Dossier: 
Ode aan het menselijke aanpassingsvermogen

‘Het verschil tussen een kutjaar en een kitjaar’

Alex Roberts (CC BY-SA 2.0)

Het moment dat het sleuteltje afbrak: valt dat te vergelijken met het moment dat de vleermuis besloot zijn grot in Wuhan te verlaten?

Bedankt, 2020!

Vaarwel, sayonara, auf Wiedersehen! Al was het een snertjaar, MO* probeert het af te sluiten met een positieve noot in zijn eindejaarsreeks. Want ook in moeilijke tijden zijn lichtpuntjes te vinden, bakens van hoop om mee te nemen naar 2021 en verder. Dus: bedankt, 2020, en tot nooit meer.

Bekijk de keuze van de volledige redactie.

Al was het een snertjaar, MO* probeert het af te sluiten met een positieve noot. MO*journalist Arne Gillis meandert van een herinnering aan brute pech onderweg via Café Rex naar een ode aan het aanpassingsvermogen van de mens. ‘Het verbaast me elke keer hoeveel rek er zit op onze menselijke soort.’

Ken je dat, zo’n moment waarop alles in de soep draait? Ik had er één, in de zomer van 2019. De vleermuis hing nog vleermuisbusiness uit te vreten in een Wuhanse grot en corona was nog gewoon een te vermijden pils.

Ik had een afspraak in het Antwerpse dorpje Essen. Met de voorlaatste trein vanuit Antwerpen naar Essen zou ik er volgens mijn berekening perfect op tijd raken, een fietstochtje met mijn nieuwe mountainbike langs de Essense weiden incluis. Ruimschoots op tijd om nadien met de laatste trein vanuit Essen huiswaarts te keren.

Even later stapte ik op de trein in Antwerpen-Berchem, ketende mijn mountainbike vast met een slot aan een ijzeren stang in het gangpad en nam in alle rust plaats in tweede klasse.

Een half uur later, luttele ogenblikken voor aankomst in Essen, sta ik in het gangpad te vloeken. Het afgebroken sleuteltje van het slot in de hand. Het slot doet nog steeds wat het hoort te doen: op slot blijven.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws

Overgeleverd aan nachtelijk Charleroi

De kaartjesknipper van dienst probeert een oplossing aan te reiken. ‘Deze trein rijdt eerst verder naar Roosendaal, maar keert dan terug naar Antwerpen. Ik zal dadelijk het station bellen, zodat er een klusjesman klaarstaat met een kniptang’, bezweert hij mij.

Overgeleverd worden aan het NMBS-apparaat, op de koop toe in een nachtelijk Charleroi? Er zijn aangenamere perspectieven.

Ik bedank hem, vervloek mezelf, stap uit de trein en ga de ellende doorspoelen met een biertje in Café Rex, tegenover het station. Een uur uur later passeert de trein zoals beloofd opnieuw, in de tegenovergestelde richting; nog een half uur later zijn we terug in Antwerpen. Geen klusjesman te zien. Ook de kaartjesknipper is verdwenen.

‘Zijn shift zit erop’, weet z’n opvolger. Nieuwe oplossing van de nieuwe kaartjesknipper: ‘Je zal moeten meerijden tot in Charleroi. Alleen daar werkt er op dit uur nog een klusjesman.’ Hoe ik dan nog diezelfde nacht thuis kan komen, weet de man ook niet.

Overgeleverd worden aan het NMBS-apparaat, op de koop toe in een nachtelijk Charleroi? Er zijn aangenamere perspectieven. Gelukkig weet ik de dans net te ontspringen. De verlossing komt in de vorm van een metalige stem door de intercom. ‘Wegens problemen met de vorige trein, hebben we een vertraging van zo’n tien minuten.’ Even later doemt uit het niets de beloofde klusjesman op met een betonschaar in de handen.

Alles wat daaraan voorafging noem ik een “kitmoment”. Dat klinkt wat zachter dan de hardere variant met een u, en doet de waarheid net daarom meer eer aan. Want wat de feiten ook zijn – afspraak door de neus geboord, gloednieuwe fiets vastgeketend aan een nachttrein met bestemming Charleroi — later op de week herinner je je toch vooral andere zaken. Een fris biertje voor de neus op een zomeravond en het olijkste accent ten oosten van de Schelde mogen waarnemen in Café Rex, waarin de contouren van een voormalige dorpscinema nog goed waarneembaar zijn.

Fietssleutel versus pandemie

Wat een nalatige organisatie van me, wat een dommigheid om dat roestig slot nog te gebruiken. Maar kijk, ik heb het station nog niet verlaten of de eerste schuchtere lach komt al opzetten. Weten relativeren is een zegen, klop ik me op de borst.

Een afgebroken sleutel is natuurlijk nog geen pandemie. En toch vraag ik me af of de twee cruciale momenten in mijn treinverhaal ook hun gelijken kennen in de wereldwijde coronacrisis. Het moment dat het sleuteltje afbrak: valt dat te vergelijken met het moment dat de vleermuis besloot zijn grot in Wuhan te verlaten, al dan niet vrijwillig? En anderzijds is er het moment dat licht werpt in de tunnel vol ellende. Wordt de uitrol van Het Vaccin de klusjesman van Antwerpen-Centraal die met een betonschaar komt aanzetten?

Als ik mijn roestig slot tijdig had vervangen, was de treinellende mij bespaard gebleven. Studies van biologen tonen op hun beurt aan dat de vernietiging van onze natuurlijke habitat rechtstreeks gelinkt kan worden aan de opkomst van dergelijke virussen. Wat dat betreft gaat de vergelijking best goed op: we hebben onszelf in een netelig parket gebracht.

Al loopt de vergelijking op dat tweede punt wat stroever. Er zijn mensen gestorven, levens gehavend, er gingen banen verloren. Voor sommigen is het leed onpeilbaar geweest. Dat valt moeilijk te rijmen met een relatief triviaal ongemak.

En toch. Sinds vorige zomer zet ik mijn fiets in het daartoe bestemde kot op de trein. Daar heb je geen slot nodig, want je kan er gewoon naast gaan zitten. Ik paste zowaar mijn gedrag aan.

We leren pas wie we écht zijn als de realiteit op losse schroeven komt te staan.

We zijn er als samenleving in geslaagd om enkele aanpassingen razendsnel door te voeren. Of dat gewenste of minder gewenste aanpassingen zijn, doet nauwelijks ter zake. Ze zijn er, en iedereen weet waarover het gaat: afstand houden, café’s dicht, gedaan met nachtelijke omzwervingen. Maar ook een betere hygiëne, meer thuiswerk, de herontdekking van de natuur en een vergroot bewustzijn voor crisissen van velerlei slag.

Ode aan het aanpassingsvermogen

Het Amerikaanse tijdschrift Time vroeg aan de Oegandese presidentskandidaat Bobi Wine wat hem hoop geeft in de coronacrisis. ‘Tough times never last. But tough people do. This line encourages me, and I’ve used it to keep up the spirit of others’, antwoordde Wine.

De man weet waarover hij spreekt. Zijn volgelingen en hij worden geïntimideerd, opgesloten en in sommige gevallen op straat doodgeschoten. Wine legt zo de link tussen het persoonlijke en het maatschappelijke. Want wat geldt voor één iemand, geldt evenzeer voor een maatschappij. We leren pas wie we écht zijn als de realiteit op losse schroeven komt te staan.

Het verbaast me elke keer, elke uitstap in een leven gevuld met hoerenchance en elke reportagereis die ik maak voor MO*, hoeveel rek er zit op onze biologische soort. Dat heeft de coronapandemie alvast ook aangetoond.

Misschien moeten we deze hele crisis, en hoe we ermee omgaan, zo bekijken: als een ode aan het menselijke aanpassingsvermogen. Zo maken we, denk ik, van een kutjaar een “kitjaar”. En dan… plakken we 2019 en 2021 gewoon aan elkaar.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3059   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur