Wie “it’s the economy, stupid” roept, denkt best even mee over wélke economie we eigenlijk willen

IMF waarschuwt voor het Tijdperk van Onzekerheid

International Monetary Fund CC BY-NC-ND 2.0

IMF-topvrouw Christine Lagarde

Wanneer het Internationaal Muntfonds (IMF) een themanummer van zijn maandblad wijdt aan sociale bescherming spits je toch de oren. Het decembernummer van Finance & Development, onder de titel Age of Insecurity. Rethinking the social contract kwam tot stand in samenwerking met de London School of Economics and Political Science (LSE). Het brengt interessante inzichten samen, maar misschien nog interessanter is het feit dat juist het IMF daar uitgebreid aandacht aan besteedt. We belichten hier graag alsnog enkele bijdragen uit het nummer.

Angst voor de massa?

Zo’n themanummer vraagt enige voorbereiding, dus op het moment dat het geschreven werd waren de gele hesjes waarschijnlijk nog nauwelijks in het straatbeeld. Evengoed werd het tijdschrift geïnspireerd door de vaststelling dat de economische onzekerheid van het afgelopen decennium heeft geleid tot ongenoegen en protest.

Zit de schrik er in bij de gevestigde orde? Voelen internationale organisaties zich bedreigd omdat hun globale verhaal niet meer wordt geloofd?

Ook IMF-topvrouw Christine Lagarde maakte bij eerdere gelegenheden al toespelingen op de risico’s van het groeiend populisme en nationalisme. In Washington gaat de Amerikaanse president immers al twee jaar tekeer tegen open grenzen en internationale instellingen, en ook in Europa vinden populistische boodschappen steeds meer weerklank.

Zit de schrik er in bij de gevestigde orde? Voelen internationale organisaties zich bedreigd omdat hun globale verhaal niet meer wordt geloofd? De auteurs van het themanummer zien in ieder geval voldoende aanleiding voor een nieuwe invulling van het sociaal contract –deels ongeschreven regels over rechten en plichten en een organisatie van de samenleving die ervoor zorgen dat we voldoende vertrouwen hebben in de overheid om ons te schikken naar haar regels.

Contractbreuk of nieuwe vrijheid

Er liggen verschillende fenomenen aan de oorsprong van dat tanende vertrouwen. Eén ervan is de groeiende ongelijkheid, of toch iets dat hardnekkig aanvoelt als groeiende ongelijkheid. De laatste cijfers van de OESO bevestigen dat in ieder geval in de VS de inkomensongelijkheid fors steeg in het afgelopen decennium, maar die cijfers zijn voor België veel minder uitgesproken.

Minstens zo belangrijk als de ongelijkheid is de vaststelling dat veel huishoudinkomens sinds de financieel economische crisis minder groei kenden of zelfs stagneerden, vooral bij de middenklasse in ontwikkelde landen. Nemat Shafik, ondertussen directeur van de LSE maar in een vorig leven baas van het Britse departement ontwikkelingssamenwerking DFID en adjunct managing director bij het IMF, schreef een van de centrale bijdragen voor het F&D nummer.

Shafik verwijst naar een studie van McKinsey die dit fenomeen becijferde in 25 ontwikkelde landen. Daarmee komt het toekomstperspectief in het gedrang, vrezen veel ouders dat hun kinderen het minder goed zullen hebben, en ontstaat angst om hun eigen pensioen.

Een andere oorzaak ligt in de vrees voor robotisering en automatisering, die de tewerkstelling verminderen én veranderen. Het IMF waarschuwde daar in een eerdere studie al voor, enigszins in contrast met de zonnige blik van de Wereldbank in haar World Development Report 2019 over The Changing Nature of Work. Die realiteit zal de inkomensongelijkheid in de nabije toekomst nog versterken, bijvoorbeeld tussen dure, hoogopgeleide computerspecialisten en slechtbetaalde lager geschoolden voor werk dat niet kan geautomatiseerd worden, zoals in de zorg.

Zingeving en sociale contacten

Er zijn ook positieve kanten aan het feit dat veel onaangenaam werk kan vervangen worden door automatisering, maar daarmee vergeet je dat werk, zelfs minder interessante jobs, voor veel mensen ook zingeving en sociale contacten biedt. Wie aan de slag wil blijven, zal moeten bijscholen of helemaal omscholen, en hoe dan ook vaker van werkgever veranderen.

Shafik verwijst verder naar onderzoek dat bovenstaande cijfers overtuigend koppelt aan de plaatsen waar ontevreden stemmen uitgebracht werden, in de VS voor Trump, in Groot-Brittannië voor Brexit.

Voor Michal Rutkowski van de Wereldbank zijn de huidige sociale beschermingsregels voorbijgestreefde relicten uit het industriële tijdperk met z’n vaste loopbanen.

Er is nog een ander ressentiment, dat veel minder aan bod komt in dit hele nummer terwijl dit juist de internationale organisaties zou moeten verontrusten: namelijk de indruk die veel mensen hebben dat hun nationale overheden de greep kwijtraken op internationale economische mechanismen (kapitaalvlucht, prijsbepaling, delokalisatie, arbeidsmigratie…) en veel minder duidelijk gecontroleerde internationale instellingen.

Maar niet iedereen schetst een toekomstbeeld vol kommer en kwel. Er is een segment van gezonde, hoogopgeleide, jonge mensen die met veel plezier jobhoppen en de wereld rondreizen, of het proberen als zelfstandige, kortom zich vrij voelen om te gaan waar ze willen. Ook sommige ontwikkelingslanden, zoals Rwanda, springen enthousiast op de digitale mogelijkheden.

De flexibele gig economy met z’n deelplatformen, z’n kortetermijncontracten en vaak informele afspraken biedt ook heel wat kansen. Dat is de optimistische ondertoon van de bijdrage van Michal Rutkowski van de Wereldbank. Voor hem zijn de huidige sociale beschermingsregels voorbijgestreefde relicten uit het industriële tijdperk met z’n vaste loopbanen. Ze hebben hun verdiensten gehad in de geïndustrialiseerde landen maar zijn ondertussen passé, terwijl ze in ontwikkelingslanden nooit echt relevant geweest zijn aangezien daar onvoldoende formele tewerkstelling is om sociale zekerheid aan te koppelen.

Nieuwe vormen

Voor Rutkowski moet er een systeem komen dat aangepast is aan de nieuwe economische realiteit in de ontwikkelde wereld, die in de praktijk opschuift naar de realiteit van informeel en onzeker werk in de ontwikkelingslanden.

Daarom moet er voor hem een verschuiving komen van werkgeversbijdragen naar rechtstreekse welvaartsoverdrachten vanuit de overheid. In zijn visie wordt de politieke vermenging van risico-pooling, armoedebestrijding en streven naar gelijkheid via inkomensherverdeling beter losgekoppeld ten voordele van meer technische risico-deling om mensen te beschermen tegen armoede.

Digitalisering zal helpen om het allemaal georganiseerd te krijgen: via biometrische gegevens en digitaal databeheer kunnen cash transfers zonder veel problemen direct via de mobiele telefoon aan de begunstigden overgemaakt worden. Ontwikkelingslanden hebben een voordeel, schrijft Rutkowski nog: ze kunnen van niets beginnen en hoeven niets af te breken om meteen over te schakelen naar een modern systeem.

In de praktijk zijn verschillende landen daar al langer mee bezig, met heel verschillende experimenten zoals de Bolsa Familia in Brazilië waar gezinstoelagen gekoppeld worden aan deelname aan onder andere onderwijs en vaccinatieprogramma’s, sociale assistentie in Ghana waarbij begunstigden tewerkgesteld worden in openbare werken, of de plannen voor een veralgemeend verzekeringsstelsel Assurance pour le Renforcement du Capital Humain (ARCH) in Benin. Ook de discussie over het basisinkomen valt in deze experimenteerruimte.

Wie gaat dat betalen ?

Tegenover de eerder technocratische invulling van de Bank staat de bijdrage van Michael Cichon (International Council on Social Welfare en professor aan de UN-universiteit in Maastricht), die een sterk politieke invulling geeft. Hij vertrekt vanuit het begrip sociale rechtvaardigheid, waarin de strijd tegen armoede juist wel gekoppeld blijft aan de strijd tegen ongelijkheid en onzekerheid. Er is nauwelijks een land dat te arm is om te delen, stelt hij, en er zijn geen enorme sommen nodig: met 2 tot maximum 5 procent van hun bnp kunnen de meeste landen het noodzakelijke minimum aan sociale bescherming leveren.

Een progressief belastingsysteem zal er niet vanzelf komen, schrijft Michael Cichon. Het is aan de civiele samenleving om dit af te dwingen van de politieke elite.

Verder is alleen politieke wil en moed nodig om een rechtvaardig en progressief belastingsysteem in te voeren dat die nodige middelen zal opbrengen. Dat zal er niet vanzelf komen, schrijft hij nog, het is aan de civiele samenleving om dit af te dwingen van de politieke elite. Dat is ferm gesproken van Cichon , maar hij lijkt daarbij niet gehinderd door problemen van governance en capaciteit in de betrokken landen.

Meer overwegingen vinden we in de bijdrage van Professor Nicholas Barr van de LSE. Hij schrijft een sterk pleidooi voor de verzorgingsstaat, die niet enkel dient om armoede te bestrijden, maar ook om marktonvolkomenheden tegen te gaan én om economische groei te ondersteunen. Dat lijkt ver van de grafrede van Rutkowski, maar er zijn wel raakvlakken. Barr pleit voor een bredere algemene verzekering waar iedereen in de risico-pool zit en waar iedereen verplicht aan bijdraagt, via algemene belastingen en/of specifieke bijdragen, maar niet noodzakelijk op basis van tewerkstelling, die immers steeds volatieler wordt. Om die reden ziet ook hij wel brood in de loskoppeling van werkgeversbijdragen aan de sociale zekerheid.

Nationalisme en protectionisme

Barr maakt echter een onderscheid tussen berekenbare risico’s (zoals de kans op auto-ongevallen), die je aan een privé-verzekeraar kan overlaten, en onzekerheden die veel minder makkelijk te vatten zijn, zoals economische recessie, politieke instabiliteit of nog klimaatrisico’s, en die je vooral niét aan de privé-verzekeraar moet overlaten, omwille van allerlei marktonvolkomenheden. Ook voor de dekking van gezondheidsrisico’s ziet hij geen heil in de privé-verzekeraar op de markt. Toch zijn dat ook voor Barr veeleer technische afwegingen. Maar er is volgens hem wel een ideologisch debat nodig om uit te maken wat een samenleving precies wil bereiken met haar beschermingssystemen.

Nemat Shafik gaat in haar bijdrage uitgebreider in op het “wat”, de doelstellingen die moeten afgewogen worden om te komen tot een nieuw sociaal contract. Ze stelt dat zo’n contract is gebaseerd op waarden, en die liggen voor elke samenleving anders.

Terugplooien op nationalisme en protectionisme is geen optie, maar de sociale gevolgen van globalisering moeten beter beheerd en beheerst worden, en elke samenleving zal keuzes moeten maken. Voor wie voelt de samenleving zich verantwoordelijk? Voor de huidige én de toekomstige generaties? Voor familie, gemeenschap, regio, eventueel ook voor minder gefortuneerden in verre landen? Wie betaalt voor wie?

Maar ook het “hoe” –via markt of via overheid- lijkt voor haar deel uit te maken van dat debat, en is niet louter een technische afweging. Ze wijst in dat verband naar de mogelijkheid van rijke mensen om uit het stelsel van veralgemeende sociale zekerheid te stappen en beroep te doen op privé gezondheidszorg. Dat is geen goed idee, zo werd in Groot-Brittannië al eerder ervaren, want diensten die enkel voor de armen werken, blijken ook al te vaak armere dienstverlening in te houden. Wanneer ook de beter gesitueerden deel uitmaken van de publieke dienstverlening is er meer druk om de kwaliteit hoog te houden.

Brokken lijmen of radicaal veranderen

De diverse bijdragen in het Kerstnummer van het IMF gaven verschillende sporen aan, van algemene principes en sociaal-politieke keuzes tot meer technische overwegingen. Maar er blijven nog wat vragen onbeantwoord. De cover van het F&D tijdschrift toont een paraplu die lijkt te beschermen tegen overvloedige regen. Je wordt daarmee meteen op het spoor gezet van klimaatrisico’s, maar ecologische overwegingen komen in het hele nummer nauwelijks voor.

Het gaat over het herstel van het sociaal contract en sociale bescherming die groei moet ondersteunen, maar de aard van die groei wordt niet bevraagd en ecologische grenzen worden niet in de berekening opgenomen. Bovendien worden de oorzaken van de vertrouwensbreuk met de burger stuk voor stuk als feit of fataliteit aangenomen, en niet als ontwikkelingen die op zich ook beïnvloed kunnen worden door politieke keuzes. Enkel de bijdrage van Isabel Ortiz van de Internationale arbeidsorganisatie (ILO) sputtert hier wat tegen. Zo zijn een aantal evoluties op de arbeidsmarkt wel degelijk ook het gevolg van politieke keuzes. Dat er ook andere groei mogelijk is, die bijvoorbeeld anders inzet op arbeid en zorg, lijkt voorlopig echter nog geen wezenlijk deel uit te maken van het debat, en nog minder van de praktijk.

Komen er van binnenuit barsten in het algemeen geldend model dat de waakhond van de internationale economie meer dan een halve eeuw propageerde?

Niet dat er, ook binnen het IMF, niet over nagedacht wordt. In F&D van een vol jaar geleden (maart 2018) haalde Anthony Annett het paradigma van de neoklassieke economie al eens klinkend onderuit en pleitte hij voor het terugbrengen van andere waarden in de economie.

De “homo economicus” die model staat in het neoklassieke economische verhaal, is uit op zelfbelang en winstmaximalisatie via competitieve markten. Zo’n model leidt –het zijn, samengevat, de woorden van Annett — tot louter materieel gewin en roofbouw op onze planeet.

Met verwijzing naar denkers als Amartya Sen en Martha Nussbaum, de moraalfilosofie en recente inzichten uit de sociale psychologie, onderstreept hij het belang van de “common good”, nastreven wat goed is voor de gemeenschap. De duurzame ontwikkelingsdoelen (Agenda 2030) van de Verenigde Naties kunnen ons wat hem betreft op dat spoor helpen. Annett is niet een zoveelste academicus (hij werkte voor het Columbia Center for Sustainable Development), maar ook al jaren assistent van de Directeur Communicatie van het IMF.

Betreft het hier dan louter een charmeoffensief, onderdeel van een uitgekookte PR-strategie, of komen er ook van binnenuit barsten in het algemeen geldend model dat de waakhond van de internationale economie meer dan een halve eeuw propageerde?

Disclaimer

Het IMF-tijdschrift heeft uiteraard steeds zijn disclaimer, die waarschuwt dat de meningen van de auteurs niet noodzakelijk overeenkomen met die van de instelling zelf. Maar de aandacht is gespitst en het debat is open, en de urgentie is de laatste maanden alleen maar groter geworden.

De leden van de raad van bestuur van het IMF (en van de Wereldbank) worden aangeduid door de regeringen van de lidstaten, en hun Lentevergadering is net achter de rug. Nog net op tijd om de Belgische vertegenwoordigers nog eens uit te nodigen in het parlement voor een grondige nabespreking? Misschien kan de verkiezingsmodus helpen om de posities wat scherper af te lijnen. Want wie “it’s the economy, stupid” roept, denkt best even mee over wélke economie we eigenlijk willen. Dit dwingende thema verdient een plaats op alle kiesniveaus: Europees, Belgisch, regionaal. En dan biedt de Jaarvergadering van WB en IMF in oktober een nieuwe kans om ook internationaal consequent te handelen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur