Afrikaanse en Aziatische steden die uit hun voegen dreigen te barsten de eerste domper op de feestvreugde: geld is minder toegankelijk voor een regionaal bestuurder dan voor een premier of president. ‘Mijn streek staat voor een bevolkingsexplosie’, vatte Solly Msimanga van de Zuid-Afrikaanse regio Thswane rond Pretoria het samen.

‘Mijn streek staat voor een bevolkingsexplosie. We willen groene, duurzame steden bouwen. Daar zijn middelen voor nodig.’

‘We willen groene, duurzame steden bouwen. Maar hoe doen we dat als de middelen ontbreken?’ Eenzelfde geluid liet de burgemeester van Jakarta horen. Steenkool is daar de levensader. Die doorknippen, kost geld.

100 miljard dollar per jaar hebben de geïndustrialiseerde landen in Parijs beloofd. Op dit ogenblik is er tien miljard verzameld. Min de twee miljard die Trump onlangs heeft teruggevorderd.

Op 12 december wil Macron de verenigde wereldleiders in Parijs verzamelen om het over de financiering van het Klimaatakkoord van Parijs te hebben. In Bonn liet hij een ballonnetje op. Hij suggereerde een koolstofprijs van 30 euro per ton. Dat is vier keer zo veel als hij vandaag in de EU is.

Maar even cruciaal als de hoogte van het bedrag is de vraag: hoe verdeel je de opbrengst rechtvaardig zodat de gemiddelde arbeider in Jakarta zijn vervuilende brommer kan inruilen voor een elektrische fiets en de doorsnee Indiër het fornuis op houtskool kan vervangen door koken op zonne-energie?

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2848   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Klimaat en sociaalecologische transitie

    Tine Hens is historica, journaliste en auteur van Het klein verzet (Epo, 2015), het verhaal van mensen die van Griekenland tot Denemarken in hun eigen wijk of stad, of met hun eigen b

    Actieve thema's