Dossier: 
Land van angst, racisme en salt & vinegar

Zout-zure groetjes uit Zuid-Afrika!

CC0 / Public Domain

Zuid-Afrikanen in het stadion in Johannesburg. ‘We rijden langs een historische site waar Nelson Mandela ooit het leven zuur werd gemaakt. Het is wachten op de eerste kapitalist die er een themapark naast bouwt.’

The world is built on discrimination of the most horrible kind. The problem with South Africans is: they admit it. (…) The South Africans just say, “Fuck you.” I believe it’s right there in their constitution: ”Article IV: Fuck you. We’re bigots.”’(P.J. O’Rourke, 1986)

Na drie weken in Zuid-Afrika staken we juichend en met beide vuisten de lucht in de grens over. Alsof een fysieke ballast ons van de schouders viel. ‘Het was toch een ziek land’, mompelden we. Waarna we van de weeromstuit ons wekenlang terugtrokken op een verlaten Mozambikaans strand. Daar verteerden we, op een strikt dieet van rum en verse vis, ons wedervaren in het verziekte buurland.

Het had allemaal te lang geduurd. De onwaarschijnlijke arrogantie van de religieuzen? Tot daaraan toe. Met de juiste set ogen had het zelfs iets komisch.

Pas afgezwaaid aan een obscure bijbelschool bombardeerde Mbulelo Mvubu zichzelf prompt tot Aartsbisschop van een door zichzelf opgerichte kerk. Mvubu was een godsvruchtig man – of dat wou hij met zijn gesteven habijt en opgeblonken kruisje rond de nek toch laten uitschijnen.

Of had hij brood gezien in het succes van de megakerken, die in zijn land als paddenstoelen uit de grond kwamen schieten? Zowat elk ander businessmodel uit de geschiedenis van de wereld verbleekt in een confrontatie met de boekhouding van pakweg Hillsong Church.

Ik zag een tendens: hoe groter de kloof tussen rijk en arm in een land; hoe meer kerken en goktenten

Ik zag een tendens: hoe groter de kloof tussen rijk en arm in een land, hoe meer kerken en goktenten. Zuid-Afrika bleek geen uitzondering. Wat op zich wel een verontrustende vaststelling is voor de tweede grootste economie van Afrika.

Om een onverklaarbare reden had Mvubu een alliantie gesloten met Buyelekhaya Dalindyebo, de rastakoning van de abaThembo (etnische groep waartoe ook Mandela behoorde). Die was een paar jaar daarvoor veroordeeld tot twaalf jaar gevangenis wegens meerdere moorden, afpersing en brandstichting.

Wanneer Mvubu ons in het midden van de nacht meetroont naar het koninklijk paleis, hoeft Dalindyebo’s vrouw, de koningin, daar intussen niet noodzakelijk van te weten. Desondanks komt even later Hare Majesteit slaapdronken aangeschreden om deel te nemen aan een nachtelijke gebedskring.

Er wordt gebeden voor de stante pede vrijlating uit de gevangenis van de koning, en – o ja, of er toch nog wat fondsen Mvubu’s richting zouden kunnen uitkomen. Midden in het gebed kruis ik in een flits de ogen met de koningin, op haar versierde muiltjes. Ik kan niet afleiden wie van ons twee er het meest intense “what the fuck”-moment aan het beleven is.

Maar het zijn vooral de sociale interacties die mij opvallen, waar de raciale kenmerken als diepe groeven dwars overheen lopen.

We zitten in een restaurant ergens in Johannesburg. Ondanks wat de liefkozende afkorting ‘Jozie’ doet vermoeden, is dat een stad met een centrum noch een ziel. Ik zou niet de eerste zijn die opmerkt dat de Zuid-Afrikaanse grootsteden nogal Amerikaans aandoen: het groteske, het individualistische, het steriele. Het restaurant zelf lijkt op een Zuid-Afrikaanse microkosmos: zwart staat recht en voert onderbetaalde en ondergewaardeerde handenarbeid uit voor wit. Ook wat dat betreft, lijkt het op pakweg Miami. Het enige verschil is: hier dragen de vrouwen de manden vol vuile tafellakens op hun hoofd.

‘That’s illegal, man!’, eindigt de student zijn betoog. Hij heeft net een complete uiteenzetting gegeven over het totaal verziekte en racistische onderwijssysteem in zijn land. Zijn vriendin zit ernaast en redeneert verder, aangedreven door hetzelfde vuur. Het is de periode van #FeesMustFall. Over het hele land trekken vooral zwarte studenten de straten op om gelijk onderwijs te eisen.

‘Zitten wij hier nu echt met twee blanken te spreken?’, voel je onze zwarte gesprekspartners denken. Of komt die energie overgewaaid van de andere tafeltjes? Interactie tussen wit en zwart vindt gewoonlijk slechts plaats als die verplicht is – zoals bij het betalen van een factuur. Blikkeloos, woordeloos, harteloos.

***

‘Listen!’, blaft hij. Zijn pafferige, rood aangelopen gezicht verraadt een lange traditie van incest en balanceert op een paar centimeter van het mijne. ‘The blacks… They’re stupid!’

‘The blacks… They’re stupid!’

Na drie weken op een Mozambikaans strand zijn we behoedzaam terug geslopen richting bewoonde wereld. Pal over de grens hebben we pech. We botsen op een horde Zuid-Afrikaanse patriotten waarvan er één zich geroepen voelt om zijn wereldbeeld te delen met twee Europeanen.

De man is een veteraan van meerdere oorlogen. Vooral over die in het land dat hij nog steeds Rhodesië noemt, kan hij niet ophouden. Veertig jaar later na datum razen de veldslagen die hij daar leverde nog steeds door zijn hoofd.

De man zet zich aan een denkoefening waarin Hitler de hoofdrol speelt. Vol verbazing onttrek ik mijn blik aan de varkensoogjes die me intussen met kille woede aanstaren. Dat blijkt niet voldoende om de man af te schudden – wat later moet ik hem fysiek van me wegduwen. Het vet zet zich op een godzilla-achtige manier in beweging.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws

Dat ik geen boodschap heb aan zijn racistische praat, kan er niet in. Hoe kan hij nu een racist zijn als hij ‘hen’, tja, ‘neukt’?

***

Klakkeloos verdwijnt de volgende zak chips in een mond. Van wie die mond is, doet er niet toe. Iedereen vreet zich hier te pletter. Het taxibusje is net gestopt in een tankstation. Dat heet het startschot te zijn om industriële hoeveelheden vet, suiker en zout in te slaan in de aanpalende fastfood-“restaurants”.

Even later worden de kippenbillen waar geen kip aan te pas komt smaakvol opgesmikkeld in kruidige wolken. Het vet druipt over de kinnen. Meer chips. Die wordt in deze kringen de geijkte eigenschappen toegedicht om te dienen als dessert.

Bij het samenvoegen van alle prefabsauzen van de wereld neemt Salt & Vinegar de bovenhand, zo leer ik. Het is een misselijkmakende geur, die nog lang na de laatste hap blijft hangen.

We rijden langs een historische site waar Nelson Mandela ooit het leven zuur werd gemaakt. Het is wachten op de eerste kapitalist die er een themapark naast bouwt

Vanuit de onmetelijke landschappen houden de zebra’s en bobbejanen zich vooral afzijdig. We rijden langs een historische site waar Nelson Mandela ooit het leven zuur werd gemaakt. Het is wachten op de eerste kapitalist die er een themapark naast bouwt. Compleet met Nelson Mandela-roetsjbanen waar je kan plaatsnemen in treintjes naar de beeltenis van Nelson Mandela. En een aanpalend “restaurant” natuurlijk: Nelson Mandela-hamburgers met Nelson Mandela-sauzen (die, als je ze allemaal samengooit, ook gewoon naar Salt & Vinegar zullen rieken).

Binnen in de bus wordt een en ander intussen doorgespoeld met gemixte smurfendrank. Later vertelt iemand me dat dergelijke fastfood-“restaurants” tijdens de jaren van apartheid verboden terrein waren voor de zwarte bevolking. Nadien smaakten de vette vruchten plots dubbelzoet. Het resultaat laat zich raden. De helft van de busbevolking is niets minder dan morbide obees – kinderen inclusief.

Wie ben ik om het verschijnsel van een weeromstuit te veroordelen.

***

Drie jaar later ben ik opnieuw in het land, op doortocht tussen twee MO*-reportages in Zimbabwe en Lesotho. Het stof van de Mozambikaanse stranden is onderhand uit de kleren, maar de herinneringen aan de regenboognatie allerminst.

Voorbereid op een episode van mentale terreur trek ik bijna kop in kas het land in. Ik stap in een taxibusje. Ik vraag mij af wat er met mij gebeurd zou zijn, mocht ik in dit land als zwarte geboren zijn? Zou ik ook mijn gesprek staken, en met iets van verbazing in mijn blik een witte medereiziger aankijken?

Of zou ik mij in het andere geval ook angstig terugtrekken in de lommerrijke buitenwijken, achter torenhoge elektrische prikkeldraad? Zou ik in het restaurant mijn geld achteloos naast een uitgestoken zwarte hand gooien?

‘Hulp!’, schreeuwen de Zuid-Afrikanen intussen hun keel schor. ‘Nog een Europeaan die het mentaal even wat moeilijker heeft!’ Ergens in het land wordt intussen een Zimbabwaan ‘genecklacet’ in een xenofobische aanval. (In Zuid-Afrika betekent dat: iemand een autoband doordrenkt met benzine om het lichaam hangen en aansteken, red.)

***

Aangekomen in de stad Bloemfontein stap ik een café binnen, het enige dat op deze koude maandagavond bevolkt is. Het is duidelijk: hier hebben de Boeren het voor het zeggen – blanke Afrikaners. Onder hun snorren wisselen ze grote glazen bier uit met krakende vloeken. En vertelt er eentje een mop, dan lacht de rest luid mee.

Ergens halverwege de toog zit een van de weinige zwarten. ‘Wrong meeting’, denk ik onvrijwillig. Vreemd hoe snel je meegesleurd wordt in een logica.

Hij heet Dennis en is afkomstig uit Nigeria. Even later nodigt Dennis me uit voor een feest en stap ik in zijn auto.

Hij stelt me voor aan Tintswalo, met haar ravenzwarte ogen. We dansen de hele nacht en smeden plannen om elkaar later terug te zien in Durban.

***

Dagen later, ergens op een strand vlakbij Durban. Mijn laatste uren op Zuid-Afrikaanse bodem hebben alweer geslagen. Ik kijk rond en schraap de herinneringen bij elkaar van de afgelopen drie jaar. Naast me ligt het overschot van een plastic zak vol marihuana die een chief in Lesotho me als afscheid schonk (meer daarover in de volgende MO*-reportage).

De mentale ruimte tussen blank en zwart is in dit land zo groot dat er een loophole ontstaat waarin eigenlijk alles mogelijk is

Wat je in dit land met een vriendelijk woord kan kopen, is eigenlijk onvoorstelbaar. Dat komt net omdat niemand een vriendelijk woord verwacht. De mentale ruimte tussen blank en zwart is in dit land zo groot dat er een loophole ontstaat waarin eigenlijk alles mogelijk is. Ik beeld me in hoe het onzalige idee zou aflopen waarbij kardinaal Danneels koningin Mathilde uit haar bed zou zetten voor een nachtelijk gebedskransje.

Mijn gedachten worden opnieuw helder, en ik besef dat meer dan 25 jaar na de val van de apartheid dit land verziekt blijft door twee emoties: angst en racisme. In het rijke palet aan emoties eigen aan onze soort, zijn het er twee van de krachtige en dominante soort. Net zoals uit het hele palet aan smaken net Salt & Vinegar gaat overheersen in een Zuid-Afrikaans taxibusje.

Het zijn de roepers. Ze gaan met de aandacht lopen, maar hebben behalve hun dominantie niets bij te brengen. Sommigen verwarren het theatrale met mystiek, maar achter de vorm gaapt de leegte. Waar de roepers de bovenhand halen, levert dat zelden of nooit de grootste graad van harmonie op. Ze richten ten gronde. Wie ermee heult, krijgt al snel een zurige nasmaak in de mond.

De vraag is dus: hoe schudden we de roepers van ons af? Je kan Aartsbisschop Mvubu vragen of hij een gebedskring wil organiseren. Mits wat fondsen zal Mvubu daar zeker bereid toe zijn. Maar de kans lijkt klein dat zijn ingreep een goddelijke interventie kan provoceren. Daarop zou je kunnen pleiten voor een verbod op decibelterreur.

Of je kan een team ingenieurs rond de klok laten werken om de ergste zurigheid in de nasmaak af te kalven. Maar dat verandert niets aan de essentie van het probleem. ‘Het origineel is altijd beter dan het doorslagje!’, roepen de grootste haatzaaiers intussen in koor.

Je kan de hashtag #SaltandVinegarMustFall opstarten en massaal, gedurende twee jaar, elke dag op straat komen voor gelijke rechten. Politiegeweld incasseren, tot regelrechte foltering toe. Maar net zoals #FeesMustFall en alle andere afgeleiden hebben al die hashtags weinig zoden aan de dijk gezet. Het onderwijssysteem is er maar een fractie minder racistisch op geworden. Minieme kans op succes dus.

De enige manier om de natuurlijke balans in een Zuid-Afrikaans taxibusje te herstellen, is om simpelweg iets anders te beginnen eten. We zullen ons eigen eten moeten meenemen, want de “restaurants” langs de kant van de weg serveren alleen maar nep-eten. Vermomde charlatans zullen zich aandienen als co-piloot. Varkensoogjes zullen ons aanstaren vanuit pafferige gezichten en ons proberen te overtuigen van de weldaden van duivelse sauzen.

Maar! Iets anders eten, en plotsklaps beseffen: ‘dit was zo verschrikkelijk vies dat ik iets nodig heb om de weeromstuit op te vangen. En wel onmiddellijk!’ De meerderheid van de Zuid-Afrikanen is het leven lang genoeg zout-zuur gemaakt.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur