Armoede uitroeien met behulp van eerlijke belastingen

Blij met belastingen

Thomas Hawk CC BY-NC 2.0

 

Half februari ging in New York een conferentie door over Belastingen en de Duurzame Ontwikkelingsdoelen. Ze werd georganiseerd door het Platform for Collaboration on Tax, een samenwerkingsverband van de Verenigde Naties, de Wereldbank, het Internationaal Muntfonds en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

Die borduren daarmee voort op de resultaten van de conferentie Financiering voor Ontwikkeling in Addis Abeba, juni 2015 en de VN-top waar de 17 Duurzame Ontwikkelingsdoelen vastgelegd werden in de Agenda 2030 in New York, september 2015. Hoe het er aan toe gaat op zo’n conferentie kan je hier nog een tijdje volgen.

Alle betrokkenen weten dat die Duurzame Ontwikkelingsdoelen niet kunnen gerealiseerd worden met ontwikkelingshulp alleen, zelfs niet wanneer die fors opgedreven zou worden. De privé sector zal haar steentje moeten bijdragen, en de betrokken landen zullen zelf meer interne middelen moeten mobiliseren (in het jargon heet dat domestic resources mobilization).

Dat kan onder andere door belastingen: een beter functionerende belastingadministratie, eerlijke tarieven, correcte naleving, waar donorlanden hoogstens ondersteunend kunnen zijn. Maar het Platform is ook opgericht om de internationale aspecten, met name belastingen op internationale transacties, ontduiking en ontwijking in belastingparadijzen, informatie-uitwisseling, aan te pakken, en ontwikkelingslanden daar sterker bij te betrekken.

Rijk zijn is relatief

Over belastingen spreken in ontwikkelingslanden heeft op het eerste zicht iets cynisch. Het grootste deel van de bevolking heeft nauwelijks een inkomen, die kan je niet nog verder kaalplukken. In arme landen wonen echter niet alleen arme mensen. Door de vaak extreme ongelijkheid kan er verhoudingsgewijs veel geld zitten in de toplaag, ook al is dat in internationale context relatief.

Zo zou de huidige President van Benin via zijn zakenactiviteiten een vermogen van 18 miljoen dollar opgebouwd hebben. In vergelijking met het minimumloon in Benin (omgerekend zo`n 73 USD per maand) is dat een enorm fortuin, maar het is peanuts bij de 30 miljard dollar die Bill en Melinda Gates alleen al in hun filantropische stichting hebben geïnvesteerd, en waar ze jaarlijks ongeveer 5 miljard dollar van uitdelen -geen nood, dat kapitaal groeit ondertussen weer aan.

‘Het grotere probleem is dat de rijke bovenlaag in arme landen de politieke en economische dienst uitmaakt, en niet zomaar bereid is om meer bij te dragen aan de samenleving’

Het grotere probleem is dat die rijke bovenlaag de politieke en economische dienst uitmaakt, en niet zomaar bereid is om meer bij te dragen aan de samenleving. Ze heeft dat ook niet nodig, want er is geld genoeg voor pakweg privé-onderwijs en gezondheidszorg in het buitenland. Een solide middenklasse ontbreekt vaak, en verder is er doorgaans een uitgebreide informele economie waar het heel wat moeilijker is om op systematische en faire manier belasting te heffen.

Ten slotte: wie belasting betaalt, weet graag wat er mee gebeurt en kan eisen dat het verstandig besteed wordt. Zo wordt belasting heffen meteen een eersteklas politiek probleem, en geen louter technische kwestie. Er is daarvoor ook een uitgesproken politieke wil en planning nodig van de betrokken overheden, en dat is iets wat het IMF heeft moeten leren wanneer het technische assistentie biedt aan belastingadministraties.

De technische expertise is wel noodzakelijk, want het gaat om een complexe materie met veel facetten en broze evenwichten: personen- en bedrijfsbelasting, belasting op vermogens en op arbeid, btw-systemen, progressieve tarieven, ingenieuze constructies om te ontwijken of te ontduiken.

Hoeveel is genoeg?

Hoeveel belastingen heeft een land dan nodig? Dat is uiteraard afhankelijk van het nationale inkomen, maar ook van de samenstelling ervan en verder van het ambitieniveau van de overheid.

Algemeen wordt aangenomen dat een land toch minstens 15 procent van zijn bnp moet kunnen genereren aan belastinginkomsten (dat heet de tax/GDP ratio). Zo kan het minimaal functioneren en als overheid de nodige uitgaven verzekeren voor zowel een basis dienstverlening als voor investeringen en economische groei. Heel wat ontwikkelingslanden halen die norm niet, maar er zit wel veel variatie in.

Zo halen bijvoorbeeld Benin en Rwanda de norm net, de Democratische Republiek Congo haalt maar 11 procent, Senegal klom naar 17 procent en Botswana verbaast velen met 35 procent wat ook hoger is dan het gemiddelde van de (ontwikkelde) OESO-landen (33,8 procent). Mexico (16,2 procent) en de VS (28,8 procent) zitten volgens de gegevens van OESO in die groep aan de onderkant, de Scandinaviërs én de Fransen en Belgen traditioneel een stuk hoger (rond de 45 procent).

Louter in financiele termen gesproken, hebben sommige landen zo’n hoge Tax/GDP ratio niet nodig, met name wanneer ze rechtstreekse inkomsten puren uit bijvoorbeeld olie of andere natuurlijke rijkdommen of overheidsbedrijven. Zo ligt de Tax/GDP ratio in pakweg Algerije of Bahrein niet hoger dan 6 à 7 procent.

De vraag naar een verantwoordingssysteem is er in dergelijke landen niet minder om. Het volstaat immers niet dat er geld opgehaald wordt via belastingen of via andere kanalen in het laatje komt door rechtstreekse bedrijvigheid van de overheid. De geldstroom moet ook transparant zijn, en het geld moet ook nog eens goed besteed worden. Dan ontstaat een klimaat van een redelijk vertrouwen in de overheid, waarin zonder al te veel mopperen belastingen betaald worden.

Zo werkt dat in een samenleving die meer is dan een markt, die werkt op basis van een steeds opnieuw te onderhandelen ‘sociaal contract’ tussen burgers onderling en tussen burgers en de overheid. En vooral daarom horen belastingen tot de kern van het debat over ontwikkeling.

Belastingen en (on)gelijkheid

Het gezonde verstand zegt dat er een rechtstreeks verband is tussen de hoogte van de belastingen en de (on)gelijkheid in een land. Belastingen kunnen immers ook een krachtig herverdelingsmechanisme vormen. Ook Oxfam International gaat daarvan uit, met de berekening van haar commitment to reduce inequality index die de organisatie vorig jaar lanceerde. Oxfam meet de inspanningen van een land om meer gelijkheid te realiseren aan de hand van ten eerste de hoogte van de belasting, daarnaast de sociale uitgaven en ten slotte de arbeidsregelgeving.

‘België staat aan de top van landen die volgens Oxfam de grootste inzet aan de dag leggen om ongelijkheid te bestrijden, de realiteit achter de cijfers is toch een ietsje anders’

En dan is het natuurlijk wel aangenaam om lezen dat België aan de top staat van landen die volgens Oxfam de grootste inzet aan de dag leggen om ongelijkheid te bestrijden, de realiteit achter de cijfers is toch een ietsje anders.

Ook Oxfam zelf realiseert zich dat de resultaten gebaseerd op haar methode minstens gedeeltelijk een afspiegeling vormen van het gevoerde beleid in het verleden, en niet noodzakelijk de inspanningen van vandaag aangeven. Bovendien is het geen automatisme dat hoge belastingen en hoge sociale uitgaven ook echt goede en toegankelijke sociale diensten opleveren.

Zo besteedt de VS , met alle gebreken van haar ziekteverzekeringsstelsel, in verhouding toch nog veel publiek geld aan gezondheidszorg. Dat geld gaat naar torenhoge ziekenhuisrekeningen en peperduur aangerekende medicijnen. Er wordt daar pervers veel geld verdiend in de medische en farmaceutische sector maar een groot deel van de bevolking wordt er niet gezonder op.

Internationale lekken bestrijden

Belastingen zijn verder niet enkel een kwestie van binnenlands beleid. Een deel van het potentiële belastinggeld verdwijnt, legaal of illegaal, naar het buitenland. Met de Panama- en andere papers is het probleem ondertussen ook bij een groter publiek goed bekend, maar de oplossingen komen traag op gang. Het Platform wil ook daar meer werk van maken maatregelen om dergelijke lekken onmogelijk te maken. Binnen de OESO wordt er weliswaar al langer aan gesleuteld, maar dit bleef een onderonsje van rijke landen.

‘Zowel ontwikkelings- als ontwikkelde landen proberen bedrijven en investeerders en financiële groepen binnen te halen en te houden met allerlei voordelen, waaronder ook gunstige belastingtarieven’

Het is ook het werkterrein van het IMF, dat hiervoor in principe instrumenten voor surveillance, advies en meer of minder zachte dwang in huis heeft. Maar het IMF kijkt ook op dit domein vooral naar de technische kanten, terwijl het ook om economische machtsverhoudingen gaat, en dus een politieke kwestie is.

Zowel ontwikkelings- als ontwikkelde landen proberen bedrijven en investeerders en financiële groepen binnen te halen en te houden met allerlei voordelen, waaronder ook zo gunstig mogelijke belastingtarieven, waarmee ze de race to the bottom inzetten. De Wereldbank spreekt op dit vlak met gespleten tong, want enerzijds propageert ze lage belastingtarieven als een onderdeel van de Doing Business Index, maar werkt inmiddels toch ook mee aan het Platform.

Binnen de Verenigde Naties wordt al langer geduwd en getrokken om meer invoed op deze agenda te krijgen omdat in principe de discussie er gevoerd wordt op basis van meer democratische verhoudingen, en niet louter in functie van de aandelenportefeuille in de Wereldbank of de stemverhoudingen in het IMF -in de OESO hebben ontwikkelingslanden geen zeggenschap. Het VN–forum zou meer ruimte moeten bieden om ook de politieke aspecten van de problematiek te betrekken.

Dat is een mooi principe, maar daar is de internationale gemeenscjap best niet te naïef in. De binnenlandse ongelijkheid zou wel eens een goede graadmeter kunnen zijn voor de politeke wil van een land om ook op internationaal vlak te strijden voor betere verhoudingen.

Belastingsvrij en de sociale strijd

Er zijn dus allerlei goede redenen om meer gepassioneerd bezig te zijn met belastingen. De Tax Freedom Day kan een goede gelegenheid zijn om een en ander op te werpen. Op die dag heeft een land in zijn geheel voldoende verdiend om alle belastingen te kunnen betalen, volgens het discours van de Tax Foundation.

De bijgedachte is dat je vanaf dan enkel nog voor jezelf werkt. Volgens de Tax Foundation wordt die vrijheid in de Verenigde Staten ergens vanaf de tweede helft van april bereikt, en in de meeste West-Europese landen tussen begin juni tot begin augustus.

De lobbygroep vergeet erbij te vertellen wat je er allemaal voor terugkrijgt. Dat kan, net zoals de datum zelf, nogal verschillen van land tot land. In België krijgen we daar voorlopig nog steeds betaalbare gezondheidszorg, zo goed als gratis onderwijs, regelgeving, werkloosheidsuitkeringen, defensie, politie, bruggen en wegen, bussen en treinen, theater voor terug.

Dat kwam er allemaal niet vanzelf, maar door sociale strijd, onderhandelingen en beleidskeuzes.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur